De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stemmen en klanken uit den Bond

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stemmen en klanken uit den Bond

7 minuten leestijd

Uit het dikke boek - III.

„Alles, alles door elkaar."

Het is nog niet zoo lang geleden dat ik op zekeren avond geheel onverwachts en tot mijn groeten schrik viel in een joligen kring, n verjaringsvisite, waar eenige jonge meisjes naar den glans van haar vriendelijke gezichten te oordeelen, een allerboeiendst en interessantst gesprek hadden.Toen ik begrijpelijkerwijze naar de reden informeerde van zooveel pret en gloeiende conversatie, nam een van de meest parmantige 't woord, en zei: „ja, dominé, we hadden 't over de vraag hoé je het best hutspot klaar kunt maken en we zijn tot de conclusie gekomen, dat het recept van de Haagsche kookschool" enz. — een heel verhaal. Al het verdere weet ik niet meer. 't Kwam hierop neer: „alles, alles door elkaar."

't Zal wel in mijn oudeugenden aard liggen, denk ik, maar 't is me toch niet best mogelijk als ik sommige hedendaagsche schrijvers lees, voornamelijk van de z.g. „ethische richting" om dat verhaal van die verjaringsvisite gemakkelijk te vergeten, 't Is soms een wonderlijk mengelmoes van gereformeerde termen, namen, klanken enz., en toch in den grond der zaak spreekt er één richting uit, proeft men er één hoofdsmaak boven uit (als in de hutspot), ziet men er één lijn in en voelt men één gedachtengang, die helaas aan Gods Woord geheel en al vreemd is.

Dr. Gunning is wel een van de meest sprekende voorbeelden in die richting. Laat ik eens een staaltje meedeelen.

Om eerlijk te zijn kies ik een van de meest recente artikelen in „Pniël", getiteld „Gethsemané", en omdat dat onderwerp bekend mag verondersteld worden, kan de ter zake kundige lezer gemakkelijker beoordeelen of ik in mijn beschouwing van kwestie en richting zoo geheel verkeerd sta; enof Dr. G.'s artikelen den naam van „goedgereformeerd" verdienen.

1. Dr. G. is een besliste voorstander van algemeene verzoening. Tot tweemaal toe wordt het in hetzelfde stuk uitgesproken:

Hier torst Zijn heilig hart de vreeselijke schuld der verdoemelijke wereld.... de schuld eener verdoemelijke wereld rustte op Zijn heilig en lieldevol hart.

Wij vragen of hij 't bij Dr. Kuyper, die hij zoo vaak aJs ruim-gereformeerd en gereformeerd bij uitnemendheid citeert, nooit anders gelezen heeft, en of hij niet weet, dat Dr. K. 't uitdrukkelijk geleerd heeft, dat het de bedoeling van Christus was in Zijn lijden en sterven om voor Zijn uitverkorenen te voldoen?

En waar blijft Dr. G. bij een dergelijke voorstelling der dingen met het bijbelsche leerstuk van het borgtochtelijk lijden en sterven van den Zaligmaker ?

2. Dr. G. vervolgt het eerstgenoemde citaat met: «wereld met wie Hij één plant was geworden als de loot ingeënt op den stam.»

Hoe ik dit kwalificeeren' moet weet ik niet. 't Is eigenlijk precies het omgekeerde van wat er in den bijbel staat. Rom. 6:5 leert ons niet, dat Hij als een loot gezet is op den stam der wereld, maar: want indien wij MET HEM ééne plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods..." Hetgeen dus wil zeggen, dat Gods volk in den stam Christus wordt overgebracht, en zóó met Hem één plant wordt en blijft.

3. Van de discipelen in Gethsemané wordt gezegd: «Helaas zij slapen! Hoe onverklaarbaar het ons toeschijnen moge, dat zij konden slapen en dat in zulk een nacht... 't is zoo.»

Voor een gereformeerd mensch is dat heelemaal niet onverklaarbaar. Ten opzichte van de wereld spreken we niet eens van waken en kunnen waken, maar van het volk des Heeren zal geen gereformeerd predikant ooit beweren dat het slapen der discipelen onverklaarbaar is. Integendeel, een wonder is het, als Gods kind waakt! Och, die zelfkennis bij zich gereformeerd noemende dominé's, die zelfkennis in 't geestelijk leven!

4. We krijgen nog iets anders te hooren over Jezus' discipelen in Gethsemané: «niet de ongeloovige, vijandige wereld, maar de rechtzinnige kerkganger, de onberispelijke naar de wereld gelijkt op den slapenden jonger in Gethsemané!»

Hoe vindt men dat nu ? 't Verwondert me alleen, dat Dr. G. er niet van maakt: de slapende kerkganger gelijkt op den slapenden jonger van Jezus. 1)

5. Nog mooier wordt het als Dr. G. vervolgt: «deze rechtzinnige kerkganger heeft een aanvankelijke ervaring, niet meer lust voor de zonde te leven, maar hij mag zeggen: ik leef en Christus leeft in mij .»

Kan het nu toch ooit verkeerder uitgedrukt worden? Alle onderscheiding ontbreekt hier geheel en al. Dr. G.'s prediking is: ga getrouw naar de kerk en gij zijt kind van God, gij hebt aanvankelijke ervaring, ja, Christus leeft in u! Het is op het Roomsche af!

6. Een nieuw, bewijs van geestelijke onkunde: «Wij, zondige stervelingen, wij weten dat wij sterven moeten, en wanneer wij tot de kennisse des Heeren kwamen, (let wel!) dan werd ons ongetwijfeld tevens de diepte onzes doods duidelijk.»

Dat schijnt wel heel-zuiver-goed-gereformeerd, vooral dat „kennisse" geeft er zoo al den schijn van. Maar Dr. G. toont toch niet te weten dat Godskennis in plaats van de diepte des doods schenkt de heerlijkheid des levens, en dat volgens den Heid. Cat. alleen door de wet is de kennis der zonde, en dus ook van onzen dood.

Vindt gij 't vitten? Allicht! Maar naar onze gereformeerde meening liggen hier verschillen als kloven, onpeilbaar diep.

7. Merkwaardig is de uitspraak: «De Engel in Gethsemané heeft den Hoogepriester versterkt met een enkel psalmwoord!

Als dat zoo is dan wil ik het ook wel met dat enkele psalmvers doen! Zooals ik ook wel eens gaarne had meegezongen „den lofzang" voor 's Heilands gang naar Gethsemané. Christus heeft toch maar geen nieuwe gezangen opgegeven of ingevoerd!!  2)

Nog iets uit Pniël, no. 943, over Lucas 8:4— 15, naar aanleiding van de vraag: hoe groeit het zaad.

«Het zaad is in ons gezaaid sinds het uur van onzen Heiligen Doop, toen de groote Zaaier tot ons kwam.»

Sommige Gereformeerden veronderstellen het nog maar dat er bij of voor den doop iets gebeurd is. Bij Dr. G. is het al absolute waarheid en zekerheid geworden! Gelukkige (of moet ik zeggen: arme) gedoopte kinderkens!

Het lezen van deze aanhalingen 3) uit de geschriften van Dr. G. zal voldoende zijn om den lezer te doen zien, dat hij ons gezichtspunt niet ziet, ons leven niet kent, onze richting niet verstaat, ons hart niet voelt kloppen, onzen levensgang niet speurt.

En is het te veel gezegd, dat wij hier te doen hebben met dat soort van „optimistische predikers", die zoo heel anders de dingen zien en der gemeente voorstellen?

Waarlijk, Dr. G., zeg het nog maar eens, maar dan zoo luid, dat al uw hoorders het verstaan, dat „gij u zoo geheel anders gevoelt dan wij."

Maar, wat ik u bidde, schrijf dan ook geen boeken om deze door u niet begrepen , neo-Gereformeerde"  4) richting bij de gemeente in valsch daglicht te stellen, en menschen die ernst maken met de diepten des geestelijken levens, en waarheid en leven zoeken te prediken voor verloren zondaren, een hak te zetten.

In dominéstypen, een stukje van de hand van Dr. G. zelf, Pniël 945, las ik: „Hij is een opwekkingsprediker, een electrische batterij op twee beenen, maar 't is alles vuurwerk."

In ernst! Heeft Dr. G. zich wel eens met nadenken voor dit door hem geschetste beeld gezet? Zou er toch niet eenige gelijkheid in liggen met het beeld door uzelf vertoond, en met dat „helaas menigmaal al te gejaagd, vluchtig leven met de Heilige Schrift", zooals gij van uzelf beweert"? (pag. 59.)

De voorbeelden zijn toch voor 't grijpen! Een half jaar geleden durfde Dr. G. nog te schrijven:

«Wij zijn van nature in den waren wijnstok, wij moeten trachten er in te blijven.»

Zulke uitspraken zijn ergerlijk voor een gereformeerd mensch, en als bij die prediking dan „de gezangen" passen, dan passen wij voor die prediking en voor de daarbij passende gezangen,

(Wordt vervolgd.)


1) Dr. G. vergeve mij ook deze ondeugendheid. Maar 't is toch heusch al te mal voor een «gercform.» dominé.

2) Schoon zegt Dr. Datema: «Wiens (Davids) psalmen zelfs de lievelingsliederen onzes Heeren en Zaligmakers waren. Tot in Zijn uiterste op het kruis.»

3) Die met vele te vermeerderen zouden zijn, bijv. uit Dr. G.'s «God is liefde», een schitterend pleidooi voor deze ethisch-irenische richting

4) Dr. de Lind schrijft in G. W. no. 22 m. i. volkomen terecht, dat «neo» — «eigenlijk zoo'n beetje een scheldnaam is.»

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juni 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stemmen en klanken uit den Bond

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juni 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's