De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

8 minuten leestijd

De godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens. 1 Timoth. 4 : 8b.

Het nut der godzaligheid.

Bij vele dingen. Lezer! mogen we wel vragen: waartoe dienen ze? Onderscheidene zaken toch zijn niet alleen niet nuttig, maar zelfs schadelijk. Andere dingen zijn tot weinig nut, weder andere tot veel, maar ééne zaak is er, die tot alles nuttig is, namelijk de godzaligheid.

Daarop wijst ons juist de apostel Paulus, als hij aan Timotheus schrijft: „De godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens."

Het kenmerk van den godzalige is, dat hij zijn heil niet zoekt bij de wereld; hij weet het: „De wereld gaat voorbij met al hare begeerlijkheid." Ook niet bij de menschen, hij weet het: „s' menschen heil is ijdelheid." Ook niet bij zichzelven, bij eigen deugd en kracht, of eigen vermeend goed hart; hij weet het: „Arglistig is het hart, meer dan eenig ding, " en „die op zijn hart vertrouwt is een zot." Het kenmerk van den waren godzalige is juist, dat hij niet diep genoeg zichzelven kan vernederen, en niet laag genoeg voor God weet te bukken. Hij zegt van harte met een Ezra: „Ik ben beschaamd en schaamrood geworden, om mijne oogen tot U op te heffen; " met een Daniel: „Bij U, o Heere is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten; " en met den Tollenaar: „o God! wees mij zondaar genadig."

De ware godzalige zoekt zijn heil bij den Drieëenigen God, en bijzonder bij dien gestorven en opgewekten Zaligmaker, bij dien eenmaal vernederden maar nu voor altijd verhoogden Middelaar, voor Wien met name weder in de laatste dagen de aandacht der gemeente gevraagd werd.

En die godzaligheid is niet tot iets, niet tot veel, maar tot alle dingen nut. Ze heeft de belofte voor dit en voor het toekomende leven.

Ook voor dit leven. Ook voor het lichaam. En David getuigt er van: „Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar ik heb nog nooit gezien den rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood." „De jonge leeuwen lijden armoede en hongeren, maar die den Heere zoeken hebben geen gebrek aan eenig goed." Een Jesaja : „Die in gerechtigheid wandelt, zijn brood wordt hem gegeven en zijne wateren zijn gewis." En Christus Zelf; „Zoekt eerst het koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid en al deze dingen", spijs, rank, kleeding, „zullen u toegeworpen worden."

Er is slechts één middel, om gewaarborgd te zijn tegen alle gebrek, en dat ééne middel is: God te zoeken.

En ook naar de ziel zal den godzalige hier op aarde het noodige niet ontbreken.

Hij, die het waarachtig geloof in zijn hart heeft gelegd, zal het ook bewaren en voleinden. Onder Zijne toelating kan de godzalige tot zijne smart en tot zijne schade struikelen en vallen, we zien het aan een David en een Petrus, maar voor algeheel vervallen wordt hij bewaard. „De Heere zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele." „Hij wordt door het geloof in de kracht Gods bewaard."

Maar niet alleen voor dit leven, ook voor het toekomende heeft de godzalige de belofte.

Wanneer straks het stervensuur, die bange stonde voor den wereldling, daar is, dan begint eerst recht het geluk van hem, die God vreest. Ook in dat uur kan het hem nog bang zijn. Wie zal zeggen, hoe bang wel. Het lichaam kan nog gefolterd worden door benauwdheid en pijnen, en de ziel kan nog geslingerd worden door twijfelingen en vrees. Maar ook te midden van die twijfelingen en bestrijdingen zal hij nog zijn besprongen deel en zijne weifelende hoop niet willen ruilen tegen duizenden werelden. En weldra is ook die laatste strijd voorbij; en wanneer dan de brommende doodklok of de rouwklager in de straten zijn sterven aan de nog levenden bekend maakt, dan is zijne ziel gevloden naar betere gewesten, dan is hij de paarlen poort door, en wandelt hij in de gouden straten van het hemelsche Jeruzalem.

Is die godzaligheid de uwe Lezer? Hebt ook gij die belofte voor dit en voor het toekomende leven? Behoort ook gij tot dat gelukkige volk? Helaas! zoovelen niet. De groote massa bekommert zich om deze dingen zoo bitter weinig.

Ja van nature vraagt niemand naar God. Van nature is ons hart van Hem afkeerig. En hoe talloos velen zijn er, bij wie van die godzaligheid niets valt te bespeuren. Ze gevoelen aan den Allerhoogste geene behoefte. Ze bekommeren zich weinig over de groote vraag, hoe ze God zullen ontmoeten, en hoe ze rekenschap zullen moeten geven van geheel hun leven op aarde.

Bij velen, hoe weinig keimis van God en van zichzelven; hoe weinig bevers voor Zijn Woord; hoe weinig indruk voor Zijne Majesteit; hoe weinig besef van Zijne vlekkelooze heiligheid.

En daartegenover, hoeveel ijdelheid, hoeveel brooddronkenheid, hoeveel lichtzinnigheid en dartelheid.

Hoevelen, die daar henenleven, " alsof er geen God bestond, alsof er geen oordeel aanstaande was, en alsof dood en eeuwigheid kleinigheden waren. Is dat met u ook zoo, weet dan, dat, als gij niet haastig veranderd wordt, uw einde zal zijn het verderf; de worm die nooit sterft, en het vuur, dat nooit wordt uitgebluscht. O! dat ontzaggelijke „eindelooze einde".

Op zijn sterfbed sprak de beroemde Engelsche dichter Byron, die een leven van genietingen achter zich had: Ik sterf, en wat, wat is nu 't mijn? De worm, de kanker en de pijn."

Zeg niet: Het kan nog anders worden, want daarmede zijt gij niet gered.

Zeker, het kan nog anders worden, maar het kon ook eens niet anders worden, en wat dan?

Als ge op uw sterfbed komt te liggen, is God nog machtig u te redden, maar ei, zeg eens eerlijk: Zoudt ge dan toch maar niet liever gered zijn? Zeker, die eene moordenaar werd aan het kruis nog bekeerd, maar die andere moordenaar dan!

En daarom: „Heden zoo gij Zijne stem hoort, verhardt uw hart niet."

Satan heeft twee woorden, waarmede hij honderden naar de hel voert, en dat zijn de twee woorden: Nog tijd.

God heeft echter slechts één woord, en dat is het woord: Heden.

En zou de God der waarheid niet meer geloof verdienen dan de vader der leugenen ? Nu is het de welaangename tijd. Nu is het de dag der zaligheid. Als de dood komt is het te laat. Zooals dan de boom valt, blijft hij eeuwig liggen.

„De tranen verdrogen, hoe bitter geweend. De zuchten verzweven, hoe klaaglijk gesteend Maar nooit sterft de worm, die de ziele doorknaagt, Van wie het zonder Christus voor 'd eeuwigheid waagt.

De koorts, die verbolgen door 'd aderen jaagt. De pijn die de leden verwringt en doorknaagt Verdwijnen aan 't eind, maar van eindeloozen duur Is 't knersen der tanden in 't eeuwige vuur."

Dat we ons ook niet te vreden stellen met eene gedaante van godzaligheid, terwijl we de kracht daarvan missen. Schijn zal ons niet baten. Noodzakelijk is het, wedergeboren te worden door God den H. Geest. Zonder wedergeboorte zal niemand het Koninkrijk Gods zien. We moeten, zal het wel zijn, een nieuw leven ontvangen. En mag dit door genade ons deel zijn, dan geen nood. Dan hebben we de belofte, voor dit en voor het toekomende leven.

Het is waar, dat de tegenspoeden des rechtvaardigen vele zijn, maar het is ook waar, dat de Heere uit die alle redt. Het is waar, dat bijzondere beproevingen dikwerf het deel zijn van Gods kinderen, immers die Hij liefheeft, die kastijdt Hij, maar het is ook waar, dat alle dingen hun moeten medewerken ten goede.

Het is waar: Met het oog op die tegenspoeden en rampen mogen ze wel met Paulus zeggen: „Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zoo zijn we de ellendigste van alle menschen, maar het is ook waar, dat ze niet alleen in dit leven op Christus hopende zijn, en met dien zelfden apostel mogen betuigen: „De godzaligheid is tot alle dingen nut."

Wellicht dat ze hier nog met eenen Asaf moeten klagen: „ Heeft God vergeten genadig te zijn ? Zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste? " Maar er zijn ook oogenblikken, waarin ze met eenen David mogen betuigen: „Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koorn en hun most vermenigvuldigd zijn, " en met Manoachs' huisvrouw: Indien de Heere lust had, ons te dooden. Hij zou ons dit alles niet getoond hebben.

En weldra kind des Heeren! is ook uw laatste strijd voorbij, uw laatste zucht geslaakt, uw laatste pijn geleden, uw laatste zonde gezondigd, en dan: Eeuwige heerlijkheid!

Geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, en in geens menschen hart is opgeklommen, wat God u bereid heeft, liefhebbers des Heeren! Waarlijk gij moogt met Johannes wel zeggen:

„Nu zijn wij kinderen Gods, maar het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen.'*

En met Groenewegen kunt gij wel zingen:

„Mijn geluk zal eeuwig duren. Mijn geluk daalt niet in 't graf. Mijn gelukstaat telt geen uren. Mijn geluk neemt nimmer af. Mijn geluk zal eeuwig groeien. Mijn geluk volduurt den dood. Mijne kroon zal eeuwig bloeien Zaligheid, oneindig groot."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 april 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 april 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's