De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

Hemelvaart

7 minuten leestijd

De verheerlijkte Heiland.

De verheerlijkte Heiland.

Een zekere Schriftwijze had eens een gesprek met een godvreezende vrouw, die niet lezen of schrijven kon, over het al of niet noodzakelijk zijn van het verheerlijkt worden van den Heere Jezus in de hoogste hemelen. De Schriftwijze meende dat wij geen verheerlijkten Heiland noodig hadden. Zijns inziens ware het genoegzaam geweest dat de Heere Jezus alle staten Zijner vernedering en Zijner verhooging had doorleefd behalve Zijne hemelvaart.

Die vrouw evenwel bepleitte zooveel zij maar eenigszins kon de noodzakelijkheid van 's Heeren verheerlijking.

Toch scheen zij, door de zonderlinge redeneering van genoemden Schriftwijze, ietwat getroffen te zijn. Merkbaar was althans hare verlichting toen ik haar, in haar huis gekomen, op hare vraag: „Dominé, wij hebben toch ook een verheerlijkten Heiland noodig? " ten antwoord gaf: „Zeer zeker hebben wij Dien van noode", en ik haar bovendien mijne verwondering te kennen gaf, hoe die man het tegendeel had kunnen beweren.

Velen zijn evenwel nog helaas die met genoemden Schriftwijze weinig of geen nut in des Heeren hemelvaart zien! En dat, niettegenstaande er in Gods Woord zoo uitdrukkelijk geschreven staat; „De Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was, " en de Heere Jezus er ook nog Zelf van heeft betuigd tot Zijne discipelen: „Het is u nut dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zoo zal de Trooster tot u niet komen, maar indien Ik heenga, zoo zal Ik Hem tot u zenden."

Waarlijk, als wij het ons maar even indenken mogen, dan zijn de beteekenis en het nut van 'sHeeren hemelvaart zoo groot, dat wij vol verbazing ons moeten afvragen: „Hoe is het toch mogelijk dat nog zoo velen deze dingen over het hoofd kunnen zien en om het Hemelvaartsfeest des Heeren zich zoo weinig kunnen bekommeren? " Ook hierin komt de doodstaat des menschen voor God en goddelijke dingen zoo kennelijk uit.

Waar toch vindt men op de Hemelvaartsdagen de kerken gevuld? In plaats van in den geest met den Heere Jezus ten hemel te varen, vaart men liever te helle. Liever brengt men helaas, alsdan den dag door op ijdele plaatsen, dan dat men gedurende ééne godsdienstoefening slechts het groote nut van 's Heeren opvaart in de hoogte bepeinst.

Hoe zwakke nagalm helaas wordt er schier allerwege op aarde meer gehoord van dien onbeschrijfelijk, blijden jubel die er destijds bij 's Heeren hemelvaart door die talloos vele Engelen en Gezaligden in den hemel moet zijn aangeheven!

Meer met een betraand oog, gelijk weleer de discipelen hun geliefden Meester eerst nastaarden toen Hij opwaarts voer, zien nu nog des Heeren kinderen ten hemel op, dan met een oog, waaruit zalige blijdschap ons tegenspreekt.

Waarheid is evenwel, zullen Gods kinderen een vreugdevolle gemoedstemming bezitten, dan moet ook door 's Heeren genaderijke Geesteswerking, gelijk dit weleer bij Zijn hemelvaart geschiedde iii de harten der eerst beproefde discipelen, hun droevige stemming veranderd worden in een blijden jubel.

Alleen toch wanneer zij hun hoofd eens uit hun zonden en schulden mogen opheffen en zij geloovig een blik mogen slaan op den ook voor hen ten hemel gevaren Heiland en zij er door de overtuigende werking van den Heiligen Geest van verzekerd mogen worden, dat de Heere Jezus eenmaal ook voor hen een plaats bereid heeft in het hemelsch Vaderhuis en dat Hij aldaar ook hun Voorbidder is en alzoo Gods Geest getuigt met hunnen geest dat zij kinderen Gods zijn, kunnen zij zich met Habakuk van weleer verheugen in den God huns heils.

Dit toch zijn de drie heerlijke vruchten van 's Heeren hemelvaart geliefde lezer of lezeres dat de Heere Jezus voor Zijn volk een woning bereid heeft in het hemelsch Vaderhuis, dat Hij aldaar der Zijnen Voorbidder is en dat Hij vandaar hun Zijn Heiligen Geest doet toekomen. Die Hem in hunne zielen verheerlijkt.

En mocht nu ook gij reeds ééne van deze gezegende vruchten van 's Heeren heilrijke opvaart plukken?

Of kunt gij uw geluk misschien nog met volle teugen in deze wereld vinden? Weet ge echter wel dat er behalve een hemelvaart ook een hellevaart is?

Hebt ge hierover weleens goed nagedacht? Hebt ge het u werkelijk weleens ingedacht wat dat zijn moet eeuwig van God gescheiden te moeten zijn en onder Gods toorn te moeten liggen, zoodat het ook van ons gelden moet: „Het ware hem of haar goed, zoo die mensch nooit ware geboren geweest!" .

O! laat dan nog 's Heeren Woord in uwe ziel mogen zinken. „Indien iemand de wereld lief heeft, de liefde des Vaders is niet in hem."

Zekerlijk zijt ge reeds meer dan eens bij deze of een dergelijke waarheid bepaald geworden. O! hebt ge dan nog nooit eenige blijdschap of heerlijkheid in den Heere Jezus leeren zien, dat het uwe bede dan nog worde, dat gij dat moogt deelachtig worden, opdat ook gij u alzoo in den Heere moogt leeren, verheugen met een ongekende en eeuwige blijdschap! De Heere onze Schepper toch alleen heeft aanspraak op al de uitgangen van ons hart.

Daar is een hemel: van ongekende gelukzaligheid. De Heere Jezus roept ons dit toe in Zijne hemelvaart. Maar is er een hemel, dan is er ook een hel. En kunnen nu alleen degenen die den Heere Jezus hebben lief gekregen, die gelijk de psalmist zingt, in Hem alleen al hun blijdschap vinden, ten hemel gaan, zoo moeten ook noodwendig al de liefhebbers der wereld ter helle varen, waar is eeuwige weening en knersing der tanden, naar 's Heeren eigen woord.

Rusten wij derhalve niet vooraleer wij er van betuigen mogen op goede, schriftuurlijke gronden met den apostel Paulus te weten dat zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen!

Met niets minder dan met deze volle wetenschap kunnen wij het onzerzijds stellen. Zal het wèl met ons zijn, dan moeten wij leeren leven uit Christus' volheid. En dat kunnen wij niet tenzij wij aan onszelven, aan onzen eigen ver­dorven zin en wil zijn gestorven.  Achter den dood vinden wij eerst het leven. Door de hellevaart onzer zelfkennis alleen geraken wij tot de hemelvaart der Godskennis. De Heere Jezus moet ons dus onmisbaar worden in en tot alles. Wij moeten Hem noodig leeren krijgen in Zijne drie onderscheidene ambten van Profeet, Hoogepriester en Koning. En deze behoefte is er eerst dan recht in ons als wij niets' meer weten, als wij niets meer zijn en als wij niets meer kunnen. Dan eerst kan de Heere Jezus in al Zijn schoonheid en beminnelijkheid voor onze zielsoogen treden en betuigen wij het van ganscher harte met de Bruid uit het Hooglied: „Alles wat aan Hem is gansch begeerlijk."

En wisten wij nu niet hoe wij tot dezen heilstaat konden geraken, wij zouden nog eenigszins te verontschuldigen zijn. Maar nu, wij mogen het weten, (en wie zijn wij, dat wij het nog weten mogen) dat wij door de werking van Gods Heiligen Geest dit kunnen leeren verstaan, welke Heilige Geest de hemelsche Vader om Zijn Zoon Jezus Christus' wil ons wil schenken.

Zijn wij dan ook niet langer afkeerig van uit genade, uit vrije gunst zalig te worden! Geen andere weg staat ons open tot ons eeuwig geluk. Scheppen wij dan nog moed uit hetgeen Groenewegen ons toeroept in de woorden:

„Alle zondaars mogen komen, " Hoe strafschuldig, hoe onrein: Zondaars hebben niets te schromen, ' Jezus zal hun Helper zijn; Zondaars hebben niets te duchten: Als zij maar naar Jezus vluchten. Want Hij is de Vriend in nood; En Zijn goedheid, en Zijn goedheid. Blijft voor ons oneindig groot."

Moge dan nu en voortaan ook door ons beaamd en in beoefening worden gebracht, wat de Psalmist betuigt in Psalm 123, als hij zingt:

„Ik hef tot U die in den hemel zit! Mijn oogen op en bid. Gelijk een knecht ziet op de hand zijns heeren Om nooddruft te begeeren. En 't oog der maagd is op haar vrouw geslagen, Om hulp of gunst te vragen; Zoo slaan wij 't oog op onzen Heer', tot Hij Ook ons genadig zij."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 mei 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 mei 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's