Stichtelijke overdenking.
En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart. Hand. 2:27a.
Verslagen in het hart.
't Hart van ons, menschen is een wereld apart. O zeker, 't is maar klein, dat menschelijke hart, en toch, 't bevat zooveel ruimte, er is plaats in voor ouders, kinderen, vrienden en vele van onze evenmenschen, ook voor duizend begeerten en plannen, en dan is er nog zulk een groot aantal schuilhoeken, waar we niemand toelaten en waarin we zelf ook niet immer den moed hebben binnen te treden.
't Is een van de wonderlijkste scheppingen Gods, ons hart. Nog steeds staan de groote psychologen er voor stil als een der meest belangwekkende raadselen, herhalende het woord des grooten profeten, zij het ook met andere bedoeling: „Wie zal het kennen? "
Waar alles, sedert den val en de ongehoorzaamheid van Adam en Eva in het paradijs, alles wat bij en in ons is, bedorven werd, daar is ook het echte schoone van ons hart af. We hebben het beeld Gods verloren; Iets dat waarlijk goed is, is in ons niet meer te vinden, 't Is alles leelijk en afschuwelijk wat in ons omgaat. We moeten instemmen met wat de Heidelbergsche Catechismus er van verklaart: „We zijn van nature geneigd God en onzen naaste te haten." Wanneer men langs een sloot wandelt, krijgt men soms den indruk, alsof die sloot rein en zindelijk is, doch ga heen en roer er in, en ge merkt wat er op den bodem verborgen ligt; zoo ook ons hart, men zou er niet immer aan zeggen, dat we in onzen stamvader Adam zoo diep vielen en aan onzen God en Zijne geboden zoo ontzettend ver ontzonken, doch laat de verborgen roerselen in den mensch gaande worden, en ge ijst er van en vraagt u af: Heet dat nu mensch? Was eens de mensch de kroon der schepping? Waar is zijn heerlijkheid gebleven? Wee nu onzer, de kroon is van ons hoofd gevallen.
't Is zoo naar waarheid, wat er in de Schrift, die we mede wel zouden kunnen noemen het boek van menschenkeunis, te lezen staat: De Heere heeft uit den hemel nedergezien op de menschenkiuderen, om te zien of ïemand verstandig ware, die God zocht. Zij zijn allen afgeweken, tezamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet één." En ook wat er elders van ons hart te lezen staat: Arglistig is het hart, meer dan éénig ding, ja doodelijk is het." En ook wat de Heiland zelf er van getuigde: Van binnen uit het hart des menschen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen, dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hoovaardij, onverstand. Al deze dingen komen voort van binnen en ontreinigen den mensch." (Markus 7:21—23). 't Zijn vreeselijke uitspraken. Wie kan er met redelijke gronden iets tegen inbrengen? 't Is wat, door God den Heere goed - en naar Zijn evenbeeld geschapen te zijn, en dan door eigen schuld zulke misvormde wezens geworden! De zonde bracht bittere gevolgen mee.
Wanneer God de Heere een gevallen Adamskind tot bekeering brengt, geeft de Heere hem een verslagen hart. De Heere maakt hem nl. verslagen over zijn toestand, over de ellende en den diepen val, waarin de zonde hem neergeworpen heeft.
Dit werk verricht God drieéénig door den Heiligen Geest. De derde Persoon verbreekt, verbrijzelt, verslaat het hart. 't Is waar, de Heere werkt middellijk, en wel door middel van het Woord, doch de hartverbrekende genade zelf brengt God de Heilige Geest. Zoo kwam het ook, dat op den Pinksterdag niet allen door de prediking der apostelen tot bekeering kwamen. Alleen zij vroegen naar den weg des levens, die van eeuwigheid uitverkoren waren ten eeuwigen leven en die van den Heiligen Geest ontvingen de verslagenheid in het hart. Niet de middelen zelf, doch de Geest, gebruikende de middelen, brengt menschen tot verandering.
Men kan dit zoo duidelijk hieraan merken, dat niet alle kinderen Gods door sterke middelen tot bekeering kwamen, doch soms door flauwe en zwakke middelen, terwijl de sterke middelen langen tijd geen invloed op hen hadden, en dat de meest begaafde leeraars niet steeds den meesten zegen op hun werk ontvangen. Bekeeren is Gods werk. Paulus plant, Apollos maakt nat, doch de Heere bestiert den geestelijken ontwikkelingsgang, en, als 't stondetje der minne gekomen is, dan komt de Heere ook.
Zoo is 't dan een gansch onbijbelsche leer, wanneer men verkondigt, dat de mensch een vrijen wil heeft, en dat hij zich bekeeren kan, wanneer het hem goeddunkt, en niet wanneer 't Gode goeddunkt, of ook dat God wat aan het werk der' bekeering doet, en de mensch ook wat. 't Is alles 's Heeren werk. Vleesch zal voor Gods aangezicht nimmer roemen, doch alle uitverkorenen zullen van vrije genade leeren spreken, en 't als een wonderwerk van God almachtig leeren beschouwen, dat ze hun eigen zonde en Gods ongehoudene ontfermingen in Christus leerden kennen, beminnen en aanbidden; immers van nature zijn we vijanden van God en Christus, terwijl we met den rug naar den hemel en het aangezicht naar de hel staan, zoolang tot de Geest met onwederstandelijke genade ons opzoekt, en omkeert, zoodat we met alle Gods kinderen leeren belijden: Heere, Gij zijt mij te sterk geworden. Gij hebt mij overreed en overmocht.
Verslagenen van hart leerden zich zelf en hunne zouden en Gods heilig recht kennen, maar leeren zich zelf ook zalig te verzinken en te verdrinken in de onpeilbare zee van Jezus' liefde en genade, en de Heilige Geest begint in hunne harten te getuigen dat ze kinderen Gods. zijn.
Een verslagene wordt een zondaar, 't Is waar, wij zijn reeds vanaf ontvangenis en geboorte zondaars, doch we weten het niet allen.; onze oogen zijn - er van nature blind voor. Als de Heere echter in onze harten gaat werken, worden onze oogen geopend en naar binnen gekeerd, en komen we tot de verbrekende, verbrijzelende ontdekking, verslagen makende, in het stof werpende wetenschap, dat we zondaars zijn.
Een verslagene houdt op, een Farizeër te zijn. 't Is niet meer met den Farizeër: „Wat ben ik toch dankbaar, dat ik beter ben dan andere menschen", doch met den tollenaar: „O God, wees mij zondaar genadig!" Daarom achtte Paulus zich zelf den geringsten der apostelen en den voornaamsten der zondaars.
Een verslagene moet zich zelf aanklagen bij den hoogsten Rechter, 't Wordt met David: „Tegen U, U alleen heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad is in Uwe oogen".
Een verslagene vindt geen pleitgrond in zich zelf, doch alleen in de borgtochtelijke gerechtigheid van den Heere Jezus Christus. Gelijk dan ook Noach's duive geen rust vond voor het hol van haren voet en wederkeerde naar het venster in de ark, zoo ook vindt de ontdekte zondaar slechts rust bij Christus, breidt de vleugelen des gebeds uit, en snelt met zijn verslagen hart naar Christus' liefdevol Middelaarshart, vindt vrede in het bloed des kruises, en wordt verzoend met God, tegen Wien hij gezondigd heeft. Daarom ook, - op den Pinksterdag, zeiden de verslagenen van hart tot Petrus en de andere apostelen: „Wat zullen wij doen, mannen broeders? ", en gaf Petrus hun ten antwoord: „Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen."
Een verslagene alzoo is een arm, ellendig mensch, een bedelaar aan Christus'voeten; doch hij is ook een rijk, gelukkig mensch; rijk immers in Christus, die hem alles is. En is hij dan hier op aarde niet zonder strijd, aanvechting en verdriet, straks is hij in het land der blijde ruste, waar hij zijn God zal groot maken tot in alle eeuwigheid.
Gaf God u reeds, lezers, medereizigers naar de eeuwigheid, een gebroken en verbrijzeld hart? Hebt gij er den Heere reeds om gevraagd? Dat ge 't toch gelooven wilt: De Heere is machtig en gewillig het u te geven in Christus, Zijnen lieven Zoon, tot roem Zijner vrije genade!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's