Voor Oud en Jong.
„Arme" Dora.
{Auteursrecht voorbehouden).
't Was nu al eenentwintig jaar. AI dien tijd was ze heen en weer gedragen . tusschen 't bed en den ruststoel; had ze gelegen 's nachts in de donkere alkoof, 's daags in het huisvertrek tusschen 't buffet en 't van-de-handsche raam, als vader, die stalhouder was, 't altijd noemde.
'n Echt oud-meisjes-gezicht had ze: smal en wit; 'n spitse, wasbleeke kin, met fijnblauwe adertjes doorstreept; holle oogen, moe van 't dragen en dulden; 't haar dun en droog, glad weggestreken, al grijs hier en daar.
'n Meisje, dat nooit vrouw werd en zonder den zomer gekend te hebben wegschrompelt tot 'n besje, huiverend voor 's levens winterkoude. Geduldig ligt ze haar dagen uit.
Alleen de rappe, dunne vingers zijn meestal vaardig met eenig handwerk en 't is wonderlijk te zien, hoe vlug en lenig oefening ze maakt. Zelden is ze werkeloos; worden de handen te moe van 't haastig bewegen, dan gunt zij ze rust, maar neemt boek of krant en leest met de gretigheid van de gekerkerde, die slechts éen weg open heeft, om in gemeenschap te komen met de buitenwereld.
Want ledig-zijn is slecht voor haar!
Dan voelt ze, dat het zou wederkeeren, dat zielelijden van voorheen, toen ze al jaren gelegen had, al maar hopend, wachtend, vertrouwend, genezing zoekend ... tot het tenslotte bij menschen een afgesneden zaak bleek en de knapste chirurg, de meest ervaren geneesheer haar vonnis uitspraken.
Drieëntwintig jaar was ze toen.
De speelnooten harer jeugd, die lang op beterschap hadden gehoopt en haar slechts als een tijdelijk afwezige hadden beschouwd, die toch meedeed en meetelde, bleven langzamerhand weg. Vereenzaamd bleef ze liggen. 't Zelfde jaar, dat haar kwaal ongeneeslijk bleek, trad haar intiemste vriendin in den echt. Glimlachend had ze aangehoord 't opgewonden gebabbel van 't aanstaande huismoedertje; meegeholpen om de stof te kiezen voor het bruidsgewaad; bloemen geschikt in heur haar ... toen ze getrouwd waren, Hendrik en zij, waren ze nog even bij haar stoel geweest, uit de kerk, eer ze naar den trein reden ... en vroolijk had zij ze gegroet... maar niemand wist van de wilde smart, waarmee ze 's nachts haar hoofd in het kussen had geboord, als Job vloekend den dag harer geboorte, twistend met en pleitend tegen God, die haar levende verdorren deed; wateren eens vollen bekers haar uitdrukte ...
Zware maanden waren over haar heengegaan. Een gansch groot grieven-register had ze saamgegaard tegen haar Schepper en den onderhouder haars lots, die haar immers zoo wreed onthield, wat hij anderen wierp in den schoot, mild en overvloedig! .
Ver afgedwaald schaap ...Door den goeden Herder niet vergeten.
Als Dora nu verhaalt, met glinsteróog en blij gelaat van de opzoekende liefde haars Heilands, trilt nog haar stem van ontroering, als ze komt aan dat eerste bezoek van den Dienaar des Woords, die door zijii goddelijken Zender werd gebruikt om haar aan haarzelf te ontdekken.
Hij hield haar den rechten spiegel voor. Den spiegel van Gods heilige Wet. Tot ze zichzelf zag; haar ziele zag: gansch wit van melaatschheid! Tot ze haar grieven-register tegen God schaamrood wegborg en met haar zonden-register voor des Heeren heilig aangezicht nederlag in de benauwdheid haars harten, smeekend om genade en geen recht!
Wonderen van herscheppende genade had Gods Geest aan haar verricht!
Ruim en mild, als in gullen overvloed, was na hartveranderende bekeering het genadewerk des Geestes in haar rijk geopenbaard; 't was of de Heere God haar dubbel wedergeven wilde in zielleblijdschap en heilgoederen der eeuwigheid, wat Hij ze aan lichaamslijden oplegde en aan aardsche vreugde onthield..
Hier, in dit stille hoeksken is ze geworden een predikster der gerechtigheid, een verkondigster van de groote genade, die daar is in Christus Jezus.
Moeder stierf voor eenige jaren. Sinds werd haar lijdenssponde 't middelpunt van het huiselijk leven. -
Als hij binnenkomt is haars vaders eerste blik naar haar plaats en zijn eerste groet voor haar glimlachend gelaat. Met haar overlegt hij de zaken van het aardsche leven en bespreekt hij den weg naar de hemelstad.
„Moedertje", noemt hij ze schertsend, al is het huiselijk regiment op haar jongere zuster overgegaan, die sterk en gezond, werken, sloven en zorgen kon.
Met haar zacht oog en vriendelijke stem regeerde ze allen.
Had het tusschen haar zus en de dienstbode, twee driftige, volbloedige gestellen gestormd — met een paar woorden bracht ze de eerste tot kalmte en schuw ontweek de laatste haar sponde, veel banger voor het ernstig woord der kranke, dan voor den vloed van verwijten, die de gezonde over haar uitstortte.
Do „jongens", twee levenslustige, soms wat wilde knapen van 15 en 17, wist zij verstandiglijk te leiden en waar 't moest te temmen.
Wist niemand meer raad, als ze brooddronken hun bruisend leven en zondige hartstochten vierden, dan was't: „Breng ze bij Dora!"
Den wildsten jongen, den onhandelbaarsten knaap sprongen de tranen in de oogen, als Dora hem bestrafte om z'n kwaad en hem zoo liefdevol sprak van den Heiland, wien hij zoo bedroefde door zijn gedrag.
't Was gebeurd, dat de jongste zich zéér misdragen had en niet in huis durfde keeren, voor hem verzekerd was, dat Dora 't niet weten zou.
Met 't wegterend lichaam op haar ruststoel, was ze nog als 'n stad op een berg.
De jonge predikant, die haar vaderlijken vriend was opgevolgd, zocht haar op, als de moedeloosheid hem omving als 'n band en ging getroost van haar heen.
De speelgenooten der jeugd waren lang vergeten. Maar om haar heen vormde zich 'n kring van kinderen Gods, die in hun onderling samenleven rijkelijk genoten van de gemeenschap des Heiligen Geestes.
„Steeds nog tevreden, Dora? " vroeg men soms. Glimlachend knikt ze dan van ja! „Eén wensch slechts blijft onvervuld!" «Mijne ziele is begeerig en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven des Heeren; mijn hart en mijn vleesch roepen uit tot den levenden God..."
In die „voorhoven" zal ze niet wandelen.
Maar reeds naderen haar sponde de engelen Gods, die haar brengen zullen in het binnenste heiligdom, waar ze eeuwig God zal aanschouwen en verzadigd worden met zijn Beeld
En in die hope is „arme Dora" zalig!
Zw.
P. Br. .
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1910
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1910
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's