Staat en Maatschappij.
Sprekende cijfers.
Toen we nog zeer onlangs op de indiening van de nieuwe armenwet wezen, spraken we er onze ingenomenheid over uit, dat het beginsel, waarvan de bestaande wet uitgaat, in het nieuwe ontwerp is gehandhaafd gebleven, n.l. dat niét de Overheid, maar de kerkelijke en particuliere weldadigheid in de eerste plaats voor de verzorging der armen aangewezen blijft, en eerst wanneer deze tekort schieten, de Overheid steun biedt.
Ook bij de nieuwe regeling zal dus de kerkelijke en particuliere armenzorg regel zijn en Overheidshulp aanvulling.
Toch meene men niet, dat de toestand tegenwoordig zóo is, dat het leeuwendeel van de armenzorg op de credit-zijde van de Kerk en het particulier initiatief komt en dat de Overheid maar hier en daar bijspringt.
Zoo is het metterdaad niet.
De Standaard noemde dezer dagen cijfers, die dit aantoonen. In 1908 besteedden de kerkelijke instellingen alleen saâm 7 1/2 millioen gulden en de particuliere instellingen 2 1/2 millioen. Bij elkander + 10 millioen. Waar dan tegenover staat, dat aan gemeenschappelij.ke Overheidsuitgaven van allerlei aard een bedrag van 9 3/4 millioen werd uitgegeven. Van een totaal van bijna 20 millioen komt alzoo voor Overheidszorg zoo goed als de helft in. Bewijzen deze cijfers nu, dat de kerkelijke en particuliere weldadigheid heel wat te kort schiet in de .verzorging der armen, nog ongunstiger komt het voor die instellingen te staan, wanneer men de cijfers van 1906 vergelijkt met die van 1888.
In 1888 stond het totaal op 13 1/2 millioen, sinds klom het met 6 millioen, maar onder deze 6 millioen klom het Overheidsgeld met 4, al 't overige slechts met goed 2 millioen.
Zoo nu voortgaande, zal het oogenblik spoedig zijn aangebroken, dat, al blijft in de Wet staan, dat de kerkelijke en particuliere armenzorg regel zij en die van de Overheid aanvulling, het in de uitvoering juist andersom zal komen te staan en het grootste deel in de verzorging der armen aan de Overheid zal zijn.
En dat dit te verwachten is, blijkt uit alles. Immers zal op den duur het lot der armen tot meerdere bemoeienis moeten leiden.
Dat de Kerk dan daarbij hare roeping maar meer bewust worde en zich er op spitse, dat betere leniging van den nood der armen plaats hebbe.
De Overheid mag hier de Kerk niet overvleugelen.
Onvolledig.
Op den beschrijvingsbrief voor de Vijf en Zestigste Algemeene Vergadering van het Nederlandsch OnderwijzersGenootschap komt als punt 11 een voorstel van de afdeeling Waalwijk" voor, luidende:
De Algemeene Vergadering drage het Hoofdbestuur op, een zooveel mogelijk volledig onderzoek in te stellen naar de werking van de wet-Kuyper. Zij heeft hierbij vooral op het oog den invloed, welke de wet-Kuyper heeft gehad op het bouwen van bijzondere scholen, op het aantal wachtgelden, de kostenvermeerdering van het lager onderwijs, de grootte der schoolbevolking, het bouwen van bijzondere kweekscholen, de vermindering van het aantal leerkrachten, de vermindering van het aantal leerlingen op de openbare scholen, natuurlijk alles vergeleken met de toestanden vóór 1905.
De bedoeling van hét voorstel is, zooals de afdeeling in haar toelichting schrijft, dat, zoo binnen afzienbaren tijd een radicale herziening der onderwijswet in ons parlement aan de orde wordt gesteld, het Nederlandsch Onderwijzers-Genootschap alsdan over de meest uitgebreide gegevens moet kunnen beschikken omtrent de werking van de wet-Kuyper.
Of het hoofdbestuur van het Genootschap, dat blijkens zijn praeadvies gaarne bereid is de opdracht tot het instellen van een volledig onderzoek te aanvaarden, voor het uitbrengen van zijn rapport, waarin men over de meest uitgebreide gegevens wenscht te beschikken, wijs zal doen, daarvoor zich alleen te bepalen tot een onderzoek naar de punten, die Waalwijk aangeeft, meenen wij te mogen betwijfelen. Daarvoor toch is het voorstel te veel door de politieke bril bekeken.
Volledigheidshalve zouden we daarom de afdeeling Waalwijk willen verzoeken, ons te vergunnen om aan hare punten nog enkele andere te mogen toevoegen, o. a. de hoogere uitkeering, die de gemeentebesturen ten behoeve der openbare school gekregen hebben; het bedrag dat de bijzondere school nog te kort komt, om met de openbare school gelijk te staan; een berekening van het totaal der gelden, welke door de voorstanders der bijzondere school jaarlijks, ook nog na, 1905, worden bijeengebracht, met bijvoeging van eene opgave, van wat door de palstaanders voor de openbare school uit eigen portemonnaie in klinkende munt voor het openbaar onderwijs wordt afgezonderd.
Voorloopig zullen we het bij deze aanvulling laten. Over een onderzoek omtrent de billijkheid van een terugbetaling in rente en aflossing van de kapitalen, die ons Christenvolk, vooral in vroegere jaren, ten behoeve van het bijzonder onderwijs geofferd hebben, spreken wij natuurlijk niet. Deden wij dit, dan zou er nog heel wat meer te onderzoeken zijn.
Hoe dit nu intusschen zij, het komt ons voor, dat zoo het bij het hoofdbestuur van het Genootschap ernst is, en daaraan mogen wij niet twijfelen, om een zoo volledig mogelijk onderzoek in te stellen als „Waalwijk" wenscht, het dit ook zal moeten uitstrekken over de punten, die door ons werden aangegeven. Anders toch zal het rapport onvolledig blijven.
Een teeken des tijds.
In den kring der kerkelijke vrijzinnigen begint leven te komen.
Met de bescheiden plaats, die het modernisme tot op dit oogenblik in de Kerk inneemt, is men niet meer tevreden. De vleugels moeten breeder worden uitgeslagen. En daarom moet niet alleen de organisatie inwendig worden versterkt, maar behoort ook naar buiten, naar het verkrijgen van grooteren aanhang, te worden gestreefd.
Let slechts op de vergaderingen, die van kerkelijk vrijzinnige zijde worden belegd, en op de actie, die in woord en geschrift van dien kant uitgaat, en de indruk valt dan niet uit te wisschen, dat naar het ons voorkomt, het modernisme een nieuwe phase van ontwikkeling is ingetreden.
Nog onlangs trof ons het bericht, dat op 2en Pinksterdag in Noord-Hollands noorderkwartier een openluchtsamenkomst van modernen zal plaats hebben, van welke samenkomst gehoopt wordt, dat deze eerstelinge nieuwe krachten schenken zal aan de beweging, die van vrijzinnige richting uitgaat.
Wij dachten aan dit alles, toen deze week bij gelegenheid der verkiezing van leden voor het Kiescollege te 's Gravenhage eene circulaire ter aanbeveling van vrijzinnige candidaten voor dat college aan de stemgerechtigde leden der Haagsche gemeente toegezonden, in onze handen kwam.
Met verwijzing naar de prachtige overwinning, die ten vorigen jare in Dordrecht behaald werd, roept het bestuur der plaatselijke Vereeniging van Vrijz. Ned. Hervormden zijne geestverwanten in Den Haag op, om het voetspoor der Dordtsche vrijzinnigen te bewandelen.
Op evenredige vertegenwoordiging in de gemeente behoort te worden aangestuurd en het heet in de circulaire, dat de rechten der minderheden tot hun recht moeten komen, vooral in eene kerkelijke gemeenschap.
Niemand minder dan Prof. Dr. A. J. Th. Jonker wordt daarbij den stemgerechtigden voorgehouden als de man, die in de Synode zeide: dat het voor de Hervormde Kerk schade zou zijn, wanneer de Vrijzinnigen daaruit verdwenen.
Niet Paulus' vraag, waardoor elke gedachte aan evenredige vertegenwoordiging is uitgesloten, moet gesteld worden: , , Is Christus gedeeld", maar naar Christelijke vrijzinnigheid moet dat andere woord van dien Apostel ons bezielen: „Staat in de vrijheid, waarmede Christus u heeft vrijgemaakt", en die vrijheid is de grondslag, waarop de Haagsche heeren staan.
Nu duchten wij wel niet, dat de vrijzinnigen in de residentie ditmaal eene overwinning zullen behalen, evenmin als dit in afzienbaren tijd het geval zal zijn. Maar toch dient aan de actie van het modernisme, meerdere aandacht geschonken te worden, als men oppervlakkig wel doet.
Het opleven der kerkelijke vrijzinnigheid is een teeken des tijds.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 april 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 april 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's