Stichtelijke overdenking.
Indien nu Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de dooden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u, dat er geene opstanding der dooden is? 1 Cor. 15 : 12.
Ik geloof de Wederopstanding des Vleesehes.
Het grondwoord, in de Hebreeuwsche, of, wil men in de Arameensche taal voor opstanding gebruikt, kan ons eenigszins van dienst zijn, opdat wij 't leerstuk van de opstanding uit de dooden of de wederopstandig des vleesches, gelijk de twaalf artikelen 't zeer juist noemen, leeren verstaan.
"We bedoelen 't woordeke „kum". Dit geeft te kennen 't oprijzen van iemand die gevallen is. Nu, de dooden zijn inderdaad gevallen, en wel voor de zeisen van den koning der verschrikking, wat weer een gevolg werd van den val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouders Adam en Eva in 't paradijs. Daarom sprak ook de Vorst des levens tot Jaïrus' dochtertje: Talita kummi, d. i. dochterke, sta op.
't Beteekent ook opstaan uit den slaap. Feitelijk is de dood ook een slaap. God sprak tot Mozes: Gij zult slapen met uwe vaderen; van Lazarus zeide de Heiland: Lazarus, onze vriend, slaapt. Als de bazuin van den Archangel in den jongsten dag klinken zal, zullen alle dooden ontwaken, en alle oogen zullen Jezus op den wolkentroon zien, ook degenen dïe Hem doorstoken hebben.
't Geeft ook te kennen 't verrijzen van den vlinder uit de pop. Werkelijk zullen ééns Gods kinderen de omhulselen van graf en grafdoeken afschudden, geheel veranderd worden, in een punt des tijds, naar het beeld van hunnen Koning, en als met vlinderwiekslag hunnen Zielsvriend tegemoet gaan in de lucht, om daarna altijd bij den Heere te wezen.
't Geeft ook te kennen opkomen uit de aarde en wordt alzoo van de tarwe gebezigd. Nu, we lezen er genoeg van, dat de lichamen van de werdergeborenen als zaadkorrels in oneere en zwakheid gezaaid worden, om straks in eere en heerlijkheid te verrijzen.
De opstanding zal echter veel verschillend wezen. Altijd, als we met menschen in aanraking komen, of men zou bijgeval in een gezelschap van enkel wedergeborene of ook van onwedergeborenen moeten verkeeren, komen we in aanraking met twee soorten van menschen, en wel met kinderen des lichts en kinderen der duisternis, volk Gods of volk dezer wereld. Dit geldt zelfs ook van de dooden. Wanneer we op den akker des doods komen, en we laten onze oogen weiden over de graven van allen, die daar sluimeren, van de ouden en jongen, van mannen en van vrouwen, over de fraai gebeeldhouwde monumenten en over de rustplaatsen, door de groene zodendeken gedekt, dan kunnen we er van verzekerd zijn, dat we ook hier met twee soorten van menschen te doen hebben. Immers van sommigen rust het vleesch in hope, doch van anderen zonder eenige hope. De apostel Paulus spreekt dan ook ergens van eene opstanding beide der rechtvaardigen en der onrechtvaardigen. .
Hoe leeren we hier uit, dat 't den mensch zoo noodig is aan deze zijde van het graf genade te leeren kennen en zijn huis te bereiden, immers wanneer hij zonder Borg voor zijn ziel gestorven is, is het te laat, is er geene verandering meer mogelijk. God de Heere heeft ons het heden der genade voor vindenstijd gegeven, en dit is kort genoeg opdat wij ons haasten en spoeden, en lang genoeg om den Heere te vinden en op een weg van vrije genade te leeren gelooven: Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonden.
Een troost ook, als we staan aan de graven onzer medegeloovigen in Christus Jezus. Al is de groeve nog zoo donker, aan de andere zijde zien we 't morgenrood van de Zonne der gerechtigheid, waarin alle kinderen Gods zich zullen baden en waarin zij elkander zullen wedervinden. Dan zal er aan 't graf bij ons geen onmatige of zondige droefheid wezen, en mogen we roepen: Tot ziens bij Jezus in heerlijkheid.
De onrechtvaardigen zullen uit het stof opstaan, gelijk een dief uit de gevangenis geleid en voor den rechter gebracht wordt, of als een moordenaar uit de spelonk getrokken wordt, waarin hij gevlucht was, en dezen zullen begeeren te sterven, doch niet kunnen sterven, en zullen eene plaats des berouws zoeken zonder die te kunnen vinden. Edoch de rechtvaardigen zullen zich vertoonen gelijk een bruid die naar haar bruidegom, gelijk een kind dat naar zijn vader vraagt, en blijdschap zal op hunne hoofden zijn en droefenis en tranen zullen van hen vlieden, en in hunne harten en op hunne lippen zal zijn het:
Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht; . Uw vrije gunst alleen wordt d'eere toegebracht.
Ten overvloede zij nog opgemerkt, dat, wanneer de apostel van rechtvaardigen spreekt, hij dit niet in wettischen doch in evangelischen zin bedoelt, en daaronder verstaat de reinen door het bloed des Lams, die rechtvaardig gemaakt werden door het geloof in Jezus Christus, en daarbij door een vromen wandel en Godzalig leven bewezen hebben van welken Geest zij kinderen zijn.
Het groote pand van de verrijzenis is en blijft de opstanding van Christus, 't Is hierom dat de gewijde briefschrijver vraagt: Indien nu Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de dooden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u, dat er geene opstanding der.dooden is? Hierom ook, wanneer de Catechismus vraagt: Wat nut ons de opstanding van Christus? wijst hij ons niet alleen op de geestelijke opstanding van Gods kinderen uit hunne zonden, doch antwoordt tevens: De opstanding van Christus is ons een zeker pand onzer zalige opstanding. Alzoo is Christus de eersteling van den oogst, in de schuur van den Hemelschen landman binnengebracht; die nu van Christus zijn zal God de Heere laten volgen; Christus is het hoofd, Zijne kinderen zijn leden Zijns lichaams; als 't hoofd boven water is, merkt zeker godgeleerde op, wordt 't gansche lichaam gered; Christus is de Doorbreker en baant den weg voor de Zijnen; gelijk Simson met reuzekracht de poorten en grendelen van Gaza wegbrak, zoo verbrak de Almachtige Zoon Gods de kluisters en grendelen des grafs en maakte het tot eene slaapstede, waarin Gods kinderen rusten totdat de Heere hen wakker maakt en hen thuisbrengen zal en ook 't lichaam de heerlijkheid genieten zal, die de ziel reeds deelachtig was.
Uitvoerig wordt in 1 Cor. 15 de leer der opstanding uil eengezet. Hierin bewijst Paulus lo. de zekerheid der opstanding uit de opstanding van Christus, 2o. toont hij aan met hoedanige lichamen Gods volk oprijzen zal, 3o. hoe de verandering zal geschieden bij hen, die den jongsten dag beleven zullen, 4o. welk een heerlijke troost er in ligt tegen dood, hel en verdoemenis.
Niet alleen echter in dit deel der Schrift, doch ook elders wordt de opstanding duidelijk en stellig geleerd. Van de talrijke uitspraken des N.T. noemen we slechts Joh. 5 : 28: de ure komt, in dewelke allen die in de graven zijn Zijne stem (n.l. van den Zoon des menschen) zullen hooren en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben tot de opstanding der verdoemenis. Uit het O. V. citeeren we Jes. 26:19: Uwe dooden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt op en juicht, gij die in het stof woont, want uw dauw zal zijn als een dauw der moeskruiden en het land zal de overledenen uitwerpen.
Moge de wereld derhalve met dit leerstuk spotten, eene dusgenaamde wetenschap het voor onzinnig verklaren, de Heilige Schrift leert het, daar is geen twijfel aan, en waar God genade, door de wedergeboorte, in het hart werkte, daar wordt het eén blijde dankbaarheid té mogen belijden-: Ik geloof de wederopstanding des vleesehes.
Hoe zeggen sommigen onder u, vragen we met den gezant des Heeren, dat er geene opstanding der dooden is ? te meer waar zij zulk een rijken troost onder velerlei omstandigheden voor Gods volk bevat.
Als 't Gods Geest belieft, 's Heeren kinderen er bij te bepalen, bevat zij een troost in droefenis. Voor de dieren is dood dood, tot de goddeloozen zal eens gezegd worden: Gedenkt, dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven, maar gij, o Christen, moogt u in dit tranendal troosten: al moet ik hier ook nog zooveel doormaken, als ik kom te sterven, wordt mijn ziel terstond opgenomen tot Christus, haar Hoofd, en mijn lichaam zal eenigen tijd rusten, doch daarna wederom met mijne ziel vereenigd worden, en ik zal volmaakt God dienen, en de tranen zijn voor eeuwig weggewischt; zoodat gij met den van alles beroofden Job op den aschhoop moogt zeggen: Ik weet, mijn Goël leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan, en als zij na mijne huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik-uit mijn vleesch God aanschouwen, denwelken ik vóór mij aanschouwen zal en niet een vreemde; mijne nieren verlangen zeer in mijnen schoot.
Zoo is zij mede een troost in zware krankheid. Al kwam het zoo ver, dat de krachten afnemen en het lichaam uitteert, zoo mag de Christen nochtans zijn God teroepen: Heere, al zoudt Gij mij dooden, zoo zal ik nochtans op U hopen.
Een troost ook, als we staan aan de graven onzer medegeloovigen in Christus Jezus. Al is de groeve nog zoo donker, aan de andere zijde zien we 't morgenrood van de Zonne der gerechtigheid, waarin alle kinderen Gods zich zullen baden en waarin zij elkander zullen wedervinden. Dan zal er aan 't graf bij ons geen onmatige of zondige droefheid wezen, en mogen we roepen: Tot ziens bij Jezus in heerlijkheid.
Een troost ook, als de Satan Gods kind komt aanvallen en bespotten met den afschuwelijken kuil des doods. Dan mag Gods kind den bestrijder toevoegen: 't Is waar, ik heb de grafspelonk rechtvaardig verdiend door mijne zonden, doch mijn Goël heeft haar veranderd in een slaapkamer en rustbed. Hoe zoet zal ik slapen, door geen geraas gestoord, door geen benauwde droomen verschrikt, totdat mijn oog den Koning in Zijn schoonheid aanschouwen zal.
En ziet Gods kind tegen de scheiding van ziel en lichaam op, hij mag zijne ziel als 't ware tegen zijn lichaam doen spreken: 't Is waar, wij moeten scheiden, als de dood komt, doch, mijn makker in Mesech, we zullen elkaar in Jezus' dag weer welkom heeten, hoe zult ge dan veranderd wezen ? we gaan dan naar Jezus' paleis.
Doch, genoeg, geliefde medereizigers naar de eeuwigheid, genoeg om aan te toonen, welke rijke bron van vertroosting ook dit leerstuk bevat. Geve de Heere u Zijne genade door den Heiligen Geest en om Jezus' wil, opdat gij inderdaad moogt instemmen met des apostels: De dood is verslonden tot overwinning. Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uwe overwinning? Dan zal 't zijn God drieëenig eeuwig tot eere!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 april 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 april 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's