Staat en Maatschappij.
Een herinnering.
De laatste dag van de eerste maand van dit jaar was het juist twintig jaren geleden, dat wijlen onze onvergetelijke Keuchenius als Minister van Koloniën het brevet van ontoerekenbaarheid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal kreeg en als aan godsdienstwaanzin lijdende, uit 's lands raadzaal smadelijk werd weggejaagd.
Het was niet 's Ministers geringe bekwaamheid als bewindsman, of wel het ontbreken van liefde tot den inlander, die de liberale meerderheid van de Eerste Kamer van 1890 er toe bracht haar wantrouwen in Minister Keuchenis uit te spreken, maar wat tot de afstemming van zijn begrooting dreef, was dat de heer Keuchenis kloekelijk was opgekomen voor de eere van den Christus Gods ook in onze overzeesche bezittingen.
Onder leiding van de twee onverzoenlijke liberalen, de burgemeester van Groningen, de heer van Royen, en de schoolopziener uit die provincie, de heer Alberda van Ekenstein, werd de stormloop tegen het eerste Christelijk Kabinet ondernomen, met het bekende gevolg, dat op 17 Febr. 1890 Minister Keuchenius tot groote droefheid van geheel het Christenvolk in Nederland heenging.
Aan deze zwarte bladzijde uit het verleden der liberale partij worden wij telkens herinnerd, wanneer we, opgeroepen worden, "om aan den Provincialen stembus deel te nemen. Daar verrijst weer voor onzen blik die edele gestalte van den man, die altijd en overal waar het pas gaf, voor de eere van zijnen Koning en Heere opkwam, doch die de harde dienstbaarheid van de vrijzinnigheid aan den lijve heeft gevoeld.
En dat het liberalisme van onze dagen nog niet anders gesteld is als in den jare van 1890, behoeft dit haast nog nader betoog ? Immers neen! Wij, die in de 20e eeuw leven, weten het wel anders. Zou de vrijzinnigheid weer haar triomfen gaan vieren, het zou in 1910 niet anders gaan als in het einde der 19e eeuw.
Zij dit daarom voor ons bij den naderenden stembus eene waarschuwing, om aan Groen's lijfspreuk vast te houden: „Tegen de revolutie het Evangelie."
Een adres aan H. M. de Koningin.
Het optreden van den Bond van onderwijzers, gelijk het onlangs plaats had, ter verdediging van de godsdienstige en staatkundige neutraliteit op de openbare school, en welk optreden niet ten onrechte tot groote ontstemming aanleiding. gaf, omdat daaruit niet alleen bleek de revolutionaire geest, die tal van openbare onderwijzers bezielt, maar ook omdat met reden werd gevreesd de niet geringe schade, welke de opvoeding van het kind onder leiding van zulke onderwijzers zou te lijden hebben, heeft de.Bond van Antirevolutionaire Kiesvereenigingen te Amsterdam aanleiding gegeven, om ter afwending van dit gevaar zich met een adres tot de Koningin te wenden, ten gunste van welk adres de Bond adhaesiebetuigingen vraagt aan gelijkgezinde Kiesvereenigingen.
Het lijkt ons de moeite waard, om den inhoud van dit adres ook onder de aandacht van onze lezers te brengen, omdat het ons wil voorkomen dat de argumenten, die worden aangevoerd om de verderfelijke strekking aan te toonen van de beginselen, die een groot deel der onderwijzers zijn toegedaan en het pleit, dat in het adres geleverd wordt, om bij vernieuwing de gedachte: „de vrije school regel en de openbare school aanvulling", naar voren te schuiven, onze algeheele belangstelling verdient.
Het adres luidt:
Aan H. M. de Koningin.
»De ondergeteekenden, allen bestuurders van de anti-revolutionaire kiesvereenigingen «Nederland en Oranje" te Amsterdam, wenden zich met diepen eerbied tot Uwe Majesteit, ten einde Uwer Majesteits aandacht te vragen voor een der grootste volksbelangen, te weten voor het onderwijs der jeugd."
Daarop volgt dan een historisch overzicht van den schoolstrijd. Het adres gaat aldus voort:
Thans echter openbaren zich in een nieuwen strijd ernstige gevaren, die de opvoeding van onze Nederlandsche jeugd bedreigen.
Terwijl toch de wet op het lager onderwijs eischt, dat de openbare onderwijzer zich zal onthouden van alles, wat den eerbied voor de godsdienstige begrippen van andersdenkenden kan krenken, wordt thans speciaal van den kant van de onderwijzers zelf, de wensch geuit, dat de openbare school ook in politiek en in sociaal opzicht neutraal zal zijn.
In de school, die de overheid zelf opricht en onderhoudt en waarin hare ambtenaren onderwijs geven, zal zelfs niet meer mogen gesproken worden over belangrijke, over heuglijke nationale gebeurtenissen.
Ambtenaren, met het geven van onderwijs belast, eischen, dat in de school b.v. zal worden gezwegen over de geboorte van prinses Juliana, terwijl de overgroote meerderheid van het Nederlandsche volk in angstige spanning het blijde uur dier geboorte heeft verbeid en God heeft gedankt voor den grooten zegen, daarin aan Nederland geschonken.
Ambtenaren, belast met het teedere werk van de opvoeding der jeugd, zullen, op grond van een zoogenaamde »politieke neutraliteit* der openbare school, zich onverschillig moeten houden en zwijgen tegenover de kinderen des volks, omdat deze niet zouden kunnen beoordeelen, wat ons volk aan het Huis van Oranje verschuldigd is en of het koningschap in Nederland dient gehandhaafd.
En dat het hier waarlijk niet geldt de persoonlijke meening van een enkele blijkt wel uit het veege teeken, dat een groote vereeniging van openbare onderwijzers zich voor deze politieke neutraliteit durft verklaren, onder voorwendsel, dat kinderen politieke vraagstukken niet kunnen begrijpen, maar in werkelijkheid uit anti-dynastieke en anti-nationale gezindheid.
Ondergeteekenden zijn van gevoelen, dat de toekomst van ons volk zeer ernstig wordt bedreigd, indien het opkomend geslacht niet alleen vervreemd wordt van den eerbied voor God en voor het gezag door Hem ingesteld, maar ook het nationale leven en de liefde voor het, Huis van Oranje in onze Nederlandsche jeugd worden ondermijnd.
Zij zijn voorts van oordeel, dat het verleggen van het zwaartepunt van de openbare naar de vrije school, zoodat deze regel zij en de openbare school slechts als aanvulling dienst doe, het gevaar zal kunnen stuiten, dat thans de nationale toekomst bedreigt.
Door de vrije school, die uit het volk zelf opkomt, blijft, mits men het opgroeiend geslacht niet eerst laat bederven, de band, die Nederland aan Oranje bindt, vanzelf hecht en onbreekbaar.
Nood dwingt daarom het terrein, waarop de vrije school werkt, ten spoedigste uit te breiden.
Reden, waarom ondergeteekenden zich veroorloven met diepen eerbied en betuiging van oprechte verkleefdheid aan Uwer Majesteits Stamhuis, zich tot Uwen troon te wenden met de bede, dat het Uwe Majesteit moge behagen, zulk eene wijziging in de regeling van het lager onderwijs te brengen, als afdoende zal blijken, om het gevaar, dat onze toekomst bedreigt, door bevordering van de vrije school af te weren.
Wij stemmen met dit adres ten volle" in. Het belang van het kind en niet voor het minst de toekomst van ons volk eischt, dat de school zoo spoedig mogelijk aan de ouders kome.
De openbare school heeft algeheel fiasco gemaakt.
Haar neutraliteitsgrondslag heeft het onderwijs niet gemaakt tot zegen voor ons volk, maar voert de kinderen van ons volk door den eisch, dat er eerbied zal zijn voor de godsdienstige begrippen van andersdenkenden, steeds verder van den Christus der Schriften af.
Daarom opnieuw de banier omhoog geheven, waarin de oude, welbeproefde leuze staat geschreven:
„ De vrije school regel, de openbare school uitzondering."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juni 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juni 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's