Stemmen en klanken uit den Bond
Uit het dikke boek. II.
Waar het om gaat.
Waar het om gaat.
Na mijn inleiding zal ik trachten allereerst de kwestie zuiver te stellen en te laten zien waar om het gaat.
Het misverstand op theologisch gebied is ontzettend groot en het heeft ook bij Dr. Gunning een niet geringe afmeting aangenomen.
In onze vroeger genoemde correspondentie had Dr. G. beweerd: „gijlieden zijt Coccejanen, en op dit standpunt geven de psalmen ook inderdaad alles wat gij noodig hebt."
In antwoord daarop had ik Dr. G. tot voorzichtigheid gemaand en gezegd, dat er naar mijn bescheiden meening iets heel anders is dat ons in de prediking van elkaar doet gaan.
't Spreekt vanzelf dat ik naar dat „heel andere" zocht bij de bestudeering van zijn boek, maar hoe groot was mijn verbazing en teleurstelling, toen ik zelfs in het dikke pakket aanteekeningen „spoor noch sprake" daarvan vond.
Tot mijn spijt moet ik verklaren, dat Dr. G. wel vaak tot aan de kwestie komt, maar dat het hem niet gelukt is in de kwestie te komen, en hoeveel moeite hij doet om dat „neo-geref." beginsel te formuleeren, het hart van de kwestie heeft hij niet geraakt, de zaak waarom het gaat zelfs met het uiterste zijner vingers niet aangeraakt.
En nu gevoelt men toch wel, als het hem gelukt was ons beginsel, ons levensbeginsel te ontzenuwen, als verkeerd, als gevaarlijk, als onschriftaurlijk aan te wijzen, we waren overwonnen en geslagen en we hadden ons moeten overgeven, — maar nu dit niet het geval is, nu is ook dat groote werk voor ons niet anders dan een totaal mislukte aanslag, en een bespreking over de zaak heen, zonder waarde voor hem die uit de zaak, uit het beginsel, leeft.
Laat ik mij nader verklaren.
Der gereformeerden Schriftbeschouwing, levenservaring en geloofsbelijdenis is één, d. w z. wat wij uit Gods Woord hebben geleerd, in de ervaring des harten beleefd, en in de belijdenis der lippen wordt verkondigd, vormt een geheel. Het één zonder het ander bestaat niet.
Om nu van mezelf alleen even te spreken, toen ik in mijn „ethische periode", voor mijn ambtelijke bediening leefde, dacht ik en sprak ik als Dr. G. Wat was er een „liefde tot den Heer", veelheid van goede werken, vijandschap tegen de leer der verkiezing, liefde voor de gezangen, enz. alles, wat uitmaakt dat „gansch rustig voortleven", zooals wij dat in de ethische kringen aantreffen, en Dr. G. het bespreekt, (bl. 59).
Maar toen God mijn oogen opende voor de treurige oppervlakkigheid en de droeve onwaarheid van zulk een levensbeginsel, toen is, dat spreekt vanzelf, dat eerste leven en denken, voor mij van onwaarde geworden.
Toen heb ik mijn bijbel leeren kennen, en daarin geleerd wat onze vaderen door hun geloofsbelijdenissen als .goddelijke waarheden des harten en des levens in woorden van menschen hebben vertolkt.
Toen leerde ik de waarheid van de leer van onmacht en onwil toestemmen, liefhebben en belijden, toen het leven uit de diepte der Godsopenbaring, de heerlijkheid van de leer der particuliere genade, het wonder van de verkiezing, de genoegzaamheid, gepastheid en heerlijkheid van den Christus — in één woord zoo alles, wat ik wil noemen het levensbeginsel der gereformeerden.
Ons verstand is dan dwaasheid geworden, ons gevoel dwaling en Gods Woord alleen richtsnoer voor alle leer, leven, ervaring en bevinding.
Wij zijn van gisteren en weten niets, maar het is de Geest Gods, die Zijn volk in alle waarheid leidt, en met alle waarheid zegent en zaligt.
Daarom is ons levensbeginsel geen beginsel, dat we stellen naast het remonstrantsche, en als gelijkwaardig daarmede beschouwen, maar een beginsel dat alleen waar is, en alleen beteekenis heeft, en waartegenover het remonstrantsche beginsel (evengoed als het moderne) leugen is, en de leer van de algemeene verzoening bedrog van menschenzielen en de bekende prediking van God wat en wij wat eenvoudig verloochening van Christus' werk voor en in den zondaar.
Van die levenservaring, geloofsovertuiging en Schriftbeschouwing hebben ook onze gereformeerde vaderen in alle geloofsbelijdenissen en formulieren getuigenis afgelegd.
En nu had het een „knap stuk" van Dr. G. geweest, als hij den volke in een dun of-in een dik boek eens aangetoond had, dat dat levensbeginsel der gereformeerden onwaar, onschriftuurlijk en daarom gevaarlijk te noemen is, als hij die richting in haar hoofdbeginsel en eenig levensprincipe had aangevallen, bestreden en de schadelijkheid ervan klaar had uiteengezet.
Maar dat kan hij niet. Dat durft hij ook niét.
Daarvoor is de naam „gereformeerd", en „goed gereformeerd", nog van te veel waarde en te lief aan dezen Dr. in de theologie, en hoewel hij in een eerlijke belijdenis schreef: „ik gevoel mij zoo geheel anders ten opzichte van Schrift en belijdenis, dat wij elkaar niet verstaan kunnen", toch pareert en coquetteert hij in zijn dikke boek aldoor met den naam „gereformeerd", terwijl hij het wezen der zaak niet kent en uit het levensbeginsel niet leeft.
Wat heeft Dr. Gunning in zijn werk gedaan? Onze levenskwestie, onze leerkwestie, onze Schriftkwestie, onze beginselkwestie heeft hij gemaakt tot een — — gezangenkwestie en daardoor heeft hij het gereformeerd levensbeginsel gebagatelliseerd tot een kwestie van den 25sten rang.
En met dat rumoerige gekibbel van 100 jaar lang, met die „gezangenkwestie", komt hij nu tot ons, tot De Lind, „Tot de Wet en tot de Getuigenis", tot 't gereformeerde volk van God, tot de geschiedenis, zelfs tot de Geref. Kerken, en wil hij ons wijs maken dat dat onze kwestie is, en dat het daarom gaat in onzen strijd voor de gereformeerde waarheid.
Neen, Dr. G., zoo dwaas zijn we niet, dat we dat uit uwe hand aannemen. Weet gij, wie dat gelooven, en, wie dat altijd weer beweren? Een zeker soort orthodoxe predikers, die noch remonstrantsch noch confessioneel (d. i. op grond van de belijdenis) zijn, en die uit een soort van concurrentiegeest de gezangenkwestie opblazen, en altijd weer zeggen: „dat zijn van die niet gezangen-zingende dominé's", en altijd weer beweren dat het „om het gezangetje alleen is."
Het is zeer jammer, dat Dr. G. zich te onzaliger ure de tolk heeft laten maken van genoemde predikanten, en een scheeve voorstelling van de zaak voet en grond en steun heeft gegeven.
Want stel nu eens (om met een concreet geval te besluiten) dat Dr. G. en ondergeteekende in ééne gemeente stonden, en dat ik Dr. G.'s liederen opgaf en hij alleen mijn psalmversjes, zou dan de volgende week mijn kerkpubliek het zijne geworden zijn, ' en al wie bij hem kerkt overloopen tot mij?
Niemand gelooft het; Dr. G. zeker niet. Maar dan zit hét 'm ook niet in 't gezang! en dan is er iets anders dat ons scheidt in de prediking, namelijk de beleving uit en de ervaring van en niet de BESCHOUWING OVER de waarheid die naar de Godzaligheid is.
Volgende week zullen we dit aanwijzen uit Dr. G.'s eigen geschriften.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juni 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's