Uit het kerkelijk leven.
BIJVOEGSEL BEHOOKENDE BIJ DE WAARHEIDSVRIEND van Vrijdag 13 Mei 1910.
Christus op de Openbare School.
Een eigenaardigen blik krijgen wij op hetgeen in vroegere jaren van God en Zijn dienst geleerd en gesproken werd op de Openbare School (en daar hadden honderden en duizenden vrede bij!) als wij het volgende onder de oogen krijgen.
't Is een stukske geschiedenis uit de gemeente Delft.
Burgemeester en Wethouders van Delft deden 21 Dec. 1866 een verzoek aan D. Buddingh, Voorzitter van de plaatselijke schoolcommissie, een opgave te mogen ontvangen van „het gebed en de dankzegging, die door de leerlingen der Openbare Scholen dagelijks bij den aanvang en het einde van het onderwijs gedaan wordt."
B. en W. waren blijkbaar in de meening, dat op alle openbare scholen te Delft hetzelfde gebed en dezelfde dankzegging „werd gedaan." Dit laatste was niet het geval, zooals blijkt uit een schrijven van 11 Januari 1867. Op de verschillende scholen werden verschillende gebeden gedaan.
B. en W. konden over het algemeen wel vrede hebben met die „gebeden" en „dankzeggingen "!
Maar één gebed was er dat niet ten volle genade kon vinden in de oogen der vroede Vaderen.
Het luidde in z'n Brave-Hendrik-achtigheid aldus:
Gebed hij den aanvang van den morgenschooltijd te 9 uur:
„Hemelsche Vader! wij loven en danken U in den morgenstond, daar Gij ons door den slaap hebt verkwikt en de gezondheid verleent, om weder aan deze plaats te kunnen komen. Wij danken U, dat Gij ons de vermogens hebt gegeven, waardoor wij in staat ziin, om de onderrigtingen en lessen, welke wij ontvangen zullen, te bevatten en die tot nut van onszelven en van anderen aan te wenden. Schenk ons lust tot leeren en doe ons steeds beseffen, dat op de school onze eerste plichten zijn: gehoorzaamheid aan onze onderwijzers oplettendheid op het onderrigt en. vredelievendheid jegens elkander én dat wij dus doende op Uwen zegen mogen hopen.
Vergeef ons de afdwalingen onzer jeugd en versterk ons tegen de verleidingen der zonde. ln naam des Zaligmakers, die ons deze dubbele bede heeft in den mond gelegd, smeken wij U om hare vervulling. Amen."
Dat was voor de vroede vaaderen van Delft te Christelijk!
En B. en W. gaven daarom aan de plaatselijke schoolcommissie in bedenking, den hoofdonderwijzer aan de school op den Verwersdijk uit te noodigen de laatste zinsnede van dit gebed te doen vervallen „in aanmerking, dat die school ook toegankelijk is voor kinderen van den Israëlietischen godsdienst."
Dat was dus in de „goede" dagen het Christelijke van de Openbare School!
Een Christus werd geduld, aan Wien de Jood zich niet meer ergeren kon!
Wat zal het dan nu zijn in de „kwade" dagen, nu alom de goedige, vrome oude onderwijzers verdwenen zijn en jonge, moderne, socialistische mannen en vrouwen daarvoor in de plaats zijn gekomen!
De School en de Kerk.
„Het is een verblijdend teeken van onzen tijd, dat leeraren van de Hervormde Kerk meer dan vroeger hunne aandacht beginnen te wijden aan het verband, dat er behoort te bestaan tusschen de Lagere School en de Kerk. Zoolang de voorgangers der gemeente, ook in dit opzicht, niet algemeen het hooge gewicht hunner roeping beseffen, bestaat er voor beide instellingen geene mogelijkheid om opgericht te worden uit haren tegenwoordigen toestand van kwijning, die door geen ernstig en belangstellend Christen langer wordt ontkend. Wanneer wij de geschiedenis der laatste vijftig jaren nagaan, kan het, ook bij de zachtste oordeelvelling, niet worden weersproken, dat de pogingen tot verlevendiging en herstel van ons Kerk-en Schoolwezen, vooral van de gewone leden der gemeente zijn uitgegaan, en dat de meesten der leeraren, die aan de waarheid, door de Kerk beleden wordende, van harte verbonden zijn, zich doorgaans buiten den strijd gehouden hebben met eene voorzichtigheid welke dien naam geenszins verdient.
Deze zorgvuldigheid van welgezinde en kundige voorgangers der Gemeente, om zich te onttrekken aan de behandeling van dagelijks ter spraak gebracht wordende levenskwestiën voor de Kerk en de School, kon niet nalaten op velerlei wijze nadeelig te werken. Een der nadeelen, welke daarvan het gevolg zijn geweest, is dat de leiding der Kerk, niet wat haar uitwendig, vormelijk en administratief beheer, maar wat haar geestelijk leven en hare christelijke werkzaamheden betreft, meer en meer aan de handen barer leidslieden is ontglipt en overgegaan in die van gewone leden der Gemeente. Het kan toch niet worden ontkend, dat de verdediging en handhaving van de leer der Kerk, de oprichting van christelijke lagere scholen, de verzorging van den geestelijken nood en de behoeften van duizenden ellendigen en verwaarloosden, behoudens eenige des te loffelijker uitzonderingen, niet door de leeraars, maar door de gewone leden, zonder hen, worden ter harte genomen. Het eenvoudig gevolg hiervan is, dat, vermits er leiding en voorgang ontbrak, ofschoon er leidslieden en voorgangers waren, zich thans reeds de hebbelijkheid vertoont, (die zoo gemakkelijk toenemen zal) van, niet alleen bij christelijk philantropische werkzaamheden, maar ook bij de behartiging van het Kerk-en School wezen, , eenvoudig de leeraars voorbij te gaan; zoodat dezen, daar zij geene invloed|deden gelden, allen invloed zullen verliezen.
Het is hier de plaats niet de vele schadelijke gevolgen van zulk een staat van zaken op te sommen. Vele daarvan zijn reeds allerwege zichtbaar. Eene natie, als de onze, moet Scholen en Kerken hebben, die aan de wezenlijk bestaande en gevoelde behoeften voldoen. Indien hare leidslieden in den Staat en in de Kerk haar die onthouden, zal zij ze zich zelve verschaffen. Dit is reeds werkelijk "de toestand" waarin wij ons bevinden, en waaromtrent de leeraars der Hervormde Kerk zich niet langer illusie behooren te maken. Vooral bij de midden-en lagere standen, openbaren zich een algemeenen honger en dorst naar de waarheid; eene begeerte naar christelijke opleiding voor het opkomend geslacht, en een ijver en veerkracht om zijne overtuigingen door alle middelen aan anderen mede te deelen, die, hoe uitnemend ook zoo zij behoorlijk geleid worden, van veruitziende gevolgen kunnen worden, omdat zij, meerendeels aan zichzelven toegelaten, daar de leeraren van verre staan, van beneden naar boven werken. Het is daarom, dat ieder openbaar blijk van geloovige belangstelling en deelneming door leeraren van de Hervormde Kerk in de groote vraagstukken van den dag, door ons met dubbel genoegen wordt aanschouwd."
Uit de brieven van J. .A. Wormser 1807—1862.), medegedeeld door Mr. Groen van Prinsterer.
Valsehe lijdelijkheid.
In „De Bazuin", stemmen uit de Gereformeerde Kerken in Nederland, lazen wij een stukje over Tractaatverspreiding, waar boven staat: „ Valsehe lijdelijkheid."
Met instemming nemen we dit stukje hier over. Niet zoozeer — althans niet in de eerste plaats — om over de tractaatverspreiding iets te zeggen tot de lezers van „De Waarheidsvriend", maar om samen nog eens te praten over het onderscheid van: in afhankelijkheid van den Heere arbeiden èn in lijdelijkheid niets doen.
Vooral voor ons Leerstoelfonds — om onzen a. s. herders en leeraars Gereformeerd onderwijs te doen geven aan onze Hoogescholen — zouden wij zoo van harte begeeren, dat er gewerkt werd. 't Artikel uit „De Bazuin" luidt dan:
Kan er nooit te veel nadruk worden gelegd op de waarheid, dat uit God, door God en tot God alle dingen zijn; dat wij in Hem leven, in Hem ons bewegen, en in Hem zijn, en dat God het is, die in ons werkt het willen en het werken naar Zijn welbehagen ; aan de andere zijde moet evenzeer met allen ernst gewaarschuwd worden tegen valsche lijdelijkheid ; dat is tegen een schijnbaar diep afhankelijk leven, maar dat het gebruik der middelen doet verwaarloozen.
Ook op het gebied der traktaatverspreiding wordt die woekerplant van het christelijk leven waargenomen.
«Zoo, zoo», is menigmaal gezegd, »wilt gij door uwe traktaatjes menschen bekeeren en alzoo den Heere Jezus het werk uit de handen nemen ? Weet gij dan niet, dat de Heere zijn volkje wel zal toebrengen, en dat Hij u, met uwe blaadjes, die misschien niet eens heel zuiver zijn, niet noodig heeft.''"
Zulk een woord heeft maar al te dikwerf ingang gevonden. Geen wonder? het klinkt zoo afhankelijk, zoo vroom; het geeft den indruk, dat men bijzonder recht staat in de leer der Praedestinatie, en der vrije' genade; terwijl de voorstanders der Traktaatverspreiding, en van andere christelijke werkzaamheden bij tal van onnadenkende menschen, verdacht" worden gehouden als besmet te zijn met den zuurdeessem van het Remonstrantisme.
Neen, de Heere heeft ons niet noodig ; in geen enkel opzicht zelfs. Hij heeft ook geen Mozes noodig gehad om de kinderen Israels uit Egypte te verlossen ; daartoe had Hij best Farao's hart zonder Mozes kunnen bewerken; Hij had ook geen Filippus noodig om den Kamerling tot Christus te brengen; geen Paulus om het hart van een Lydia te openen, en geen Loïs en' Eunice om Timotheüs van kindsbeen af met de Heilige Schriften bekend te doen worden.
Maar alles wat de Heere kan, doet Hij daarom niet. Hij werkt meestal middellijk en heeft ons aan die middelen gebonden.
Daarom spoort Hij ons overal in zijn woord tot het gebruik dier middelen aan, en zegt o. a. «Wie niet werkt, die zal ook niet eten», wat zoowel geldt in betrekking tot het geestelijke als tot het natuurlijke.
God kan alles zonder de middelen schenken; wij echter mogen niets zonder de middelen verwachten. Dit is zóo sterk, dat Paulus bij zijn schipbreuk op de reis naar Rome, tot den hoofdman en de scheepslieden zeide, indien de menschen in het schip niet bleven, er geen behoudenis was te verwachten; niettegenstaande hij de belofte van God had ontvangen, dat niemand zoude omkomen. Hand. 27:24, 31.
Nademaal de Heere ons nu aan de middelen heeft gebonden, moet de valsche lijdelijkheid onvoorwaardelijk worden veroordeeld.
Te afhankelijk van God kunnen we nimmer zijn; de valsche lijdelijkheid echter moeten we met alles wat in ons is, schuwen en tegenstaan ; want zij is niets minder dan valsche rust, luiheid in betrekking tot het geestelijke leven, die vooral niet minder des duivels oorkussen is, dan luiheid op elk ander gebied.
Daarom is het niet vroom; maar zeer goddeloos, als gevraagd wordt, of wij den Heere Jezus het werk uit de handen willen nemen, en daarmee de Traktaatverspreiding of andere liefdearbeid tegengewerkt wordt.
Als die schijnbaar vrome verzuchting waar is, als zij recht van bestaan heeft, breek dan af alle scholen en kerken; want dan zal God zonder onzen stumperachtigen arbeid, toch wel knappe menschen vormen voor Kerk en Maatschappij, en zal Hij, .zonder onze armelijke prediking, de uitverkorenen wel toebrengen.
Laat dan ook geen geneesheer meer roepen bij uw doodkranke kind; want de Heere heeft dien stumper van een Doctor ook niet noodig; die hoe geleerd hij ook wezen moge toch geen enkele koorts kan doen verdwijnen, als de Heere zelf die koorts niet bestraft.
Beploeg en bezaai dan ook uw akker niet; want God kan zonder uwen stumperigen arbeid genoeg laten groeien, evenals dat Hij zonder uwe tusschenkomst, de helm op de duinen, en het onkruid op akker en tuinen laat groeien. Men is echter wel zoo wijs, om in dit opzicht het, om zoo te zeggen, niet aan God over te laten maar zelf de handen uit de mouw te steken; bewust als men zich is dat men anders óf zou moeten bedelen, óf van honger omkomen.
Maar laat dan ook worden beseft, dat in betrekking tot den arbeid in Gods Koninkrijk ook de middelen moeten worden gebruikt.
Ook hier moet, naar het Woord des Heeren, gezaaid worden aan alle wateren, moet het Evangelie gepredikt worden aan alle creaturen, en moet, alles wat onze hand vindt om te doen, gedaan worden met alle macht.
Laten we daarom de valsche lijdelijkheid, met alles wat in ons is, tegenstaan; maar ook tegelijk in de vreeze des Heeren, d, i. onder biddend opzien tot God, werken zoolang het dag is!
Nog eens: lees nu hier telkens eens LEERSTOEL FONDS-LEERSTOELFONDS-LEERSTOELFONDS. .
En laat ieder die het wélmeent met onze Kerk, dan eens aan het werk gaan om dit schoone doel spoedig te bereiken: een Hoogleeraar vanwege den Geref. Bond onderwijs gevend in de Geref. theologie aan een van onze Rijks-Universiteiten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 mei 1910
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's