Stichtelijke overdenking.
En zij steenigden Stefanus". Hand. 7 : 59a; .
Stefanus.
Stefanus, de eerste bloedgetuige der Christelijke Kerk, was een der zeven diakenen die door de apostelen met de dagelijksche bediening der armen waren belast.
Van die zeven mannen, die allen goede getuigenis hadden, lezen we van Stefanus bijzonder dat hij was vol van geloof en kracht, en dat hij deed wonderen en groote teekenen onder het volk.
Stefanus zou het echter ervaren dat de Kerk waartoe hij behoorde hier steeds bleef een strijdende Kerk. Er stonden immers op sommigen die waren van de Synagoge, genaamd der Libertijnen en der Cyreniërs en der Alexandrijnen en dergenen die van Cilicië en Azië waren en twistten met Stefanus.
Maar omdat de Geest des Heeren hem mond en wijsheid gaf, daarom konden zij niet wederstaan - de wijsheid en den Geest door welken hij sprak.
Gelijk de wereld echter nog doet, zoo deed zij toen ook. Wanneer zij niet het wapen des Woords den strijd niet kan winnen dan grijpt zij naar het giftige wapen van laster en smaad. Zoo deed Achab toen hij Elia noemde een beroerder Israels; zoo deed Izebel toen zij Belials mannen omkocht om tegen Naboth te getuigen dat hij God en den koning gelasterd had. En.zoo deed men ook hier. „Wij hebben hem hooren spreken lasterlijke woorden tegen Mozes en God." Dat was de aanklacht waarmee men Stefanus voor den Joodschen Raad getrokken had; ja „hij houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de Wet", dat was het getuigenis dat tegen hem afgelegd werd.
En die Joodsche Raad was voor niets gevoeliger dan juist voor deze beschuldiging. Lasterlijke woorden te spreken tegen de heilige plaats — men zou in onze dagen zeggen: tegen „de kerk der vaderen" — dat was de teere snaar die bij de vrome Farizeërs maar even behoefde aangeraakt te worden om hun gansche ziel te doen ontvlammen in toorn en haat.
Vandaar dan ook dat over den beschuldigden Stefanus spoedig de vierschaar wordt gespannen. En de uitkomst is ons allen bekend..
Stefanus toch heeft zich tegen de aanklacht van Godslastering verdedigd. Er is een tijd om te zwijgen, maar ook een tijd om te spreken. En in die verdediging heeft hij harde dingen gezegd. Hij heeft de mannen die daar als leidslieden des volks en tevens als zijne rechters zaten, niet ontzien. Evenals een Elia het weleer een Achab had toegeroepen: „Ik héb Israël niet beroerd maar gij en uws vaders huis", zoo klinkt het ook hier vlijmend scherp uit den mond van dezen godsgezant: „Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en ooren, gij wederstaat altijd den H. Geest, gelijk uwe vaders alzoo ook gij."
Dat woord nu was voor hen de lont in het kruit. Immers op dat woord barstten hunne harten en zij knersten de tanden tegen hem. En als Stefanus dan nog, moedig als een jonge leeuw voortgaat en opziende naar den hemel, vol des H. Geestes uitroept dat hij de hemelen geopend ziet en den Zoon des menschen staande ter rechterhand Gods; dan kunnen zij hun haat niet langer bekoelen, zij stoppen hunne ooren, als wilde beesten vallen zij eendrachtelijk op den weerlooze aan en weldra valt de geloofsheld getroffen door de steenen zijner vijanden bloedend terneer.
Zij steenigden Stefanus! Wat een hardnekkige boosheid, wat een vijandschap, wat een blinde haat dat zij de steenen konden opnemen om ze te werpen op een man wiens aangezicht zij gezien hadden als het aangezicht van een engel.
Zij steenigden Stefanus! Wat een lankmoedigheid, wat een goedertierenheid Gods dat niet op hetzelfde oogenblik een vuur van Zijn aangezicht is heengegaan om deze zijne wederpartijders die hier immers bezig waren zijn oogappel aan te raken, rondom in brand te steken.
Zij steenigden Stefanus! Wat een voorrecht, voor dezen discipel van Christus dat hij op deze wijze werd waardig gekeurd om den Naam Zijns Heeren smaadheid te lijden. Immers gij gevoelt wel, het was voor Stefanus. niet het ergste om door zijne vijanden gesteenigd te worden. Hij toch wist, - Wien hij toebehoorde; hij wist in Wien hij geloofde, hij wist dat er een schat was die hem door zijne vijanden niet ontnomen kon worden, een leven dat door zijne vijanden niet kon worden gedood. Door de kracht des Heiligen Geestes was hij met geloofsmoed bekleed; en die geloofsmoed bleek hier ook stervensmoed te zijn. Hij vreesde niet voor degenen die het lichaam konden dooden maar de ziel niet konden dooden. Hij begeert dan ook geen wapen waarmee hij zijne verwoede vijanden zal kunnen bestrijden; hij heeft nog maar één wapen dat hem in dezen bangen nood is overgebleven en dat is zijn gebed.
Stefanus wil zijn Heere en Meester dien hij in zijn leven gediend had, ook in zijn stervensure niet verloochenen; hij zal hem getrouw blijven tot aan zijn laatsten levenssnik, want meer dan ooit gevoelt hij het nu: ook in de ure des doods is er geen andere toevlucht dan Jezus alléén. Terwijl dan ook de steenen van alle zijden zijn lichaam verwonden wordt deze kreet van zijn stervende lippen gehoord: „Heere Jezus ontvang mijnen geest."
Terwijl hij zijne krachten voelt wijken en bezwijken is zijn oog op den Vorst des levens gericht. Hem ziet hij immers staande, dat is gereed om hem te ontvangen in het Vaderhuis daarboven waar vele woningen zijn. O wat moet dit voor Stefanus geweest zijn met zijn Heiland en Zaligmaker voor oogen te mogen ingaan in het donkere dal der schaduwen des doods.
Immers weldra ligt daar zijn lichaam; ontzield, met gebroken oogen, met verbleekte lippen. Een hoop bebloede steenen zijn het oorkussen waarop het vermoeide hoofd ligt neergezonken. De vijanden zien hunne begeerte vervuld. Zij hebben het dus gewonnen? O neen, de overwinning die zij meenen behaald te hebben, is een nederlaag en de nederlaag die zij Stefanus meenden bereid te hebben is de grootste overwinning geweest. Of zou niet dat het grafschrift zijn dat boven dien steenhoop geplaatst kon worden: „Die overwint zal van den tweeden dood niet beschadigd worden"?
Stefanus toch was ingegaan in de vreugde zijns Heeren. Hij had den goeden strijd gestreden, den loop geëindigd, het geloof behouden; én thans was hem de kroon der overwinning bereid.
En zoo was het niet slechts met Stefanus; maar zoo is het nu met gansch de Kerk des Heeren en zoo is het met ieder kind van God dat iets van de Stefanus gestalte kent. Door de wereld gehaat, door de wereld gesmaad, door de wereld vervolgd. Dat is het deel van een ieder die in het midden van de wereld den Naam des Heeren belijdt. De discipel is ook niet meerder dan zijn Meester. En ook al leven wij door Gods voorzienig bestel niet meer in den tijd dat brandstapels en schavotten opgericht worden, toch zijn het scherpe pijlen, vooral die pijlen van laster en smaad waaraan de gemeente des Heeren vaak blootgesteld is.
En weet gij wanneer de Kerk des Heeren vooral de wereld in den weg staat? Wanneer zij, evenals Stefanus, vol is van geloof en des Heiligen Geestes. O, wanneer de kerke Gods haar dorre tijden doorleeft, wanneer er geen kracht van haar uitgaat, als haar licht maar onder den korenmaat staat, als zij de wereld maar gelijkvormig werd, dan laat de wereld haar steenen wel liggen, dan laat zij Gods Kerk wel met rust. Maar wanneer de Kerk des Heeren, gedreven door het vuur des H. Geestes haar stem doet uitgaan, wanneer zij wenscht te zijn een stad op een berg, wanneer zij haar licht uitzendt in het midden van een krom en verdraaid geslacht, dan ziet gij de haat ontvlammen en dan steenigen zij Stefanus nog dagelijks..
Maar ach, al dat steenen werpen, het is voor Stefanus, het is voor het volk des Heeren zelf het ergste niet. Integendeel, iedere steen brengt ze nader aan het huis van hun Vader. Immers alle dingen en dus ook die steenen moeten medewerken ten goede dengenen die naar Gods voornemen geroepen zijn.
En als zij dat nu maar mogen zien dat al die stenen niet in staat zijn om de deur des hemels voor hen toe te sluiten, — en dat zien zij dan wanneer hun geloofsoog mag staren op den verheerlijkten Borg — dan bezitten zij iets van dien geloofsmoed die Stefanus in zijn stervensure bezielde; en al moeten zij dan vallen onder de steenen hunner vijanden, dan kan het toch nog met den dichter van Psalm 118 hunne belijdenis zijn:
„Ik zal door 's vijands zwaard niet sterven - Maar leven en des Heeren daan - Waardoor wij zooveel heils verwerven - 'Elk tot zijn eer, doen gadeslaan."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juni 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juni 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's