De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

8 minuten leestijd

Hand. 2 : 1—4.

Pinksterfeest.

't Was feest te Jeruzalem. Wederom feest. Pas was men opgegaan naar den tempel om de eerste garve gerst in te dragen in den tempel en nu was men saamgestroomd om van de tarweoogst in te brengen in Gods heiligdom.

't Was een dankfeest. Zelfs uit „de verstrooiing" was men gewoon om op 't Pinksterfeest naar de heilige tempelstad op te gaan. En met vroolijke jubelzangen vereenigde men zich in bet huis des Heeren, waar de priester dan een zoenoffer en een dankoffer bracht. Dan volgde de eigenlijke plechtigheid.

Als héél de schare bijeen was, bracht de priester twee brooden, gebakken van het meel der nieuwe tarwe, in den tempel, om die als offer der dankbaarheid voor den oogst den Heere aan te bieden.

Ze mochten niet op het altaar komen, daar ze gezuurd waren. Maar de priesters aten ze op, als bewijs, dat de Heere een welgevallen had in de dankbare offerande des volks.

En dan vereenigde het volk zich aan de offermaaltijden, waarbij de Israëlietische mannen zich met hun vrouwen en kinderen, knechten en maagden verheugden voor den Heere, waaraan ook de armen deelnamen en waarbij de weduwen en weezen niet werden vergeten om aan hen weldadigheid te bewijzen.

Zoo is het een dag van vroolijkheid voor Israël.

Men genoot met blijdschap van de goederen dezer aarde. Waarbij de lofpsalmen ter eere Gods gehoord werden: „Gij geeft, dat d' uitgang van den morgen en van den avond juich'; En dat men U, voor al uw zorgen, ootmoedig dank betuig." Alsook: „Uw goedheid kroont de jaargetijden : waar Gij Uw voetstap zet. Daar doet Gij 't al ten zegen dijen; Daar druipt het al van vet."

Heerlijk als dat verstaan mag worden.

Maar 't is te betwijfelen of de kinderen Abrahams, die het geloof huns vaders hadden verloren, véél van deze dingen begrepen.

Ze waren zoo diep weggezonken in zonde-en werelddienst.

Men woog al z'n geld uit voor 't geen niet verzadigen kon. Eu ten slotte had men Christus uitgeworpen en gekruisigd!

O! wat vreeselijk om dan vroolijk te jubelen in den tempel, om dan blijde den berg Sion te beklimmen.

Ons hart breekt als wij in den geest de hand Gods zien vol oordeelen; de hand Gods, die komen zal om steen voor steen van den tempel af te breken; om Israël te verstrooien, beladen met Zijn vloek.

In éen van de 80 ruime zalen, die bij den tempel zijn, vinden we een 120-tal personen bijeen, saam zich vereenigend in gebed, vuriglijk roepend tot den Heere, dat Hij mag komen vervullen Zijn beloften.

't Zijn de 12 discipelen. Judas vervangen door Matthias, benevens tal van vrienden en vriendinnen van den Heiland, waarvan alleen Maria, de moeder van Jezus en Zijne broederen nader worden aangeduid door Lucas (1 : 15). Die mannen en vrouwen mochten hun harte op God hebben ; op 't geen Hij gedaan had in Christus; op 't geen Hij beloofd had met Jezus' hemelvaart.

Wat zagen zij nu het werk Gods in Christus heerlijk liggen. Wat was het hun nu tot een schat geworden, waar het harte naar uitging! '

En neen, dat was nu alles niet voorbij, nu Jezus van de aarde was heengegaan.

Integendeel! Nu was het werk van Christus verheerlijkt in den hemel, liggend voor het aangezichte des Vaders, terwijl de Vader daarin Zijn lust vond.

En dat zou de Vader toonen.

De Heere zou het openbaren, dat Christus' werk voor Sion tot een rijke en eeuwige schat was.

De Heere zou nu onder Zijn volk wonen.

Hij zou indalen in het harte van Zijn Sion.

En Hij zou méér plaats nog zoeken om in te wonen. Onder Jood en heiden saam.

Hij had het beloofd. Om Christus' wil.

O! dat die belofte des Heeren vervuld mocht worden. Dat de H. Geest mocht nederdalen. Dat de Heere afklom in Christus tot Zijn gunst-en erf volk!

Als een droog en dorstig land ligt het harte van dat 120-tal al dagen voor het aangezichte des Heeren.

Dag aan dag spraken zij over Jezus; over Zijn werk, over Zijn Woord en belofte.

En dan knielden zij neer te zamen; dan gingen zij in het gebed, dan werden er smeekingen der ziele opgezonden naar omhoog.

Zoo ging dag aan dag voorbij.

Zoo naderde reeds de 10de dag — en nóg was de vervulling niet.

Wel lag het woord van Christus daar: Ik zal den Vader bidden en Hij zal u een anderen Trooster geven, namelijk den Geest der waarheid, welken de wereld niet kan ontvangen, die zal bij u blijven in der eeuwigheid en uw blijdschap vervullen" — maar 't kwam niet.

Hoe lange nog?

Gelukkig wordt het harte vervuld met een ander , woord van den Heiland: bidt zonder ophouden en zoo wat gij den Vader bidden zult in Mijnen naam, dat zal Hij u geven" (Joh. 16 : 33); gelijk ook Habakuk schrijft: toeft de Heere, verbeidt Hem, want Hij zal gewisselijk komen; Hij zal niet achterblijven" (Hab. 2:3).

En telkens kwam men wéér te zamen — tot op den 10 den dag de Heere Zijn Woord vervult en Zijn Geest nederzendt in het harte der Zijnen.

Daar zitten die vrienden en vriendinnen bij elkaar, éen in geloof, éen in hope en in gebeden, hongerend en dorstend naar den Heere, die beloofd had onder Zijn volk te zullen komen wonen door Zijnen H. Geest. En terwijl daar buiten 's morgens om 9 uur veel drukte is door de ceremoniën van het Pinksterfeest, verheft zich haastelijk, d. i. plotseling en gejaagd, zonder dat 't gezelschap 't verwachtte, een vreemd, sterk geluid, komend van den hemel en gaande door héél het huis, zich verbreidend door de straten van heel de stad, straks een groote volksmenigte verzamelend voor de oogen der discipelen.

Wat er eigenlijk geschiedt weten zij niet.

Maar 't was een geluid alsof er een storm opsteekt en alsof de wind giert met ontembare kracht.

En daar bleef het niet bij.

Nog een ander verschijnsel werd aanschouwd. Want daar verschijnen gestalten als van menschentongen, zich verspreidend over de schare en zich plaatsend boven het hoofd van een ieder hunner.

Tongen als van vuur; lichtvlammend, helder zichtbaar op klaarlichten dag, niet brandend en niet verzengend, om daarna weer te verdwijnen.

Wonderlijk alles!

Maar — dit alles is het voornaamste nog niet.

Dit is het belangrijkste van alles: „en zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest."

Dat is het feit waar het op Pinksterfeest om gaat.

Dat is die groote en alles overtreffende gebeurtenis van dezen dag des Heeren.

En 't is ook niet minder dan dit: de Heere is getrouw en vervult Zijn belofte.

Het gebed van Christus is verhoord.

God maakt woning onder Zijn volk, in het harte van Zijn Sion. Hij neemt intrek onder Zijn Sion.

Ja — de Heere wil nederdalen om onder arme en ellendige zondaren zaligheid te openbaren.

Hij wil van Zijn Geest uitstorten over jong en oud.

Hij wil arme zondaren maken tot Zijn kinderen, zeggende: "Gij, die mijn volk niet waart, zult Mijn volk zijn tot in eeuwigheid en Ik zal u tot een God zijn."

Hij wil Sion troosten. Hij wil Zijn volk ver­vullen met heil.

Hij wil de wildernis veranderen in den hof van Eden.

Geen voor eeuwig verstooten!

Integendeel! De Heere heeft lust aan Zijn Sion; Hij verrijkt het grootelijks met Zijn gunst; Hij keert tot Zijn Sion in, om Christus'wil, met den rijkdom Zijner genade.

En nu mag alom verkondigd worden, dat de Heere een nieuw verbond heeft willen oprichten, om van heind en ver te trekken uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht.

De Heere wil onder Zijn volk wonen; onder Zijn volk aan alle plaatsen Zijner heerschappij, met de volle toepassing van Christus' arbeid door de werking Zijns Heiligen Geestes.

M. Br(oeder). en Z(uster)., kent gij daar óok reeds iets van ? Van dat hongeren en dorsten .naar de gerechtigheid Christi? O! dan belooft de Heere van den regen des Geestes; en Hij is de Getrouwe.

Dan is Hij de God die het steenen hart weet te veranderen in een vleeschen hart en die de ziele, die tot Hem.zucht, weet te verzadigen met het goede.

Dan leidt Hij Zijn volk in het pad van vree.

Dan vervult Hij de Zijnen met de kennisse der waarheid.

Dan troost Hij Zijn Sion door hen te geven sieraad voor asch, vreugdeolie voor treurigheid en een gewaad des lofs voor een benauwden geest.

Dan doet Hij vruchten groeien van vrede en barmhartigheid.

Dan doet Hij roepen: Abba, Vader.

Dan doet Hij belijden: gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus" (Ef. 1 : 3).

Dan gaat Hij in tot Zijn tempel en zegt: „hier is de plaatse mijner ruste."

Zijn wij dan aan den treurigen staat onzes harten nog geheel vreemd ? Kennen we nog geen bidden en smeeken door den Geest? Kennen we nog geen treurigheid om der zonde wil?

Dan is de Trooster voor ons niet. Dan is eeuwige teleurstelling ons deel. Vreemd van God zullen we ellendig omkomen.

Tenzij de schellen ons van de oogen mogen worden gerukt en wij bekommerd van harte leeren vluchten tot den Heere, die de breuke weet te heelen, de woestijn weet óm te zetten in vetten grond en ellendigen doet juichen om de schatten van Zijn genadeverbond, door Christus verworven en voor Sion weggelegd in den hemel.

O! dat dan de beginselen des nieuwen levens gesmaakt mogen worden in de gemeenschap met God, die in Christus onder Zijn volk wil wonen met betooning van Zijn genade en gunst!

Van dat heil spreekt ons het Pinksterfeest!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 mei 1910

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 mei 1910

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's