De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

7 minuten leestijd

Hoe moet de Kerk worden geregeerd? VIII.

Zoowel de 1ste Nederlandsche Geref. Kerkeordening van de Synode van Embden, in het jaar 1571 opgesteld, als de volgende Kerke-ordeningen van Dordt in 1574 èn '78, van Middelburg in 1581, van 's Gravenhage in 1586 en van Dordt in 1618—'19, spreken allen in dezen geest.

„ Vierderlei kerkelijke samenkomsten zullen onderhouden worden: de Kerkeraad, de Classicale Vergadering, de particuliere (of Provinciale) Synode en de Generale of Nationale Synode." Art. 29 Dordtsche Kerke-orde.

„In deze samenkomsten zullen geen andere, dan kerkelijke zaken en dezelve op kerkelijke wijze verhandeld worden. In meerdere vergaderingen zal men niet handelen, dan 't geen in mindere niet heeft afgehandeld kunnen worden, of dat tot de Kerken der meerdere vergadering in 't gemeen behoort." Art. 30 D. K.

„ Die tot de samenkomsten afgezonden worden, zullen hunne credentiebrieven en instruction, onderteekend zijnde van degenen die ze zenden, medebrengen, en déze zullen alleen keurstemmen hebben", art. 33 D. K.

„Het ambt van Praeses zal een einde nemen, wanneer de samenkomst uit elkander gaat." Art. 35 D.K.

„De Classicale vergaderingen zullen bestaan uït genabuurde Kerken, dewelke elk een Dienaar en een Ouderling daarhenen met behoorlijke credentie afvaardigen zullen; in welke samenkomsten de Dienaars bij beurte, of anderzins die van dezelve vergadering verkoren wordt, presideeren zullen, zóo nochtans, dat dezelfde tweemaal achtereen niet zal mogen verkozen worden.

Voorts zal de Praeses onder anderen een iegelijk afvragen, of zij in hunne Kerken hunne Kerkeraadsvergadering houden; of de kerkelijke discipline geoefend wordt; of de armen en scholen bezorgd worden; ten laatste, of er iets is, waarin zij het oordeel en de hulp der Classe tot rechte instelling hunner Kerk behoeven." Art. 41 D. K.

„Ook zal de Classe eenige harer Dienaren, ten minste twee, van de oudste, ervarenste, en geschiktste, autoriseeren, om in alle Kerken, van de steden zoowel als van het platteland, alle jaar visitatie te doen, en toe te zien, of de Leeraars, Kerkeraden en Schoolmeesters hun ambt getrouwelijk waarnemen, bij de zuiverheid der leer verblijven, de aangenomene orde in alles onderhouden en de stichting der gemeente, mitsgaders der jonge jeugd, naar behooren, zooveel hun mogelijk is, met woorden en werken bevorderen; enz." Art. 44 D. K.

„Alle jaren (tenzij dat de nood een korteren tijd vereischte) zullen eenige genabuurde Classen, vier of vijf of meer in getal, samenkomen, tot welke Particuliere Synode uit iedere Classis twee Dienaren en twee Ouderlingen zullen worden afgevaardigd." Art. 47 D. K.

„ledere Synode zal' ook eenigen deputeeren, om alles wat de Synode geordonneerd heeft, te verrichten bij de respectieve Classen, onder haar ressorteerend — en in voorvallende zwarigheden aan de Classen de hand te bieden (waarbij voor de onderscheidene belangen zooveel mogelijk afzonderlijke groepen-van deputaten te benoemen zijn, en om, althans ten getale van twee of drie, over alle peremptoire examens der aankomende predikanten te staan.) En alle deze deputaten zullen van alle hunne handelingen goede notitie houden, om de Synode rapport te doen, en zoo het geëischt wordt, redenen te geven.

Ook zullen zij niet ontslagen wezen van hunnen dienst vóór en aleer de Synode zelve hen daarvan ontslaat." Art. 49 D. K.

„De Nationale Synode zal gewoonlijk alledrie jaren ééns gehouden worden, tenzij er eenige dringende nood ware, om den tijd korter te nemen.

Tot deze zullen twee Dienaren en twee Ouderlingen uit elke Particuliere Synode afgezonden worden." Art. 50 D. K.

Dat zijn de lijnen van het Gereformeerd Kerkrecht — waarmee dan in strijd is, wat wij telkens hooren en zien van onze tegenwoordige Synodale organisatie, dagteekenend van het jaar 1816.

Want ja, oogenschijnlijk is de Kerkeraad, de regeering der plaatselijke gemeente, ook nu, onder de Synodale organisatie van 1816, vrij en onafhankelijk in het spreken en handelen.

Maar hoewel de plaatselijke Gemeente, ook onder de Synodale organisatie van 1816, volgens het beginsel van de Presbyteriale Kerk door hare eigene ambtsdragers wordt bestuurd, waaraan zéér zeker tal van voordeden nog gebleven zijn aan de Gemeente, zoo wordt de vrijheid van den Kerkeraad door allerlei bepalingen véél te veel gebonden en afgeknot.

Want zoodra gaat de Kerkeraad doen wat naar Gods Woord Zijn heilige en dure roeping , is, of hij stoot aanstonds tegen het opvolgend bestuurslichaam, dat dreigend den vinger opsteekt en zegt: ho! ho! — uit hoor!

Om een voorbeeld te noemen: in een Gemeente waar een Gereformeerde prediking is en een Kerkeraad van Gereformeerde belijdenis, is ook een „modern" man, die zijn moderne gevoelens niet onder stoelen en banken steekt.

Hij komt niet onder de bediening des Woords, hij zendt zijn kinderen niet ter catechisatie bij den plaatselijken leeraar, hij laat zijn kinderen ergens elders doopen; zijn kinderen gaan in een andere gemeente belijdenis des geloofs afleggen enz. . . . dan staat de Gereformeerde Kerkeraad der gemeente waar die moderne man woont tegenover dit alles machteloos.

Want bij alles wat de Kerkeraad zou doen (hoewel er in héél veel gevallen méér gedaan zou kunnen worden, dan men dikwijls meent dat mogelijk is!) komt de Kerkeraad aanstonds in botsing met het Classicaal Bestuur, dat den Kerkeraad in eigen kring geheel vrij moet laten wanneer hij in eigen kring overeenkomstig de Geref. belijdenisschriften wil handelen, maar dat den Kerkeraad óok aanstonds moet wijzen, dat er voor menschen, die afwijken van de Geref. leer buiten eigen gemeente allerlei deuren openstaan om in de gemeente in te komen.

En wee! wanneer de Kerkeraad die open deuren zou willen sluiten, dan treedt hij aanstonds op terrein van een anderen Kerkeraad en dat mag niet.

Waren dus alle Kerkeraden van Geref. belijdenis, dan zou het nog wel gaan met die buitensporigheden die nu buiten eigen gemeente kunnen bedreven worden door gemeenteleden.

Nu staat men machteloos, als er maar een Kerkeraad gevonden wordt die de menschen, die van de Herv. belijdenis afwijken, willen te hulp komen.

Evenwel — ook al heeft men geen Kerkeraad, die de menschen in hun buitensporigheden wil te hulp komen, wanneer deze kennelijk afwijken van de Geref. belijdenis en van de Geref. levenswijze — toch zou het, al waren al de Kerkeraden van goeden wil, nog niet in orde zijn, wanneer zich in eigen kring een moeilijkheid in zake belijdenis voordeed.

Want stel: een modern mensch wordt om zijn kettersche leeringen, waarin hij hardnekkig volhardt, door zijn Kerkeraad, na vele onderrichtingen en vermaningen, gecensureerd.

Dan beroept deze zich (hij kan dat althans doen) op de Classis. Dat is zijn recht.

„Zoo iemand zich beklaagt door de uitspraak der mindere vergadering verongelijkt te zijn, die zal zich op een meerdere kerkelijke vergadering mogen beroepen" zegt art. 31 van de Dortsche Kerkeorde.

Hooger beroep in zake tuchtoefening moet er dus zijn en blijven. Maar dan komt ook nu de moeilijkheid.

Want het beroep op een meerdere vergadering is er. Maar de meerdere vergadering (de Classicale vergadering, waar meerdere Kerken samenkomen) mist onder de tegenwoordige Kerkeorde (van 1816) de bevoegdheid om tuchtzaken te behandelen.

De Vergadering mag stemmen voor bestuursleden in de verschillende colleges.

En het Classicaal Bestuur heeft dan het recht, om, wat aan de Vergadering der Kerken toekomt, in tuchtzaken te oordeelen, handelend naar . . . het Kerkelijk Reglement!

Dus: een macht, die naar Gods Woord niet bestaan mag (want het is een macht buiten de ambtsdragers, die dienaren Christi zijn) heeft de tuchtoefening in handen — wat ongehoord is.

Zij hebben als Bestuurscollege het recht niet om zich op de plaats te stellen waar de Gemeenten samengeroepen zijn om handelend op te treden.

De Gemeenten, de ambtsdragers mogen ook hun macht niet overdragen aan mannen, die aan de Classicale vergadering geen verantwoording schuldig zijn.

Dat is het werk, door Christus hun toebetrouwd, trouweloos loslaten en verwaarloozen.

En daarom: van een beroep op een meerdere vergadering is onder de tegenwoordige Kerkorde van 1816 geen sprake.

Men heeft den mond van de meerdere vergadering gestopt; zij kan en mag niet spreken.

Zij bestaat eenvoudig niet in zake tuchtoefening. En dat, waar art. 41 en art. 44 van de Dordtsche Kerkeorde zoo duidelijk spreekt, dat de Classicale Vergadering steeds in zake „Kerkelijke Discipline" zich van haar roeping moet bewust zijn en daarin steeds moet bezig zijn!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's