De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

6 minuten leestijd

Venijnig.

Nog altoos worden onder ons mannen gevonden — en helaas! zij zijn niet weinigen — die, al gaan zij niet in alles mede met wat de vrijzinnigheid wil, toch in de practijk het liberalisme nog zoo kwaad niet vinden.

De gedachte aan vrijheid en de zucht naar verdraagzaamheid, een tweetal levensuitingen, om maar niet meerderen te noemen, die de liberalen zeggen voor te staan, vinden ze alleszins sympathiek.

Toeh mag aan hen, die zoo denken, wel eens gevraagd worden, of zij werkelijk wel het beginsel der vrijzinnigheid kennen.

Natuurlijk kan daarbij de liberaal, gelijk deze zich in onzen tijd aandient, niet in alle opzichten tot voorbeeld genomen worden; immers de liberaal, die weet dat het met zijne heerschappij uit is, is een gansch ander mensch dan die, welke vrijelijk zijn vaandel kan ontplooien.

Onze voortrekkers tusschen de vijftiger en tachtiger jaren hebben dien vrijheidszin en die verdraagzaamheid van de vrijzinnigheid aan den lijve gevoeld, toen zij het juk der dienstbaarheid in die jaren hadden te torsen en om des beginsels wille als het niet-denkend deel der natie werden gesmaad en verguisd.

Neen, wil men de vrijzinnigheid in hare ware gedaante leeren kennen, dan moet men op dit oogenblik niet hier te lande, maar in Indië zijn, alwaar het liberalisme nog op den troon zit en de mannen van het hooge fatsoen er prat op gaan zich hberaal te noemen.

Het half-maandelijksch tijdschrift „Insulinde", " orgaan van de vereeniging van gelijken naam, gaf in zijn - nummer van 16 April, welk nummer zoo juist ons door de mail toekwam, een treffend staaltje van verdraagzaamheid en eerbied voor anderer godsdienstige overtuiging, en waarin een grofheid en vuile spotternij voorkomt, als wij in geen jaren onder de oogen hebben gehad.

Een recht-venijnig woordje, dat alle perken van de welvoegelijkheid te buiten gaat, wordt in de „Sprokkels" van dit tijdschrift aan de „Christelijke Jonchelinchen", gelijk deze schamper worden genoemd, gewijd.

Hoe de schrijver zich den Christelijken jongeling voorstelt, zegt hij in deze woorden:

»De woorden: Christelijke jongeling deden me altijd denken aan een ietwat mager jongmensch, met zalvenden oogopslag, een vijand der zonde en meer speciaal van den duivel Alcohol, iemand die-uiterst vijandig is tegenover wereldsche vermaken, en al-maar-door in zichzelven mompelt:

Welzalig hij, die in der boozen raad Niet wandelt, noch op't pad der zondaars staat.

Schrijver gaat dan voort om de geheele Christelijke jongelingschap met een paar verkeerde elementen onder de jongelingen over één kam te scheren, van welke laatsten het ten slotte heet:

»En komt men later te leven in een Christelijke aëra, wel, dan begint men te getuigen op hoop van zegen; er is allicht »winste« mee te behalen.

«Lieden, die altijd liederlijk den beest uithingen, die je gekend hebt als dronkaards, scharrelaars en zwijnjakken, vertellen je op een goeden dag met zalvenden glimlach, dat ze geroepen zijn, dat ze nu tot de uitverkorenen behooren.

»En dan zie je ze later met hoopen bij elkaar zitten, psalmen blèren, hetgeen een zeer onaesthetische bezigheid is, waar het meestal doet denken aan het gejammer van een schorre water-en-vuur-vrouw met een verstopten neus.

»Ja, 't is me voor't grootste deel een onguur zoodje!«

Wij zullen aan dit laatdunkend, goddeloos schrijven niets meer toevoegen.

De toon, dien we hier vernemen, is er een, die in het verleden der vrijzinnigheid meermalen gehoord werd en welke voorzeker nog niet is uitgestorven. Het is de geest der revolutie, die zich in vijandschap jegens God komt te uiten en voor wien zelfs het heilige niet te hoog staat om daarmede gruwelijken spot te bedrijven.

Groen van Prinsterer heeft daarvan reeds geprofeteerd, toen hij eens schreef: „Elke vrijzinnige richting ontspruit uit dat vrijgemaakt zijn van hooger beginsel, hetwelk, in eigenaardige ontwikkeling, anti-Christelijk is niet alleen, maar uitloopt op ongodisterij."

En zoo is het.

Een groot verlies.

Een der bekwaamste bewindslieden uit het Kabinet, de Minister van Justitie Mr. Nelissen, heeft uithoofde van gezondheidsredenen zijn ambt neergelegd.

Niet alleen is het heengaan van dezen Minister een gevoelige slag voor het Ministerie, " maar ook voor het land is zijn aftreden een groot verlies.

Eenstemmig is heel de pers van oordeel, dat met Mr. Nelissen een man is heengegaan, die veler sympathie bezat.

Het Vrijzinnig-Democratisch dagblad „Land en Volk", dat anders niet gewoon is den lof van eenig Minister uit te bazuinen, verklaarde het aftreden van den Minister te betreuren, van den man, die voortreffelijke eigenschappen paarde aan een hoog karakter, aan bescheiden eenvoud en treffende waarheidsliefde.

En zeker is die lof verdiend.

Minister Nelissen was geen alledaagsch man. Nauwgezet en met grooten ijver heeft hij zich van zijn taak gekweten en als Minister in een Rechtsch Kabinet, al datgene gedaan, wat kon medewerken om op wetgevend terrein op de Christelijke grondslagen van ons volksleven voort te bouwen.

We herinneren slechts aan het wetsontwerp tot bestrijding der zedeloosheid, en aan dat betrekking hebbende op aanvulling van bepalingen betreffende de echtscheiding. Een tweetal ontwerpen, die onze algeheele instemming hebben.

In Mr. Nelissen bewonderden wij steeds den krachtigen strijder in 's Lands Raadzaal tegen de Neo-Malthusiaansche leer en den man, die ten allen tijde opkwam voor een hoog zedelijk leven van ons volk.

In al dien arbeid heeft de afgetreden Minister ons volk aan zich verplicht.

Een gulle bekentenis.

De heer Roodhuijzen, de bekende afgevaardigde van Brielle, heeft in de algemeene vergadering van de Utrechtsche Vrijzinnige Studie-en Propaganda-club gesproken over „Vrijheid."

Naar de Nieuwe Rotterdamsche Courant meedeelt, moet in de rede van den afgevaardigde ook het onderwijs een punt van bespreking hebben uitgemaakt.

Daarvan zeide de spreker volgens het verslag van die courant:

«Een zwak punt van de liberale politiek van toen (de dagen van Thorbecke) betreft het onderwijsvraagstuk. Het is een fout geweest van de liberale leiders, dat ze niet ingezien hebben, dat aan een deel van het volk het openbaar onderwijs geen bevrediging kon schenken. Als we nu onder kerkelijken dwang zitten, moeten we erkennen, dat we niet zonder schuld zijn.»

We danken den heer Roodhuyzen voor die gulle bekentenis, die wel meer gehoord werd, maar nog weinig zoo onomwonden werd uitgesproken. Hoe geheel anders klinken deze woorden vergeleken bij die, welke Mr. van Houten op 1 Februari 1905 in de Eerste Kamer uitsprak, waar hij Minister Kuyper toevoegde:

«Wanneer gij aan de bijzondere scholen te veel geld geeft, en wij worden weer heer en meester, dan zullen wij u uw vrijheid weer afnemen.»

Vergeten wij niet, ook bij de gulle bekentenis van den heer Roodhuijzen, dat er nog altijd tal van palstaanders voor het openbaar onderwijs zijn, voor wie het gelijk recht van de bijzondere school met de openbare altijd nog een doorn in het oog is.

Intusschen wij nemen gaarne acte van de woorden van den Brielschen afgevaardigde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's