Uit de Pers.
Beurs of ziel.
in de Hervormde Gemeente van Utrecht wordt dit jaar voor het eerst een hoofdelijke omslag geheven. Dat wil zeggen: elk die tot de kerk behoort, krijgt een aanslagbiljet voor de kerkelijke belasting, waarvan de oprbrengst dienen moet om de verzorging van den eredienst in den breedsten zin te bekostigen of.te helpen bekostigen.
Vroeger waren er natuurlijk ook inkomsten. Collecten en vrijwillige bijdragen vloeiden toe aan de kas der kerkvoogdij. Maar. geenszins in die mate, dat de kerk kan optreden naar buiten zooals dit eigenlijk moet. Wat vrijwillig wordt gegeven, is veel en veel te weinig; natuurlijk nam men toen zijn toevlucht tot dwang. Wie hiertegen overwegend bezwaar heeft, moet maar zeggen, hoe hij de zaken dan geregeld zou willen zien. Echter licht het bezwaar feitelijk dieper. Wij meenen dat men zich niet verzet zoozeer tegen den dwang op zich zelf, alswel tegen den dwang van deze kerk, die namelijk haar plicht niet gedaan heeft, maar de leden heeft verwaarloosd, en die nu toch vordert met dwang. Hier moeten wij iets langer stilstaan, omdat hier weder eens blijkt, hoe nauw de naam van de kerk en daarmee de sociale kracht van de kerk en daarmee de kracht van de Evangelie-verkondiging door de kerk samenhangt met haar gedrag.
Telkens gebeurt het, dat een aangeslagene zich beklaagt in dezef voege, ' ik heb nooit iets bespeurd van de kerk; geen predikant of ouderling heeft ooit naar mij omgezien; men wist blijkbaar niet, dat ik besta of althans niet, dat ik behoor tot die kerk. Maar nu weet de kerk dat op eenmaal wèl nu zij geld noodig heeft, kan zij mij wel vinden. De kerk weet blijkbaar niet, dat ik een ziel' heb, maar wel dat ik een beurs heb!" Wat moeten wij daarop antwoorden?
Er zijn allerlei verstandige antwoorden te geven. B.v. dit: De redeneering deugt niet, want de kerkvoogdij, die uw beurs zoekt, is een ander lichaam, dan de kerkeraad, die uw ziel heeft vergeten; dus gij moogt niet vergelijken gaan. Zeer juist. Maar onze leden zeggen: «kerkvoogdij of kerkeraad, de kerk heeft zo gehandeld." En dat is ook juist.
B.v. dit kan men zeggen; verwijt het niet aan de kerk, want zij kan haar herderlijken plicht niet vervullen door gebrek aan krachten; wees billijk en erken de onmogelijkheid, doe dat tenminste op het tijdstip, waarop de kerk meer geld zoekt, ook om meer werkkrachten te kunnen aanstellen. Zeer juist; nog juister dan het eerste. Maar wat weten die afgedoolde leden van dit gebrek aan werkkrachten en dit plan om er meerdere aan te stellen? Niets. Hoe kunnen zij er dan mee rekenen? Laat ons wat minder verstandig antwoorden en wat meer waar. Laat ons schuld bekennen. Dat is een striemend en pijnigend verwijt; «gij kent mijn beurs, maar niet mijn ziel!» Het is een nieuwe smaad voor Christus, dat men zoo iets zeggen kan. Laat ons dit bekennen.
En dan twee dingen doen.
Met grooten ernst zoeken naar vermeerdering van werkkrachten.
Maar ook nagaan, wat er met de aanwezige werkkrachten te bereiken is. Heusch veel meer dan bereikt wordt. Als wij maar willen. Er zullen ingrijpende regelingen noodig zijn. Maar onvindbaar zijn ze niet. En onuitvoerbaar evenmin. Het moet! Om Christus. Om de zielen. Om ons volk.
En als men dit anders niet voelen zou, laat men het dan nu voelen, door dat snerpende woord: »Weet gij wel, dat ik een beurs heb en niet, dat ik een ziel heb?"
Bovenstaand werd overgenomen uit „DeWekstemmen", die het weer ontleend heeft aan „De Voorzorg", daar bij vermeldende dat het artikel geschreven is door S. d. B., uit welke letters niet moeilijk de-naam van Dr. Slotemaker de Bruine, Ned. Herv. predikant te Utrecht, kan gelezen worden.
Wij gelooven ook, dat met ernst zal moeten worden overwogen, hoe we aan meer predikanten komen in onderscheidene gemeenten, als ook hoe de tegenwoordige werkkrachten het meest practisch en profijtelijk gebruikt kunnen worden. Maar als de Gemeente niet leert geven, dan zal er niet veel van terecht komen.
Er is bij de Gemeente dikwijls zoo weinig kerkelijk bewustzijn en zoo weinig hartelijk meeleven — terwijl er ook bij de predikanten zoo veel ontbreekt aan het waarlijk gebonden zijn aan de kudde!
Als de Gemeente eens leerde, dat zij vóór de zaken der Kerk aansprakelijk en verantwoordelijk is — zou dat niet heerlijk zijn?
Men leeft zoo los, zoo zorgeloos bij alles, 't Gaat alles tóch wel — zegt men. Totdat ten slotte alles spaak loopt en wat dan? Dan ontevredenheid, murmureeren, niet meer in de Kerk komen enz. enz. Als er nu eens meer verantwoordelijkheid in het harte van de Gemeente mocht komen en men voelde dat men moet meeleven — dan heeft de Gemeente zoo'n heerlijke belofte, waar de Heere van ouds gezegd heeft: Brengt alle de tienden in het schathuis, opdat er spijze zij in Mijn Huis; en beproef Mij nu daarin, zegt de Heere de heirscharen, of Ik u dan niet open doen zal de vensteren des hemels en u zegen afgieten, zoodat er geen schuren genoeg wezen zullen." Maleachi 3 : 10.
O! leerde men het in onze Kerk eens, om het met God te wagen!
Terwijl men nu leunt en steunt op alles — dat ten slotte de vensteren des hemels doet gesloten zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 april 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 april 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's