De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

8 minuten leestijd

Twee bevoegdheden.

Een der vele goede voorschriften van de onder het Ministerie-Kuyper tot stand gekomen drankwet is gelegen in wat Art. 4 bepaalt. Volgens dat artikel kan in 1910 en vervolgens telkens om de vijf jaren op voorstel van den Raad eener gemeente, Gedeputeerde Staten gehoord, door de Kroon worden besloten tot eene beperking voor het eerstvolgend vijfjarig tijdvak van het aantal der in de gemeente bestaande of te verleenen vergunningen op eene der verschillende wijzen, nader in dat wetsartikel geregeld.

Tweeërlei kan met den inhoud van het artikel bereikt worden. Vooreerst kan worden gevraagd eene verlaging van het wettelijk maximum vergunningen en in de tweede plaats geeft het artikel de bevoegdheid, om aan de Kroon zulk een ingrijpen te vragen, dat niet alleen geen nieuwe vergunningen meer zullen mogen worden uitgereikt, maar dat tevens reeds dadelijk met 1 Mei 1911 zullen komen te vervallen alle na 1 Mei 1904 verleende vergunningen, uitgezonderd die, welke door het opkoopen van twee bestaande vergunningen verkregen zijn.

Moge in vele gemeenten van de bevoegdheden, welke hier de drankwet toekent, gebruik gemaakt worden.

Maar dan zij men daarbij indachtig, dat op 1 Mei de fatale termijn verloopt.

Armenverzorging.

Bij de Tweede Kamer is een nieuw ontwerparmenwet ingekomen ter vervanging van de bestaande regeling van het armbestuur, vastgesteld bij de Wet van 28 Juni 1854 en gewijzigd bij de Wet van 1 Juli 1870.

Aanleiding tot het voorstellen van eene nieuwe regeling van het armbestuur acht de regeering in hoofdzaak gelegen in de wenschelijkheid, ten deele zelfs de noodzakelijkheid van een gewijzigde toepassing of herziening en verduidelijking van enkele beginselen, van welke de Wet van '54 uitgaat.

Voorshands bepalen we ons tot één dier beginselen n.l. dat de ondersteuning der armen aan de kerkelijke en bijzondere instellingen van weldadigheid behoort te worden overgelaten.

Omtrent dit beginsel uit de bestaande wet wordt gezegd, dat de praktijk der liefdadigheid tot overvloed van liefdadige instellingen heeft geleid, die allen op zichzelve werkten, zonder onderling verband of zelfs onderlinge bekendheid. Deze versnippering van krachten kwam zich meermalen wreken, en deed fouten en misbruiken ontstaan, waarop in de laatste jaren herhaaldelijk door woord en geschrift werd gewezen. Dat de wetgever van 1854 aan die groote verscheidenheid van instellingen overliet, te beslissen, aan wie zij hulp wilden verleenen of weigeren, was juist gezien. Toch merkt de regeering op, dat het „overlaten" van de armenzorg evenwel verder reikte. Het beteekende ook, dat geen poging van overheidswege werd gedaan o. m. om het gemis aan samenhang te verhelpen. Dat in zoover het beginsel van „overlaten" moet worden beperkt, is een inzicht, waartoe de voortgezette bestudeering van het onderwerp eerst in later jaren heeft gebracht. Thans wordt eenstemmig en dringend aan den wetgever gevraagd, dat hij te hulp zal komen aan het streven, om de fouten op het terrein van de armenzorg te verhelpen.

Om de samenwerking tusschen kerkelijke en bijzondere instellingen te bevorderen, daartoe wil de nieuwe regeling nu eene poging aanwenden. Het denkbeeld, dat daarbij aan die poging ten grondslag ligt, is de instelling in de gemeenten van een centraal orgaan, waarin de verschillende inslellingen kunnen samenkomen en dat door organisatie van een inlichtingendienst misbruiken onder de vele armen kan helpen weren. Dergelijk orgaan wordt gevonden in een armenraad.

De voorgestelde regeling sluit intusschen dwang tot deelneming tegenover de liefdadigheid uit. De deelneming aan den raad — het zenden van vertegenwoordigers — sta voor alle instellingen van weldadigheid open, maar moet afhankelijk blijven van het vrije inzicht der besturen. Zoo ook bepaalt de wetsvoordracht, dat de zelfstandigheid van de deelnemende instellingen volstrekt gewaarborgd blijve. Een armenraad zal nimmer dwingende bevoegdheden mogen hebben.

Vinden wij in de voorgestelde regeling veel goeds, vooral de volkomen vrijheid, die in alle opzichten gewaarborgd wordt, lacht-ons zeer toe. Daarin onderscheidt het wetsontwerp zich van eenzelfde regeling, destijds onder het Kabinet-Borgesius-Pierson voorgesteld, doch waarin het dwingend karakter op het toezicht op den voorgrond trad en dat uit dien hoofde dan ook onaannemelijk was.

Den slagboom wegnemen.

Zeer terecht wijst De Standaard op het groot gewicht, dat het .schoolvraagstuk zal hebben bij de te verwachten Grondwetsherziening.

Steeds gold toch de meening, dat eene algeheele oplossing der schoolkwestie, gelijk die onzerzijds voorgestaan werd, niet mogelijk is, zoolang Grondwetsrevisie niet is verkregen.

Artikel 194 heette de slagboom te zijn, die het sturen in de richting van het einddoel belette. Niet, dat hiermede bedoeld werd, dat onder vigueur van het bestaande Grondwetsartikel het  aanbrengen van partieele wijzigingen in de Onderwijswet, ook die tot verhooging der subsidie, zou zijn uitgesloten, maar dat de Grondwet, ongewijzigd, de uitvoering van het accoord van 1900 in den weg stond.

Men weet, dat het accoord van 1900: het gewijzigd Unie-Rapport, welk Rapport, vastgesteld door eene commissie, waarin bijna alle voormannen op schoolgebied zitting hadden, op 17 April 1900 op de Jaarvergadering der Unie metalgemeene stemmen werd goedgekeurd.

In de conclusiën nu van dat Rapport ligt de richting aangegeven, waarin wij, ook op dit oogenblik nog, meenen dat het onderwijsvraagstuk moet tot oplossing komen.

Aan die conclusiën — vijf in getal — zij nog even herinnerd.

Zij luiden:

1. Op de lagere scholen worde, zoo mogelijk door de Commissiën, die voor het beheer der scholen zijn of worden aangesteld, van hen, die niet tot de onvermogenden behooren, een proportioneel schoolgeld geheven naar bij de wet vast te stellen regelen.

2. De gemeenten worden niet langer belast met de bekostiging van de lagere school.

3. Door het Rijk worde ten behoeve van de lagere scholen aan de Schoolcommissiën eene vaste bijdrage uitgekeerd, te berekenen naar regelen bij de wet vast te stellen, naar zoodanigen maatstaf, dat de kosten van eene gewone, eenvoudig ingerichte lagere school, voor zoover deze niet uit de schoolgelden te vinden zijn, worden gedekt, en rekening gehouden wordt met uitbreiding van leerstof en vermeerdering van het onderwijzend personeel.

4. De uitkeering van die bijdrage worde, evenals thans, verbonden aan voorwaarden, die de inrichting van het onderwijs vrijlaten en alleen strekken om de besteding der Rijksgelden voor het beoogde doel te verzekeren.

5. Voor zoover de ingezetenen niet zelve in hun onderwijs voorzien, treden in hunne plaats de gemeentebesturen op, met dien verstande echter, dat zij op tijd en wijze, bij de Wet te regelen, het beheer der scholen overdragen aan plaatselijke Schoolcommissies, te benoemen door de ouders der schoolgaande kinderen.

Onvoorzichtig.

Het Schoolblad van 31 Maart, 't orgaan van de openbare onderwijzers, is zeer ingenomen met het debat, dat over de schooltoestanden te Putten, Zuihchem enz. onlangs in de Tweede Kamer gehouden werd, en waarover ook ons blad de vorige week iets mededeelde. De interpellatie van den heer Ter Laan wordt in dat blad „flink" genoemd. En met groote belangstelling werd kennis genomen van de motie door dien afgevaardigde gesteld : „ De Kamer, van oordeel, dat de belangen van het onderwijs ten zeerste geschaad worden bij verhuur of verkoop van een openbaar schoolgebouw, op het oogenblik dat dit nog in gebruik is voor den openbaren dienst, gaat over tot de orde van den dag."

Vóór die motie stemde gelukkig de geheele linkerzijde, zoo wordt ten slotte geconstateerd.

Of de heer Ter Laan nu wel voorzichtig deed met de motie zoo te stellen, gelijk hij deed, mag betwijfeld worden. Immers nu de motie met groote meerderheid verworpen werd, zou men zulk een uitleg aan dien uitslag kunnen geven, alsof de Kamer in hare meerderheid de belangen van het onderwijs NIET geschaad achtte bij verhuur of verkoop van een openbaar schoolgebouw op het oogenblik, dat dit nog in gebruik was voor den openbaren dienst, waaruit dan weder volgen kon, dat den Minister een vrijbrief was gegeven, om bij voorkomende gelegenheden in denzelfden geest te handelen.

Voorzichtig politiek beleid had de motie in de pen moeten houden.

Wat men nu deed was hoogst onvoorzichtig.

Centraal Bnreau van Weldadigheid.

Een der correspondenten van het Centraal Bureau meldt ook ons, naar aanleiding van het eerste jaarverslag, het volgende:

De uitgaven loopen over achttien maanden, zijnde van den 1 Juli 1908 af, (den dag waarop de Inspecteur van het Bureau in functie is getreden om het zeer omvangrijke werk der organisatie over het geheele land met den heer Directeur te helpen regelen) tot den 1 Januari 1910.

Wanneer men nu nagaat dat de onkosten over die achttien maanden van het bestaan belangrijk zijn geworden, omdat voor de oprichting, publicatie door den directeur en corspondenten, noodig voor de introductie of aandiening van de vastaangestelde collectanten bij het publiek, het aanschaffen van administratieboeken en belangrijke hoeveelheden drukwerken, zooals bij alle begin van vereenigingen een noodzakelijke vereischte is, dan komt men tot de  conclusie dat er, naar evenredigheid van het tijdvak waarover de ontvangsten loopen, acht-en-tachtig procent aan collecten is uitgekeerd en de onkosten alzoo twaalf procent bedragen.

Hoe langer dus het Centraal Bureau van Weldadigheid bestaat, hoe meer het zal blijken aan de verwachting te beantwoorden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's