Uit de Pers.
Uit de Pers
In „de VragenBus" in „de Geref. Kerk" van 27 Jan. '10 vonden wij dit stukske, dat wij onzen lezers gaarne eens voorleggen:
»Een inzender uit-de hoofdstad had een gesprek met een Roomsche, die hem verweet, dat wij Hervormden ons de Kerkgebouwen, zooals de Oude en de Nieuwe kerk, die oorspronkelijk voor den Roomschen dienst bestemd waren, wederrechtelijk hadden toegeëigend. Wat op die beschuldiging te antwoorden ?
Antwoord. Tegenover die beschuldiging van kerkenroof zou ik kunnen volstaan met de opmerking dat de hoogste rechtbanken in Nederland ons goed recht op die gebouwen onomwonden hebben erkend. De Hooge raad heeft in zijn arrest van 29 Februari 1856 verklaard dat de Christelijke Kerk door de Hervorming, welke zij in de zestiende eeuw in de Vereenigde Nederlanden, onder toestemming en met medewerking van den summus imperans {de Hooge Overheid) onderging, hare bezittingen naar beginselen van recht, niet verloor, omdat zij, schoon onder anderen vorm, als Christelijke Kerk.... bleef staan.
Met deze verklaring alleen zijt ge echter misschien niet voldaan.
Het geval laat zich denken, dat < Je aardsche rechter ons het bezit van eenig goed ontzegt, terwijl toch naar goddelijk recht, dat goed ons toekomt.
En omgekeerd, is het mogelijk, dat de aardsche rechter ons iets toewijst, hetwelk wij naar goddelijk 'recht toch niet als ons eigendom mogen beschouwen en behouden.
Ge wilt dus ons recht op die goederen nader bewezen zien, afgezien van de verklaring van den aardschen rechter.
Welnu, dan is ons antwoord, dat ons recht op het bezit van die gebouwen en goederen staat en valt met het Kerkbeprip van onze Gereformeerde Vaderen.
Is men de leer toegedaan, dat er in een land onderscheidene Kerken kunnen zijn, die met goed recht zich als de Kerk van Christus kunnen aandienen, en dat onze Kerk der Hervorming niets anders is dan éene van die kerken? In dat geval hebben de Vaderen zich die kerkgoederen wederrechtelijk toegeëigend en dan komen zij ook ons niet toe. 't Is immers duidelijk, dat het eene kerkgenootschap geen recht heeft om zich de goederen van het andere kerkgenootschap toe te eigenen.
Alleen als men aanneemt dat de Kerk van Christus éen is, en dat die Kerk, die uit de Hervorming is voortgekomen, waarlijk diezelfde Christelijke kerk was, die eeuwen geleden onder de leiding des Heeren in deze landen was gesticht, alleen in dat geval kunnen wij ons de goederen van die aloude Christelijke kerk toeeigenen of ze in eigendom behouden.
Welnu dat is het juist wat onze Vaderen hebben staande gehouden. Zij erkenden geen onderscheidene Christelijke kerken.
Van tweeen een :
Of: Rome was de kerk van Christus; en in dat geval had Rome ook recht op al die goederen, die de Christelijke kerk in ons Vaderland zich in den loop der eeuwen had verworven.
Of: de Kerk der Hervorming was de oude kerk, gesticht op het fondament der apostelen en profeten; alleenlijk: door Gods goedheid afgewasschen en gereinigd en hervormd van al de menschelijke dwaalleeringen, waarmede zij in den loop der eeuwen was besmet.
En in dit laatste geval kwamen haar ook al de goederen der Christelijke kerk toe; ja zou het gewillig prijsgeven daarvan gelijk hebben gestaan met het prijsgeven van den Naam van «de Kerke Christi.»
Ziedaar wat ook ons vrijmoedigheid geeft om die gebouwen, die helaas langen tijd in dienst van de Roomsche dwaalleer hebben gestaan, voor de Kerk van Christus, door welke zij gesticht zijn op te eischen.
Ziedaar de reden, waarom wij nooit vrijwillig een steen ervan aan Rome mogen afstaan. Dat zou zijn een verkoopen van ons eerstgeboorterecht als Christelijke Kerk.
Maar ziedaar wat ons de verplichting oplegt om in die gebouwen dan ook geen anderen dan den liefelijken en schoonen dienst des Heeren naar Zijn Woord te onderhouden.
Anders hebben wij verdiend dat het ons ga, zooals het Rome verging.
O, die oude Christelijke gebouwen, die aan onze Kerk, als erfenis van de eerste Christenen in deze landen, zijn ten deel gevallen, hoe roepen zij onze kerk toe.
Besef toch uwe roeping om te zijn de Kerk van Christus, een pilaar en een vastigheid der waarheid in dit Vaderland.
Neem geen ruste eer verwijderd is wat u verhindert die heerlijke en dure roeping te vervullen.
Of, zoo niet, die steenen zouden recht hebben u af te vragen : wat doet gij met die eerwaardige gebouwen, die voor het lichaam van Christus en tot Zijne eere Zijn gesticht ?
Een treffende tegenstelling.
In het Amerikaansche blad »The Banner* lazen wij het volgende stukje, dat door dit blad weer overgenomen was uit de »Missionary Review« en dat ons zoo belangrijk toe scheen dat wij het het hier in vertaling laten volgen.
1810.
Bijna elk land in Azië en Afrika gesloten voor de verbreiding van het Evangelie. De kerk gelooft niet in den Zendingsarbeid.
In werkelijkheid zijn er geen protestantsche christenen in heidensche landen. Slechts 100 zendelingen zijn uitgezonden. De Bijbel is slechts in 65 talen vertaald. Slechts een paar duizend dollars wordt jaarlijksch voor de Zending geofferd. Er zijn geen missionaire artsen. Er zijn geen Zendings-hospitalen en weeshuizen. Er zijn geen predikanten uit de inboorlingen. De Zending wordt niet gewaardeerd aan de Amerikaansche en Engelsche hoogescholen. Er zijn geen ongehuwde vrouwelijke zendelingen, en er is geen georganiseerd werk voor vrouwen. Er zijn geen Zendingsdrukkerijen, of andere gelegenheden voor het verspreiden van Christelijke litteratuur in niet christelijke landen.
1910.
Bijna elk land ter wereld is geopend voor de verbreiding van het Evangelie.
Meer dan 2 millioen protestantsche Christenen zijn vergaderd in heidensche landen, behalve degene, die reeds in het geloof ontsliepen. Er zijn ongeveer 22000 zendelingen over de wereld verspreid. De Bijbel is vertaald in ongeveer 500 talen en dialecten. Wat voor de Zending bijeengebracht wordt, is ongeveer 25000000 dollar jaarlijksch. Duizenden missionaire artsen in de heidensche landen behandelen 3000000 patiënten per jaar. Er zijn 400 zendings-hospitalen en over de 500 weeshuizen en toevluchtsoorden, door de zendelingen opgericht en verzorgd in heidensche landen. Er zijn over de 6000 ongehuwde vrouwen, die als zendelingen onder de heidensche vrouwen en kinderen arbeiden. Er zijn ongeveer 93000 predikanten, evangelisten enz. uit de inboorlingen, die onder hun eigen volksgenooten werken. Er zijn ongeveer 3000 scholen en inrichtingen voor onderwijs, die door protestantsche zendelingen in heidensche landen verzorgd worden. Er zijn meer dan 160 zendingsdrukkerijen en - uitgeverszaken, en 400 Christelijke bladen verschijnen op de zendingsvelden. Duizenden studenten zijn op het zendingsveld, en duizenden bereiden zich voor om te gaan.
En toch zijn er nog heden ten dage een biliïoen menschen onbekend met het Evangelie van Jezus, den Christus, den Zone Gods en Zaligmaker der wereld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 mei 1910
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's