De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

Doch gijlieden zijt niet in het vleesch, maar in den Geest, zoo anders de Geest Gods in u woont. Maar zoo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe. Rom. 8:9.

Christus en Zijn Geest.

De Ronieiner brief is geroemd; het 8e hoofdstuk bizonder geprezen. En zoo men met recht Jes. 53 als „gulden lijdensboekje" mocht betitelen, dan mag men, ook met recht, Rom. 8 wel het gulden jubileumboek noemen.

Grond voor Christelijke-blijdschap, Christens roem en sterkte, ja, wat meer is, Christus heerlijkheid en de vruchten van Zijn werk staan er zoo schoon in beschreven, zoo overweldigend schoon, dat ik mij verstout en vraag aan de wijzen van Oosten en Westen: legt gij eens de schoonste gedeelten uit uwe boeken er naast, laat ons saam ernstig, als zondaren, ze lezen en dan ... wel, dan dunkt me, dat oude wijsheid en nieuwe en alle wijsheid des vleesches, moest zwijgen en alle mannen moesten zeggen: Een hoofdstuk als Rom. 8 hebben we niet. —

Hier is Gods wijsheid aan 't woord, die een monument opricht tot vertoosting voor een arm volk, dat door de wereld heen naar Jeruzalem trekt en over de puinhoopen dezer orde der dingen, naar den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont. —

Dit hoofdstuk plaatst ons telkens voor levensvragen. „Zoo is er dan geene verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn". — Ben ik wel in Christus Jezus? Want anders is voor mij wel eeuwige veroordeeling wel verdoemenis. —

„Die niet wandelen naar het vleesch, maar wandelen naar den Geest". Wat is mijn wandel? Wat is mijn drijfkracht? In welke lijn ga ik? Wat is mijn richtsnoer?

„Want de wet des Geestes des levens in Chr. Jezus heeft mij vrijgemaakt " Mij ook ? En niet alleen anderen ? En ik gevoel mij zoo gebonden. Mij ook?

't Is een heerlijk, 't is een ernstig hoofdstuk.

„Die in het vleesch zijn kunnen Gode niet behagen". .Aan Gods behagen hangt toch alles. En dat welbehagen rust immers in Eénen en kan in geenen anderen zijn, dan den Verbonds Middelaar, zoodat, tenzij ik in Christus ben, ook ik in dat goed behagen des Heeren niet deelen kan; dan in Zijne ongunst, in Zijnen heiligen toorn. Ai mijner, als ik dan zelfs geen schaduw meer heb om er mij in weg te schuilen! Tenzij wij in Christus zijn, kunnen noch onze personen, noch onze handelingen Gode welaangenaam zijn. „Doch gijlieden zijt niet in het vleesch, maar in den Geest, zoo anders de Geest Gods in u woont. Maar zoo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe".

Daarin spreekt God vonnis uit. Dat woord gaat mij en alle volk aan, zeggen we terecht. Wij mochten, als nabetrachtingswoord op Pinksteren, daarmee wel naar Boven en naar binnen gaan. 't Rechte gezicht op ons zelven ontbreekt ons zoo vaak, of nog geheel. En dewijl in de diepten der helle de raadslag is gesmeed om vooral op deze twee zaken aan te sturen onder de menschen, n. 1. om de goddeloozen te doen gelooven, dat ze toch godzalig zijn, en de godzaligen, dat ze toch verworpen zijn, daarom is zoo strikt noodig, dat de Heere ons leere het kostelijke en het snoode wel te onderscheiden in 't algemeen, en te onderkennen in eigen hart bizonder. — Op 't goud moet de keur staan; niet die van menschen; doch op 't hemelsch goud, de keur Gods.

't Eerste gedeelte van vers 9 is tot vertroosting neergeschreven; 't tweede lid, opdat vermetelheid hoore, dat een ijdele gevolgtrekking uit en valsche toepassing van de troost van 't eerste deel, niet geraden is.

Aan een oprecht volk wordt gezegd: Heb goeden moed! aan een vermetele menigte wordt toegeroepen; voorzichtig, voorzichtig! .

Tot een mensch, in wien de Heere Zijne vreeze plant en bij wien Hij de ware behoefte wekt om tegen zonde genade, tegen den dood 't leven, tegen haat liefde te mogen zien komen tot heerschappij in eigen harte, zegt Satan telkens: in U is allerlei, vleeschelijke verdorvenheid, 't is met u niet beter geworden en dringt aan om maar eene haastige gevolgtrekking te doen nemen en te zeggen: Gij zijt in het vleesch; daar komt van u niets terecht.

Staat in zoo'n toestand 't kruis van Christus in de schaduw, en is er dus geen gezicht op de rechtvaardigmaking des zondaars voor den Heere, dan geeft zoo'n mensch vaak tot diepe moedeloosheid aan de overleggingen des Satans en des vleesches toe (ook hoort hij vaak naar de stemme van het dwalend geweten!) en wordt een valsch getuige tegen de genade, werpt zijne vrijmoedigheid weg en zit neder in neerslachtigheid en 't duurt niet lang of hij raakt in achterdocht tegen den Heere, tegen zichzelven en tegen andere menschen.

Nu is daar Gods oordeel. Gij zijt niet in het vleesch, al is het, dat gij vleeschelijk zijt, d. w. z. dat in u zijn de werkingen der zinnelijke verdorvenheid uwer natuur. Paulus zegt wel, dat hij vleeschelijk is, verkocht onder de zonde, doch geen Christenmensch gelooft, dat Paulus „in het vleesch" was. Het vleesch begeert tegen den Geest, en de Geest tégen het vleesch. Als ik het "goede wil (dat wil hij, door genade!) dan ligt het kwade mij bij. — 't Is toch voorjaar, al is het weer herfstachtig.

Wel werkt de oude wortel (Adam) in u, maar, dat gij dit tot zielssmart gevoelt, en u verdrietig rnaakt en verootmoedigt voor God, is bewijs, dat gij leeft uit Christus en alzoo niet in het vleesch zijt, al werkt de zondige gesteldheid in u.

En hoe wist Paulus dat van de Romeinen, die hij nimmer had ontmoet? Uit de bewijzen der hemelsche roeping en allerlei vrucht des Geestes. Zijn oordeel was het oordeel der liefde; het beginsel van de waarheid, waarin hij Gods oordeel uitsprak, werd in den weg des geloofs particulier toegeëigend door de bizondere leden der gemeente. De regel: „Uit hunne vruchten zult gij-ze kennen" geldt voor dat oordeel der liefde over anderen. En nu omschrijft Paulus dit en geeft zelf, voor wat hij zeide, den naderen grond aan, als hij zegt: zoo anders de Geest God in u woont". Dat is het merk. De Geest woont in u en als dit zoo is — dan zijt gij door die inwoning gewis, dat gij niet in 't vleesch, maar in den Geest zijt.

Die inwoning is in vele opzichten onderscheiden van de mededeeling van allerlei gaven. Bij 't laatste wordt het hart niet bekeerd en tot God toegekeerd in genegenheid; bij 't eerste wel; bij de laatste wordt de mensch groot, bij de eerste klein.

„Het huis met bezemen gekeerd en versierd" of door ontdekkende genade, naar 't welbehagen Gods, geleid te worden in eigen ellende, langs den weg der boetvaardigheid tot de zaligheid, die in Christus is, is zoo grootelijks onderscheiden.

'k Spreek daarvan niet breeder. Alleen breng ik u onder de aandacht, dat Zijne inwoning vernieuwt, 't harte ontsteekt en den wille buigt en ons mishagen aan ons zelven geeft, „en ons voor God verootmoedigt, zoodat we onze reinigmaking en zaligheid buiten ons zelven in Christus Jezus zoeken."

Dat de H. Geest woont in de geroepene heiligen en er niet slechts tijdelijk verblijft, vloeit rechtstreeks uit den aard van 't genade-verbond en Gods natuur alleen, dat Hij niet altijd getuigenis geeft van Zijne inwoning, vooral niet naar den wensch der geloovigen, doet soms verkeerde gevolgtrekkingen maken. Hij woont er toch en van Hem is teedere verzorging, zoodat er weer onuitgesproken verzuchtingen opgaan en Jona zelfs in diepe wateren roept tot God.

Doch die den Geest van Christus niet heeft, (niet heeft als inwoner, niet bezit) komt Hem (n.l. Christus) niet toe. D. w. z. die is niet zijn eigendom en mag zich niet beroemen de Zijne te zijn.

't Heeft schoone leering, dat de apostel hier „den Geest" en „den Geest Gods", - den Geest van Christus noemt. Want wat de  genadige inwoning aangaat van Gods Geest, is' Hij bizonder door Christus verworven, en werd op Zijn gebed uitgezonden.

Maar ook, omdat Hij, als de Geest van Christus tot Christus uitdrijft en met Hem verbindt en der ziele 't voorrecht doet toekomen zich aan Hem te mogen toevertrouwen en Hem te verheerlijken. De Magneet trekt.

Christus en Zijn Geest kunnen niet worden gescheiden.

Gij kunt veel Christelijksch hebben, zonder Christus deelachtig te zijn.

Daarom is het me, alsof de Heere spreekt: Niemand zegge in Rome of in Utrecht, dat hij Christus heeft, indien hij aan de rechte werkingen des H. Geestes geen deel heeft. En Johannes schreef later: „Hieraan kennen wij, dat"wij in Hem blijven en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijnen Geest gegeven heeft".

Wie Christus toebehoort naar Gods verkiezing, was ook Paulus niet bekend; — niet de verborgene raad Gods, doch de geopenbaarde dingen zijn voor ons en voor onze kinderen. — En dan is noodig te zeggen: Beroemt u niet lichtvaardig en op valsche gronden, dat gij Hem toehoort.

Woont daarentegen de H. Geest in uw hart, luistert dan naar Gods verzekering, dat gij niet in 't vleesch zijt. Gods goedertierenheid te miskennen, is nooit voordeelig geweest; Gods genade te bekennen, dient bijzonder tot Zijne eere, tot stichting van de naasten en tot bemoediging van een zwak en moedeloos volk.

Goode preeken, goed gezelschap, ook goede boeken, stille overdenking, ootmoedig gebed zijn van den Heere gebruikt en mildelijk gezegend, om menschen te leeren zeggen „dat ik niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben".

Hem eigen te zijn, dat is de hoogste eer; Hem tot onze bezitting te hebben, het rijkste deel.

En die Zijnen Geest hebben d. w. z. werkzaam en tot werken bekwamend) zullen op den Heere wachten, het Lam volgen, waar Het ook heengaat; zij worden getroost onder smarten, geleerd in 't verborgen en eens verheerlijkt.

't Is een jammerlijke conditie, waarin de wereld verkeert en allen, die van haar zijn!

't Is een heerlijke positie, waarin Gods volk staat en allen, die daaronder behooren!

Laat ons daarom op goede gronden verzekering zoeken, dat wij des Heeren zijn en anderen mede opwekken, om tot de wateren te komen, tot de levende wateren, waarvan Jezus Christus de uitroep door de wereld laat gaan:

„Ik zal den dorstigen geven uit de fontein des levenden waters om niet."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 mei 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 mei 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's