Allerlei.
Een Koninklijk sterfbed.
Eduard VII Koning van Engeland, is Vrijdagnacht 7 Mei '10 na een kortstondige ziekte gestorven, 68 jaar oud zijnde. Ook voor de koningen geld dat de dood het leven afmaait en dat de sterkste mensch minder dan ijdelheid is. En ook voor de koningen geldt dat na den dood het oordeel komt, waarbij zal onderzocht worden of zij God gediend hebben of niet. En dien veel gegeven is van dien zal veel geëischt worden. Koning Edward of Eduard is gestorven gelijk hij geleefd heelt, een man, die zich alleen met de dingen dezer wereld heeft bemoeid. Is hij voor de binnen-en buitenlandsche politiek een man van beteekenis geweest, en is er over hem als mensch maar eén roep, daar hij een populair persoon was, die door zijn omgang rijk en arm tot zich trok, overigens deed hij niet veel meer dan schouwburgen, badplaatsen, wedrennen en. tentoonstellingen bezoeken, daarbij een man zich openbarend die in het korte leven liefst zooveel mogelijk van de wereld wilde genieten. Tot kort voor zijn dood bezocht hij de schouwburg. En op den avond van zijn sterfdag, toen hij door benauwdheden overvallen telkens door flauwten werd overmeesterd, had hij nog even een helder oogenblik, dat hij gebruikte om te vragen „hoe de wedrennen van den dag waren afgeloopen". En toen hij vernam, dat eén zijner renpaarden „Witch of the Air" een race had gewonnen, zeide hij vergenoegd: „I am glad!", ik ben er blij om!
ik ben er blij om! Zóo is Eduard VII, een bekend vrijmetselaar, de eeuwigheid ingegaan.
Hoe veel heerlijker is het dan b.v. de geschiedenis van Frederik III, Keurvorst van de Paltz, na te gaan.
Die sprak in zijn leven van „mijn" catechismus — en op zijn sterfbed verzocht hij aan zijn hofprediker Olevianus (1536—'86) hem Psalm 31 voor te lezen en daarna Joh. 17.
„Op U, o HEERE! betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid; help mij uit door uwe gerechtigheid. In Uwe handen beveel ik mijnen geest; Gij hebt mij verlost, HEERE, Gij God der waarheid. Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange ; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik. Laat Uw aangezicht over Uwen knecht lichten, verlos mij door Uwe goedertierendheid (Ps. 31 : 2, 6, 10, 17.)
Is het niet heerlijk zóo te mogen spreken op z'n sterfbed? Om van zulke koninklijke lekkernijen te mogen proeven en smaken ? (Gen. 49 : 20.)
Want de wereld en al haar begeerlijkheid gaat voorbij, maar wie mag eten van het brood, dat uit den hemel is nedergedaald, zal verzadiging ontvangen voor den tijd en voor de eeuwigheid.
Als een dief in den nacht.
In den Amerikaanschen vrijheidsoorlog sneuvelde een godvreezend officier, die vrouw en kind achterliet.
Dit laatste vroeg aan de bedroefde, maar onderworpen moeder: „waar is vader? "
„De Heere heeft hem gehaald, mijn kind: straks, wanneer weten wij niet, komt Hij ook om ons tot zich te nemen" — luidde het antwoord.
„Maar, moeder, hernam de kleine, als de Heere komt en wij weten niet wanneer, zullen wij dan maar niet vast den kofler pakken? "
Zoo is het. Onze koffer dient gepakt. Onze lamp dient brandende te zijn. De Heere komt als een dief in den nacht. De dood wenkt ieder uur!
***
Gods arm is het sterkste voor hem, die er het meest behoefte aan heeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 mei 1910
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's