Voor Oud en Jong.
{Auteursrecht voorbehouden.)
Aan den oever der Eeuwigheid.
Achter hooge Alpentoppen neigt de zon ten ondergang. Als ten afscheid doet ze de blinkende sneeuwpunten gloeien en overstroomt de witte ruggen der bergen met gouden glans.
De gulden stralen dringen door de hotelramen van het herstellingsoord en omhuiven er 't gelaat der doodelijk kranke. Heur haar, licht blond, krult in smalle slangetjes op 't witte kussen en de lichtende zonnedraden vloeien weg in den fijnen warrel der weelderige lokken.
Zwoegend gaat haar borst, met snel ademstooten, als 't wanhopig pompen op 't zinkend schip, dat verloren blijkt.
Doodelijk wit is het schoone gelaat, waarop hot aderen-blauw door d' huid kleurt. De droge lippen sminkelen zacht, smeekend om lafenis.
Ver van haar land, haar magen en Vrienden, tusschen de bergen, die als spelende reuzen op elkaars schouders klommen, ligt ze te sterven. Onder de nederige wilgen van de lage landen aan de zee, stond haar wieg; tusschen de besneeuwde kruinen van het hooggebergte ligt ze op haar stervenssponde.
Heur moeder ging haar vóór; 'n jaar geleden; ging tot Christus; 't pelgrimslied op de veege lippen; 't licht van het nieuwe Jeruzalem in het oog. Haar laatste woord nog was 'n lieflijke noodliging tot het geloof.
Het geloof in den Gekruiste. Hermina de Winter wéét, wat dat zeggen wil.
De heugenis van het geloof harer kindsheid ging nooit verloren. Ze zucht als ze denkt aan dien tijd, toen ze aan moeders schoot haar avondgebed opzei; van moeders lippen in den wonderen eenvoud van het bijbelsch verhaal, de woorden Gods beluisterde.
Toen had er een weinig leven geritseld in heur hart.
Vonkskens der liefde Christi hadden er gegloord. De adem des Geestes had er de snaren bewogen. Tenminste ... dat méénde ze ... Andere dagen waren gevolgd. Weken van onrust. Maanden van strijd. Jaren eindelijk, van ongeloof!
Schoone geestesgaven, sierden haar. In dat opzicht leek ze niets op haar eenvoudig-denkende, gewoon-ontwikkelde moeder, maar was ze 't evenbeeld van haar genialen vader, die uit de dorpspastorie binnen vijf jaren eerst naar de stad en toen naar den katheder geroepen was.
Ze had kennis en wetenschap ingedronken als water. Wat binnen menschelijke waarneming ligt, ze dorstte er naar, om het na te vorschen. En zóo had ze ook van den gifbeker des ongeloofs geproefd, gedronken en de lieflijk ontluikende bloemen des geloofs waren verschrompeld, verdord !
En haar vader zélve had haar den doodenden drank geschonken!
Uit zijn boeken had ze geleerd Gods Woord te versnijden en te oordeelen naar het aanwijzen der weegschaal van haar eigen verstand.
Zijn lessen hadden de gedachte aan „verzoenniig" door het „bloed van Christus" uit haar ziel gebrand, 't Zou zijn zuivering, reiniging, zelfvolmaking, evolutie van deugd tot deugd.
Zijn gesprekken hadden haar getraind in 't gebruik van alle wapenen, die in het tuighuis der moderne levenswijsheid worden bewaard.
En bij dat alles had ze gemeend, vrede te hebbon.
Niet den naïeven vrede der onwetendheid aan den schoot harer moeder. Maar den vrede der filosofie, de weet, niet verder te kunnen en in het onmogelijke berust. ..
Tot ze, thans, kwam te liggen aan den oever der eeuwigheid. De golven des doods omspoelen haar lijf en doen reeds verkillen haar gebeente. Eenige uren, oogenblikken wellicht en de vloedgolf, wier last het is, haar van de kusten des tijds weg te sleuren, zal ze optillen en slingeren in dien grooten, donkeren, eindeloozen oceaan der eeuwigheid ....
Thans zoekt ze 't bij de bespiegelingen van haars vaders wijsbegeerte — maar' tevergeefs. Verterende onrust benauwt haar matte ziel en als wanhopig grijpt ze naar eenig steunsel, bang voor die donkere, zwarte zee.
„O, God! help mij!" fluisteren, haar lippen. huiverend,
Professor De Winter staat er bij. Beeld der smart. Zijn hoop, zijn trots, al wat hij nog mint op aarde, ontglipt hem en al zijn tegenhouden is ijdel! De wateren der eeuwigheid bruisen hem 'n spotlied der onmacht in het oor; bespatten hem met hun schuim, hem tergend tot den tóch vergeefschen kamp!
„Vader ... ik kan niet sterven ... troost mij !" kreunt de kranke.
Professor De Winter zwijgt. Waarmede zou hij troosten.....
En in de ziel der kranke gaat de bange strijd voort. Even een weinig kalmte, als het ruischt in haar hart:
Kent gij, kent gij dien Jezus niet, Die om ons te redden den hemel verliet? . ..
Muziek harer kinderjaren, met moeder gezongen in stille schemering. Maar dan lacht er de duivel zijn helscben spot weer doorheen en haar angstig oog zoekt den vader, die dit alles immers onzin heette?
Een benauwdheid komt over haar. Haar vader en de verpleegster schieten toe. De wateren om haar heen lekken begeerig naar hun buit. ..
Weer wordt haar lichaam een weinig verademing gegund, maar de krachten vlieden. En de strijd in haar ziel neemt toe.
„Vader!..." zegt ze zacht-smeekend.
De professor buigt zich over 't uitgeteerde gelaat: „Wel, lieveling? "
„Vader.... ik moet sterven .... bedrieg mij niet.... zal ik heengaan in uw ongeloof.... of zal ik 't zoeken bij 't geloof van moeder....? "
Met den doodsangst van 't afgejaagde hert in het oog staart ze haar vader aan.
De professor opent twee-, driemaal den mond en wil spreken. Maar de drogredenen zijner filosofie — hij kan ze ditmaal niet over de lippen wringen.
Het is zijn kind. En dat kind glijdt wegnaar de eeuwigheid!
En eindelijk, eer hij 't weet of wil, komt het snel, als een zware snik over z'n lippen:
„Kind! zoek het dan bij het geloof van je moeder!... "
Langzaam komt de kranke van strijd tot vrede.
Boven dien donkeren oceaan licht eerst 'n sterre en straalt in heur oog. Het licht neemt toe en stroomt in de ziele, waar de vensteren na jaren van moedwillige sluiting, weer opengaan.
De wateren der eeuwigheid verheffen zich, maar engelenzang overstemt het getier der baren.
Ze verheffen zich; ze gaan hooger; ze omspoelen haar geheel; ze lichten haar op en ze voeren haar mee en Hermina de Winter glijdt weg van den uitersten oever des tijdelijken levens , ... in den oceaan der eeuwigheid .... In de armen van Jezus!
Zw. '
P. BR.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 mei 1910
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's