Uit de Pers.
uit „Hollandia", red. Ds. J. C. Sikkel te-Amsterdam, nemen wij gaarne het volgende over:
God dienen naar zijn Woord.
De betrekking tusschen het leven uit het ware Christelijk geloof en het menschelijk leven in Maatschappij en Volk en Menschheid blijft een moeilijk vraagstuk stellen.
Zwaar en moeilijk is het, die betrekking goed te , zien en in de juiste woorden uit te drukken. Zwaar en moeilijk is het niet minder, hierin de juiste praktijk te beoefenen.
Vóór alles dient hier echter voor ons vast te staan, dat het rechte licht ons hierin alleen ontstoken wordt door het woord van God. Dat het Woord Gods alleen ons deze betrekking juist ontdekt. Dat het Woord Gods ons hier de rechte verhouding verkondigt. Dat het Woord Gods hierin voor ons het einde is van alle tegenspreken. En dat we onze praktijk hierin richten meeten naar het Woord Gods.
Eenvoudige waarheden, naar het schijnt.
Toch zijn deze waarheden voor velen verborgen. Zij kennen hierin het Woord Gods niet. Het Woord Gods zegt hierin voor hen weinig of niets. Het Woord Gods is voor hen schier alleen dienstig, om hun ziel te troosten van de vergeving der zonden en van de hoop des eeuwigen levens. Het zegt voor hen zoo goed als niets over hun leven op aarde onder en met de menschen, in hun zaken, in de Maatschappij en het Volk, waartoe ze behooren. Het Woord Gods spreekt voor hen niet van de Menschheid, van de Volken, van Maatschappij en Staat; van den tijd, dien zij beleven; en van al wat in de menschenwereld omgaat en te doen is.
Er zijn altoos Christenen geweest, en ze zijn er nog, die oordeelden, dat het Christelijk geloof en de wereld, het Christelijk leven en het menschenleven, het Woord Gods en de dingen van den tijd, ook eigenlijk niets met elkaar te maken hebben. Dat het Woord van God zich met den gang en de zaken van het leven in de wereld zoo goed als niet bemoeit.
En er zijn zelfs Christenen geweest, en ze zijn er nog, die oordeelden, dat de Heere God de wereld aan den duivel overlaat. En dat de Christenen door de wereld heen moeten, zonder als Christenen voor het menschenleven in de wereld een goddelijke roeping te hebben. Zij moeten de dingen in het menschenleven maar bij hun natuurlijk licht bezien. Al zijn zij Christenen, ze hebben voor de dingen van het menschenleven geen bizondere openbaring Gods, geen Woord Gods, waaraan zij gebonden zijn. Gods Woord laat zich voor hen met die dingen niet in. De menschen moeten die dingen, zelfs als ze Voorgangers en Overheden zijn in de Maatschappij en Volk, maar onder elkaar uitmaken, naardat ze het met elkaar vinden kunnen. Ze zijn daar vrij in, om te doen, zooals hun het best lijkt. En het geeft toch ook eigenlijk niets, want 'tis alles toch de booze wereld, die God verworpen heeft en waarmee Hij zich niet inlaat dan om haar te verwerpen, 't Allerbeste is nog, zich zoo min mogenjk met die dingen van 't menschenleven te bemoeien. Liefst in het geheel niet.
Voor zooveel dit gevoelen en deze praktijk onder Gereformeerden voorgekomen is en nog voorkomt, was en is het Gereformeerde leven ziek. De Gereformeerde Belijdenis en de Gereformeerde praktijk staan juist vierkant tegen het genoemde gevoelen en de genoemde praktijk over.
De Gereformeerde Belijdenis en de Gereformeerde - praktijk kenmerken zich in de Christelijke Kerk juist daardoor, dat ze zeer sterken nadruk leggen op de betrekking tusschen het Christelijk geloof en het menschelijk leven op aarde. En dat ze het Woord Gods aanwijzen en uitroepen als het licht Gods voor heel het menschenleven.
Ook onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis heeft, met name door haar Artikel 86, juist hierin zoo groote beteekenis, dat zij naar Gods Woord belijdt de goddelijke ordinantie voor heel het menschelijk leven in de Maatschappij en in de Volken; de betrekking, die er bestaat tusschen het leven van het Volk en van de Kerk; en de beteekenis van het Woord Gods voor heel het menschenleven.
Voor heel het menschenleven, voor Overheid en Volk, voor de Maatschappij, voor ieder mensch in zijn goddelijk beroep, is naar onze Gereformeerde Belijdenis het Woord van God ten licht op het pad gegeven, opdat in dat menschenleven God door een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in zijn Woord bevolen heeft.
Een andere regel kent de Gereformeerde Belijdenis niet; van een mindere beteekenis van Gods Woord wil zij niet weten.
God is voor haar God. Zijn Woord geldt haar als Gods Woord, voor heel het menschenleven en voor alle. menschen. In heel het menschenleven, door alle menschen, in alle menschelijke verhoudingen en in elke menschelijke levensroeping, in Maatschappij en Staat en Menschheid, moet God, als God worden geëerd en gediend. Ieder moet, in eiken staat des levens en in elke levensroeping, allereerst dienaar of dienaresse van God zijn. Ieder mensch moet daarom, in elke betrekking onder en met de menschen, allereerst God dienen. En hij moet God dienen naar zijn Woord; hij moet God dienen, gelijk de Heere in elke levensroeping en in elke levenstaak gediend wil worden, en daarom gelijk de Heerte bevolen heeft in zijn Woord.
Hoe de juiste praktijk hier is, dat valt niet licht te zeggen. Het moet bij het licht van Gods Woord, in getrouw en biddend onderzoek van het Woord Gods, door het geloof onderscheiden worden. Daarover kan ook tusschen Gereformeerden verschil van gevoelen bestaan. De Kerk van Christus heeft hier in haar belijden en prediken van het Woord Gods een heilige roeping een onmisbare taak. En de Christelijke Wetenschap, die het Woord Gods onderzoekt, heeft hierin, een niet minder gewichtige taak. De Christelijke praktijk kan hier, ook met beste bedoelingen " bij gebrek aan genoegzame onderscheiding van het getuigenis Gods, tot minder juiste gevolg trekkingen komen. Maar dit staat voor de Gereformeerde Belijdenis en voor alle ware Gereformeerden vast, dat God moet gediend worden door alle menschen en in alle levensbetrekkingen; en dat Hij moet gediend worden, gelijk Hij in zijn Woord bevolen heeft.
Vóór twee, drie geslachten terug, toen het Gereformeerde leven in ons vaderland weer opkwam als een groenend uitspruitsel op een dorren akker, wist men met de praktijk niet veel raad. Het Gereformeerde leven kwam ook meer op in eenvoudige godvrurhtigen, die geen stelsel voor praktijk konden uitwerken. Nochtans was het getuigenis van dit leven onbewimpeld en beslist Gereformeerd: Kerk en Volk, en Overheid en Maatschappij, moeten teruggeroepen worden en terugkeeren tot God en zijn Woord.
Dit was hun smeeking, of de Heere niet vergelden wou de zonden der vaderen en der kinderen, maar over Kerk en Volk en Overheid Zich wilde ontfermen en het leven weer wilde leiden in het pad van Zijn Woord. Nog eens, een uitgewerkte theorie en praktijk had dit voorgeslacht niet, nochtans gaf het in zijn getuigenis voor God en Zijn Woord een levensprogram voor Kerk en Volk en Maatschappij. En het heeft genade bij God gevonden. Het is vrucht baar geworden voor Kerk en Volk en Maatschappij.
Onzer is de zware taak, om in den levenstijd, dien God ons geeft en naar de genade, die Hij ons verleent, dit getuigenis en deze praktijk voortgaande uit te werken, naar hetzelfde beginsel, naar het zuivere Gereformeerde beginsel.
Dit is ons Gereformeerd beginsel en dit moet onze Gereformeerde praktijk zijn: we moeten God dienen in het menschenleven, en we moeten Hem dienen naar Zijn woord: en in héél het menschenleven moet ons getuigenis en onze praktijk zijn: dat in Maatschappij en Staat ieder mensch, in elk beroep en in elke betrekking, God moet dienen — en Hem moet dienen, gelijk Hij bevolen heeft ïn Zijn Woord.
De godzaligheid alleen is tot alle dingen nut, hebbende de belofte van het tegenwoordige en het toekomende leven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 maart 1910
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 maart 1910
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's