De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stemmen en klanken uit den Bond

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stemmen en klanken uit den Bond

7 minuten leestijd

Uit het dikke boek. IV.

Dat doet ook pijn!

Het schijnt in den aard en het karakter van Dr. Gunning te liggen om met veel welgekozen woorden zich bijzonder vriendelijk te willen uitdrukken bij 't noemen en aanwijzen van personen, vooral Bedienaren des Woords.

Dr. de Lind is „vriend en broeder" of „broeder en tegenstander" of „vriend en tegenstander". Ds. Gispen is doorgaans „een waardig man" en „sympathieke figuur", die vooral om zijn ruimte van hart en blik geprezen wordt. Dr. Kuyper is in zijn uitnemende grootheid boven Dr. G.'s lof verheven, enz. enz.

Daargelaten nu de vraag of genoemde mannen omgekeerd ook zoo over Dr. G. denken, en in hem ook zoo'n „broeder", „vriend" enz. enz. zien, maakt dergelijk kwalificeeren op ons den indruk van iets jonge-juffrouw-achtigs, weinig mannelijks, en erg flemerigs te zijn. Ons, gereformeerde menschen, kan het niet bekoren. We zijn er, geloof ik, te nuchter, te eerlijk, te belijnd voor.

Maar akelig wordt het toch, als we zien dat die lieve broeders, die aardige tegenstanders, die „eminentste woordvoerders" en die „warme pleitbezorgers" zoo af en toe een flinke afstraffing ontvangen of een kinnebakslag, die hun de sterretjes voor de oogen doet komen.

Den broeder-recensent (let wel!) van „De Waarheidsvriend" wordt verweten, dat hij Dr. G. niet goed beoordeeld heeft en zich wat „scherp en vlijmend" uitliet over zijn pro-stuk, uitgekomen in de bekende „pro-contra" van de Hollandiadrukkerij.

Maar ik vragen wie die de ongepaste insinuatiereeks leest op pag. 14, zal er anders over denken ? Daar staat letterlijk gedrukt:

«want vreesch voor menschen en zucht om te behagen speelt in deze zaak bij velen een maar al te groote rol.»

«een onnatuurlijk opgeschroefde tale-Kanaäns, die met de heilige majesteit der Schrift even weinig te maken heeft als een papieren bloem met een echte.»

«de onberispelijke metselaars en timmerlieden van het Dordtsche gilde.»

«moderne prediking neemt toe, waatlijk niet zonder verband met deze «neo-gereformeerde» richting.»

«Avondmaaltafels ontvolkende naar de bevindelijke invallen eener ziekelijke vroomheid.»

«als het christendom ONMENSCHELIJK wordt, is het niet te verwonderen dat het menschdom onchristelijk wordt.»

Zoo gaat het voort in één adem.

Me dunkt, die „neo-geref." broeders kunnen het er mee doen.

Toch is er ééne passage in „het dikke boek", die dit alles overtreft, en ieder pijn moet doen die het leest.

Ik bedoel de in dit blad al genoemde uitlating over Ds. Gewin op pag. 229.

Van dien overleden Utrechtschen leeraar wordt verteld, omdat hij met een gezangvers naar den hemel ging, dat hij toen gezonder was dan in zijn geheele leven. En dit heeft geen betrekking op zijn lichamelijken toestand (natuurlijk niet!) maar op zijn AMBTELIJKE BEDIENING.

Ik zou willen vragen, raakt dat niet „het persoonlijke leven" van Gods knechten, en is dat niet „persoonlijk worden" erbij?  1)

En moet zoo'n bittere hatelijkheid geen pijn doen aan die honderden vrienden en vriendinnen van genoemden leeraar, die aan zijn „ongezonde" prediking en arbeid de aangenaamste herinnering hebben?

Neen, Dr. G., dat is wat anders dan broederliefde en vriendschap. Ik zal niet zeggen wat het wel is, maar wie voelt het niet? Toch is er in dezen ook nog weer „meester boven meester."

Van Pniël's hoofdredacteur wint het in scherpte en bitterheid een zijner medewerkers, voorzitter van een der voornaamste classes van onze Vaderlandsche kerk, oudste predikant in de hofstad, geestverwant en broeder van den pro-schrijver in zake zingen van gezangen, Dr. van Gheel Gildemeester.

Ondanks protest van Dr. G. kwalificeer ik hem als een vijand van ons Gereformeerd beginsel, van onze Geref. predikanten, van onze Geref. menschen. . . .

Ik verzamelde eenige uitspraken uit de „Haagsche Kerkbode" van zijn hand en door zijn naam onderteekend, en laat mijn lezers oordeelen over de kwaliteit der uitlatingen:

Van Gereform. predikanten heet het: »de onnatuur van sommige dier orthodoxe dominés.«

Elders beweert hij: »dat er wel aanleiding is om die heeren onder handen te nemen, die over geestelijke dingen handelen op een toon, die 't midden houdt tusschen janken en jubelen.!

Weer elders worden zij genoemd: potsierlijke geloovigen.

Van Ds. Krop te Zwolle luidt het:

»Maar hoe hebben wij het nu? Hier is een prediker, die zich verplicht acht tot »de positieve verkondiging van den raad des behouds voor ellendige zondaren«, maar hij heeft achter de coulissen gekeken, en weet wel beter, daar is een »raad Gods« om »het overgroote deel der menschheid« te verdoemen! Moet dan niet het «overgroote deel der menschheid de vermaningen en aanbiedingen der evangelieprediking met wantrouwen aanzien? »

Naar aanleiding van Dr, H. H. Kuyper, „Calvijn en Nederland" wordt gezegd:

Calvijn's theologie en het Calvinisme is voor vele zielen een pijniging geweest en het Koninkrijk Gods heeft het tegengehouden (!? ) Calvijn was een onaangenaam en hard mensch, ook had hij een leverkwaal.

In dit laatste zoeke men dus den sleutel om te komen tot de verborgenheid zijner theologie. Of, als het dat niet is, dan zal hij wel „van een buitengewoon nieuwsgierigen aanleg'' geweest zijn! De predikaties van geref. predikanten heeten:

gedrochtelijke schriftverklaring, allegoriseering en sentimenteel geleuter.»

En ten slotte, in het nauwste verband met het dikke boek en de minderwaardige argumenten van eenvoudige zielen, die daarin door Dr. G. opgesomd en z.g. weerlegd worden, een argument niet van „de derde rang" maar beneden alle peil in den mond van een leeraar der gemeente van Christus:

«Maar bij velen is er in den afkeer van de gezangen een bedenkelijke familietrek met het vertienen van munte, dille en komijn; ik zeg dit met een vriendelijke bedoeling (!) En wat ik met een weinig schroom (!) zeg, maar toch ook wil zeggen —is dit, (en let nu wel!) dat de kwestie vooral onder den derden en vierden stand een kwestie is; onder menschen in kleinburgerlijke kringen, of onder den boerenstand; die weinig voeling houden met de beschaving in andere kringen en in andere landen; menschen die zeker hun eigen verdienste hebben, maar in wier handen de belangen onzer beschaving niet onvoorwaardelijk veilig zijn.»

De gezangenkwestie is dus 'n beschtavingsskwestie! Een gezangen-zinger is een „beschaafd mensch", en een „niet gezangen-zinger.... een „boer"!!  2)

Mag ik nu zeggen, dat zulk insinueeren een eerlijken niet-gezangen-zinger PIJN moet doen ?

En dat zulk min verdachtmaken een bewijs is van vijandschap tegen onze kleine groep van gereformeerde menschen?

Heusch, men maakt het niet goed, zooals een zijner collega's mij opmerkte, met de bewering dat de man het „niet zoo kwaad bedoelt", en dat hij wat „ironisch" aangelegd is.

De achtergrond is blakende vijandschap', en verkropte woede dat de gereformeerde waarheid weer opleeft in onze Kerk, gelukkig ook in de Herv. Gemeente van Den Haag.

Ik begrijp ook niet, dat onze gereformeerde broeders aldaar, Ds. Karres, Posthumus Meyes, Schokking en den Hertog toelaten, dat zoo geschreven wordt in hun eigen Kerkbode over personen en beginselen, die ik meen dat hun dierbaar en geliefd zijn. Een gloeiend protest mocht toch, dunkt me, wel niet achterblijven.

Laat het ons leeren om over pro en contra van gezangen zingen zoo weinig mogelijk te redeneeren en te debatteeren, en het peil van 't debat, als het dan niet anders kan, 200 hoog mogelijk te houden!

{Wordt vervolgd.)

i) Dat wij niet alleen staan in de meening dat Dr. G. het «persoonlijk element» in zijn geschrift te veel op den voorgrond gezet heeft, kan blijken uit de recensie van zijn Utrechtschen collega en geestverwant Dr. Bronsveld, gegeven in de «Stemmen» van Mei 1910. Daar lezen wij o. a.:

«daar komt bij dat de wijze waarop De Lind, Haring en hun medestanders worden laat mij zeggen ten toon gesteld, niet bij uitstek geschikt is om hen te doen vallen in de armen van hun broeder Gunning, die (hij houdt van statistieken) bij gelegenheid wel eens zal mededeelen hoe vele tegenstanders zich hebben aangemeld als door zijn boek omgezet in voorstanders van de gezangen

in­ «ik geloof niet, dat hij, daardoor vriendelijke drukken teweegbrengt»

«over 't algemeen kenmerkt dit boek een te weinig objectief, een te sterk individueel karakter. Naast al de menschen, die hier voorkomen, staat Dr. G. en deelt mee hoe hij over hun karakter en standpunt denkt...»

«maar 't is een element dat in een geschiedboek niet behoort.»

2) Dat geldt dan ook van een man als Dr. de Hartog, die onlangs in de Groote Kerk te Haarlem, bij tekst Hebr. 11:3 ALLEEN psalmen liet zingen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stemmen en klanken uit den Bond

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's