De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

7 minuten leestijd

Staat dan, uwe lendenen omgord hebbende met de waarheid . . . Efeze 6:14.

Strijdvaardig!

Het is noodzakelijk dat de mensch strijdvaardig is. Want zonder strijd kan er geen overwinning des geloofs zijn. Het gaat niet tegen een mensch. Dan zou met vleeschelijke wapenen kunnen gestreden worden, wapenen waarmede wij zoo treurig eigenmactitig zijn. Het gaat tegen overheden, machten, geweldhebbers der wereld, geestelijke boosheden in de lucht. De vijand is dus niet ver van ons af, zoover eenig mensch van ons verwijderd is. Wel, dan konden wij „victorie!" roepen, als wij een kluizenaarsleven aanvingen. Maar de vijand is zoo dicht bij ons, als de lucht die wij inademen. Een ieder die zichzelf heeft leeren mishagen, heeft in zijn eigen-ik tegelijkertijd zijn grootsten zielsvijand gevonden; een vijand die dus in het strijdperk van dit leven gevaarlijke voorposten in zijn macht heeft.

In onzen tekst spoort Paulus dan ook zijn medebroeders en zusters aan stijdvaardig te zijn. Deze gevangene, die ook zoo goed weet wat het beteekent gevangen te zijn onder de macht der zonde, roept ook anderen te wapen. „Staat dan, uwe lendenen omgord met de waarheid".

De Oostersche volken waren niet gekleed zooals wij, over het algemeen droegen zij geen dicht om het lichaam sluitende kleederen, maar losse ruime mantels, die wel gepast waren voor hun luchtstreek, maar toch ongeschikt voor vlugge bewegingen. Daarom schortten zij hunne kleederen op en werden de lendenen omgord met een gordel, die bij de krijgslieden bijzonder breed was. Dit gaf aan het lichaam bovendien een vastigheid, waardoor men niet alleen vlugger, maar ook met meer kracht den vijand kon tegentreden. Voorzeker, een zinrijke beeldspraak wordt hier door den apostel gebruikt. Toen de kinderen Israëls nog in Epypte waren moesten zij voordat zij uit het gevangenhuis uittogen, het lam eten met „opgeschorte lendenen". Het bevel Gods kwam daardoor tot Zijn volk: „Staat klaar! houdt u gereed voor het eerste handelen!" En als dan de vijand dien wij te bestrijden hebben zoo onbemerkbaar dicht bij ons, ja, in ons is, evenals de lucht in onze lichamen, is het dan niet dubbel noodig dit bevel te betrachten, wakende te zijn, gereed te staan ten strijde? Het is des Satans lust en list om vele rustige naam-christenen te maken. Zoo spoedig als een mensch onrustig over zichzelf wordt, komt hij met zijn kalmeerende woorden om den opgewekte weer in slaap te wiegen: „Het is zoo erg niet met uw zonden, als gij wel denkt." „Past een weinig beter op en weest hierbij tevreden." Naar zulk een stem luistert de mensch zoo gaarne, omdat onze oude-mensch daardoor vroom, daardoor opgesierd en niet ontkleed wordt. Daarom is de te bestrijden vijand zoo gevaarlijk. En toch, hij is een vader der leugen, der onoprechtheid, der valsche rust. Een iegelijk die niet hoort naar de stem des Heereu, en zijn oogen sluit voor de werkelijkheid, ligt dan ook rustig neder in de leugen.

„Staat dan, uwe lendenen omgord hebbende met de waarheid." De apostel acht het noodig dit bevel te richten tot de Gemeente des Heeren. Is daar dan ook een rustig nederliggen in de leugen? zult gij misschien vragen, lezer. Ja, helaas! Het moest niet zoo wezen, maar ieder kind des Heeren leert dit treurige ja, beamen. Paulus richt zijn bevel tot die Gemeente, waarvan hij nog pas gezegd had, dat zij mede levend gemaakt en mede opgewekt was met Christus, daar zij toch eerst dood was in zonden en in misdaden. O, welk een rijkdom van Gods barmhartigheid heeft de Gemeente van Efeze leeren kennen. Het Woord des Heeren had haar diep vernederd, inaar ook zeer verhoogd. Lezen wij maar de beide eerste hoofdstukkon van onzen brief en het valt ons op in welk een lied des geloofs deze apostel des Heeren met de Efeziërs mocht en kon instemmen. Hoe is het mogelijk dat men na zulk eene opwekking uit don doodslaap weer rustig kan.gaan nederliggen op het bed van zorgeloosheid ? Dit heeft niemand zich af te vragen, zonder zich diep te schamen over de afkeerigheid des harten. Ook het hart van Gods kind doet dikwijls meer denken aan eene ijskorst dan aan een levenden stroom. Och ja, dezelfde woorden worden nog wel gesproken, hetzelfde gebed wordt nog wel gebeden, hetzefde lied gezongen, maar 't is niet uit den overloed des harten. Voor de menschen is dit dan nog alles waarheid, maar God ziet de leugen, en onder het soms luide zingen, jubelt satan over den sterken voorpost, dien hij in beslag heeft. Zeg mij, lezer, gij, die iets kent van het smalle pad des levens, is dit niet een rusten, een zorgeloos nederliggen in de leugen? Is er bij u ook niet een groot verschil tusschen den schijn en het zijn? Er is zooveel strijden in naam voor Christus, maar in werkelijkheid voor eigen eer en eigen naam.

Staat dan, uwe lendenen omgord met de waarheid. Het is geen wonder dat Paulus dit bevel geeft, bedenkende wat er uit den mensch voortkomt, maar ook wat uit Christus voortvloeit. Want hier noemt de apostel de vrucht van Christus' kruis, een wapen uit Zijn tuighuis. De gordel der waarheid is een gave uit den rijken schat van den Heere Jezus. Laat ons er wel op letten, dat met „waarheid" hier niet in de eerste plaats de Waarheid van Gods Woord wordt bedoeld, al blijft het waar dat Christus Zijn genadegaven, steeds door Zijn Woord, den menschenkinderen deelachtig maakt. Hier is bedoeld waarheid in den zin van oprechtheid welke de psalmist van den Heere afsmeekt in zijn bede: laat d'oprechtheid meer en meer met de vroomheid mij behoên. Aangegord met de waarheid is dan ook hij die nauwkeurig acht geeft op de stem des vleesches en die des Geestes; die het oog niet sluit voor de schuilhoeken van eigen boos hart; die niet alleen een nauwe leer aanhangt en er verder op los leeft, maar die nauw leeft; die een berg van zonde in zich bespeurt, waar een ander slechts een geringe afwijking ziet. Zulk één bidt: „Heere behoed mijn hart, bewaar mijn tong, zet een wacht voor mijne lippen, want ik ben tot hinken en tot zinken ieder oogenblik gereed. Aangegord met de waarheid is hij die als een wachter' het ritselen zelfs van de 'zonde in zich weenend bespeurd; die zelf niet achter het zoeklicht van Gods Woord gaat staan om er anderen in te zetten, maar die dat licht een wijden toegang laat in zijn hart, maar dan ook in zijn huis, in zijn omgeving, in zijn levenskring. Aangegord met de waarheid is hij die niet alleen voor de menschen oprecht wil schijnen, maar het ook is; die niet zijn naaste rein noemt in zijn aangezicht en hem achter zijn rug zwart maakt. Zoo zouden wij verder kunnen gaan:

„Uw gebod is zeer wijd, " zegt de psalmist. Het is een lastig gebod voor het vleesch, maar door den drang des Geestes is het ieder kind des Heeren een lust om met Christus het strijdperk te betreden. Neen, dan is hij niet spoedig er mede klaar, maar de eeuwigheid zou hem niet lang genoeg zijn om aan zijn lust te voldoen.

Daarom, lezer, moge bij allen strijd uw oog op Jezus zijn.

Bij alle armoede die gij in uzelf vindt, is er toch in Christus een volheid. Immers heeft Jesaja van Hem geprofeteerd, dat ook de waarheid de gordel Zijner lendenen zal zijn. En heeft Hij Zichzelf niet de Waarheid genoemd? Wordt het niet in Zijn kruis openbaar, wat de zonde, ook uwe zonde, werkelijk is? O, dat ge dan door het geloof Hem uw Koning mocht heeten. Dan zult ge in Hem de werkelijkheid van Gods genade ervaren. Dan zult gij, met heel de Gemeente des Heeren ook Hem erkennen, die voor U den strijd gestreden heeft, en die nog gedurig gereed staat voor Zijn Kerk, die nog den gordel der waarheid voor haar draagt. Het woord des apostels zal u geen klank zijn: Ik heb den strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 april 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 april 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's