Schriftbeschouwing.
De openbaring van Jezus Christus. VIII.
't Is den Apostel Johannes voor 't oogenblik niet zoozeer te doen om uiteen te zetten wat het drieënig Goddelijk wezen is in betrekking tot Zichzelf als wel om te vermelden, tot troost voor het bedrukte Sion, wat Vader, Zoon en H. Geest willen zijn in betrekking tot de Gemeente hier op aarde.
't Gaat om hetgeen Sion aan z'n Bonds God heeft; om hetgeen waarop het mag hopen. En dan wordt in betrekking tot de Gemeente over den Vader met déze woorden gesproken: „Die is en Die was en Die komen zal."
De Vader is dus de Onveranderlijke, de eeuwig Getrouwe.
Hij is Jehova: Ik zal zijn die Ik zijn zal; Israels trouwe Verbonds-God, bij Wien geen verandering noch schaduw van omkeering is, die niet laat varen de werken Zijner handen en die Zijn volk, dat Hij verkoos, naar redenen uit Zichzelf genomen, en tot Zijn eigendom maakte uit eeuwige liefde, zal bewaren tot in eeuwigheid, zijnde Zijn dierbaar kleinood. Dat is tot rijke vertroosting!
O! het gaat om de betrekking der ziele op dien God aller genade. Zóo kan alleen vrede nederdalen in het harte.
Maar als dan die bron van genade, die daar bij den Heere is, eens veranderen kon; als de God des ontfermens en der verkiezing, die wilde roepen en toebrengen, eens berouw kon krijgen over 't geen Hij begonnen is; als op 't eind de Heere zich eens kon voordoen als een gansch ander Wezen, dan dat Zich kwam ontfermen over de ziele in het uur der minne wat zouden er dan voor het kind van God vreeselijke dingen te vreezen zijn!
Want maken de zonden van Israël en de overtredingen Jacobs niet, dat élk oogenblik het werk der verzoening en der verlossing kan worden verbroken en de ziele moet worden weggestooten in de hel?
Maar ziet! dat is onmogelijk.
Sions God weet van geen verandering in Zijn genade en ontfermen. De genadige van den beginne is de genadige op 't eind! „Bergen zullen wijken en heuvelen wankelen; maar mijne goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer". Jes. 54 : 10.
Wat dus te vreezen is van de menschen, van Satan, wereld en eigen vleesch — en de verschrikkingen zullen véle zijn; de weg zal niet zelden door de diepte gaan ! — maar dit behoeft Sion nooit te vreezen, dat de God der genade veranderen zal.
Sions God, de God des heils en der zaligheid voor een arm en ellendig zondaarsvolk, houdt trouwe tot in eeuwigheid! Zijn vleugelen zijn tot een veilige en eeuwige bedekking over al Zijn gunstgenooten, totdat dan ook aller voet zal zijn binnengegaan door de poorte van het hemelsch Jeruzalem en daar zal wandelen in de gouden straten van de heilige tempelstad, waar het Lam Gods zit op Zijn troon.
En o! Christus' gemeente, zijnde in de dagen van groote vervolging en benauwdheid, had zoo noodig deze heerlijke waarheden nog weer eens te hooren. Want ach! de machten der wereld bleken zoo ontzettend in krachten te zijn tot verdelging. En . . wat zou er dan van dat kleine kuddeke terecht komen?
Maar dan mag het fundament, waarop Gods gemeente gebouwd is, nog weer eens bloot gelegd worden en Johannes roept het de Gemeente des Heeren toe: gij zijt op geen zandgrond gebouwd, maar uwe fundamentsteenen liggen op de eeuwig onveranderlijke rots van Gods genade en trouw.
En daarom hope Israel op den Heere, van nu aan tot in der eeuwigheid!
„Die op den HEERE vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid.
Rondom Jeruzalem zijn bergen; alzoo is de HEERE rondom Zijn volk, van nu aan tot in der eeuwigheid". (Ps. 125.) O! dat kan voor Gods volk in het algemeen en voor elke ziel in het bizonder zoo zoete taal vol vertroosting zijn, wanneer de Heere 't aan het harte komt toepassen en er de ziele vatbaar voor maakt.
Want hoe dikwijls is het voor eigen zieleleven, voor het leven in de Kerk, voor het leven in de maatschappij niet groote nood? Wie zal ons het goede doen zien? Wie zal ons bij het leven behouden? Wie zal ons zegenen, óns en onze kinderen?
O! als dan weer eens in de huiskamer of in de vergadering van de groote gemeente gezongen mag worden:
„Hoopt op den Heer', gij vromen; Is Israël in nood, Er zal verlossing komen; Zijn goedheid is zeer groot, " Ps. 130 : 4.
dan kan dat het harte weer vervullen met blijde hope; zoodat er dan ook wordt aangeheven:
Zoo ik niet had geloofd, dat in dit leven Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou, Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven! Ik was vergaan in al mijn smart en rouw. Wacht op den Heer', godvruchte schaar, houd moed: Hij is getrouw, de bron van alle goed; Zoo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer Wacht dan, ja wacht, verlaat u op den Heer'. Ps. 27 : 7.
Ja, de Heere is een verrassend God, die trouwe houdt tot in eeuwigheid, van Wien het volk zijn sterkte heeft!
En als de Apostel de Gemeente van Christus dan gesproken heeft over den eersten Persoon van het Goddelijk Wezen, om Sion te bepalen bij de vastigheden van Gods genade en trouw, dan spreekt hij vervolgens van den derden Persoon van het Goddelijk Wezen, den H. Geest, en wel op zoodanige wijze, dat uitkomt, hoe overvloedig rijk die Geest is in de bedeeling Zijner gaven in het midden van de Gemeente.
Want de Apostel spreekt nu niet van den H. Geest, in enkelvoudigen zin genomen, maar van de zeven Geesten, die voor Gods troon staan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1910
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1910
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's