Stichtelijke overdenking.
Maar één ding is noodig. Luc. 10:42.
Het ééne noodige.
Geen der tien geboden snijdt zoo diep in als het tiende wetswoord. Over het tiende gebod struikelen wij allen. Immers ons hart, hoe klein ook, is vervuld met allerlei begeerten. Wat begeert een mensch al niet! Ja de mensch, die meent zooveel te missen, die denkt zooveel noodig te hebben, gaat uit om allerlei zaak zich te wenschen.
Zooveel en allerlei denkt de mensch noodig te hebben en hij vergeet, dat Jezus zoo terecht heeft gezegd: „Maar één ding is noodig."
Ieder kind dezer wereld gaat dan ook ten opzichte van deze dingen schuldig uit. Tegenover het ééne noodige stelt hij allerlei wat hij zijns inziens noodig heeft.
De wijze dezer eeuw vergadert zich schatten der wijsheid. Meer kennis, meer wetenschap heeft hij noodig. Nooit genoeg heeft hij daarvan. En de schat van de kennisse Gods ziet hij voorbij, acht hij van minder, ja van gansch geen waarde te zijn.
De heerschers dezer aarde zwaaien hun scepters. Macht, heerschappij is hun ideaal. Personen hebben zij noodig, die voor hun regeermacht buigen. Noodig achten zij het steeds meerder macht te ontplooien. En zij vergeten, dat volgens de Schrift de dienstknechtsgestalte noodig is.
Op deze wijze zouden wij kunnen voortgaan. De genotjager acht de vreugde der wereld, de arbeider een ruimer loon noodig om hier gelukkig te verkeeren.
De mensch, uit de aarde aardsch, zoekt het noodige in deze wereld. Hij vergeet, dat het ééne noodige van hemelschen oorsprong is. In het zoeken naar andere, naar noodige dingen, veracht hij de gave Gods, die alleen noodig is.
Zou Gods kind nooit het eene noodige gering schatten ? Helaas deze zonde, zoo te bestraffen in de kinderen der wereld, vindt Gods kind in eigen hart terug. En Martha, de geliefde discipelin des Heeren, ontving van den Heere daarover eene bestraffing. Martha diende zoo gaarne. Toen de Heere tot haar woning kwam, wenschte zij Hem te onthalen. Schotels en spijzen waren de dingen, die zij aanschouwde. En door al die beslommeringen gunde zij zichzelf den tijd niet te luisteren naar Hem, die de woorden des eeuwigen levens heeft. De spijze door haar bereid acht zij hooger dan de spijze door Christus gegeven. Als zij dan ook Maria, hare zuster, ziet nederzitten aan de voeten des Heeren, kan zij niet nalaten haar eene berisping toe te dienen. Vervuld met haren arbeid acht zij het ééne noodige zoo gering. En deze Martha's leven nog. Menige ontdekte ziel treedt op het spoor van deze vrouw. Uit kracht van het verbroken werkverbond wordt er geijverd voor den Heere. Zeker, ook in dat ijveren kan liefde gemengd zijn. Maar toch. Hoeveel eigen werk schuilt er onder. Allerlei spijs bereidt men den Heere. Men ontvangt Hem, met zichzelf vervuld.
Geen tijd gunt men zich om den Heere te laten spreken. Trouwe kerkgang en gestadig Schriftonderzoek zullen de schotels zijn, waarmee men den Heere tegenkomt. Gebed en zuchtingen zijn de spijzen, die Christus aanvaarden moet. En nog eens. Zeker, ook in dit alles kan liefdevuur werkzaam zijn, doch zulk een vergeet het slechts al te vaak, dat Christus gekomen is, niet om gediend te worden, maar om te dienen. God de Heere ziet gaarne een behoeftig en ontvangend volk. En wat bij menig kind des Heeren zoo op den voorgrond treedt bij den aanvang van het nieuwe leven, wordt ook gezien bij Gods verzekerde kinderen. Ook zij kennen den tijd van arbeiden, dienen en strijden. Uren, waarin zij tot hunnen schrik ontdekken, dat zij hunne hope op deze dingen vestigen. Uren, waarin zij zich zien meegevoerd door een ijver naar het vleesch, die bij God gehaat is. In zulke oogenblikken wordt 'het ene noodige, n.l. een dienende Jezus, zoo gering geacht.
Maar één ding is noodig. Zie op Maria; zij heeft dit goede deel, verkozen. Zij zit aan de voeten des Heeren. Zij ziet hare onwaardigheid en daarom is de laagste plaats, de voeten des Heeren, haar nog hoog genoeg. Zij ziet hare geringheid en van daar vernedert zij zich voor den Heere. Zij weet zich een onkundige in zichzelf en daarom zet zij zich neder aan de voeten van den Gezalfde des Heeren. Eene goede plaats!
Aan de voeten des Heeren is het ééne noodige te vinden. Wie daar schuilplaats zoekt, vindt ze. Niemand is ooit door Christus' voet vertreden in het stof.
Noodig is het dus aan zichzelf ontdekt te worden. Noodig arm gemaakt te worden, niets over te houden dan zwakheid, onkunde en verlorenheid. Wie alzoo den Heiland zoekt, vindt het ééne noodige, n.l. Hem zelf. Hij is het eene noodige. Luister slechts, hoe hij in elkén toestand der Zijnen voorziet. Gevoelt men zich arm. Hij is arm geworden om de Zijnen rijk te maken. Klaagt een menschenkind over zijn blindheid, Hij is gekomen om de blinden te schenken het lieflijk licht. Zucht men over zijne zonden, die menigvuldig zijn; talrijker dan de haren des hoofds, Hij is het ééne noodige, want Hij is gekomen om zondaren zalig te maken, van hunne zonden.
Klaagt een mensch over den oneindigen afstand gekomen tusschen God en zijne ziel; ziet hij zich niet in staat deze klove weg te nemen, dan ligt er sterkte in Christus. Hij is de Weg tot den Vader, waarlangs de zondaar mag opklimmen tot voor den troon der genade.
Christus het ééne noodige. Hij onderwijst de heilgeheimen, die God naar Zijn vree verbond Zijn vrinden openbaart. Hij doet de donkere nevels, die het uitzicht belemmeren, opklaren.
Christus het ééne noodige. Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij den Vader, Jezus Christus den Rechtvaardige. Zijn offer is algenoegzaam. Zijn bede wordt nimmer afgewezen.
Christus is alleen alles. Zijn Koninklijke macht, onbegrensd en onwederstandelijk, gebruikt Hij ten nutte Zijner gemeente. Het hart moge gelijk zijn aan de golven der zee door het geweld der winden opgezweept, Christus gebiedt winden en golven ten nutte der Zijnen.
Christus is het ééne noodige. Wie Hem mist, mist alles. Wie Hem bezit, heeft alles. In en met Christus is God een verzoend God. In en met Christus heeft Gods gemeente den Geest des Heeren. Dien Geest, die vertroost in druk en kommer, die bidt in uren van angst en zorgen. Alles ligt in Christus' Heerschappij voor Gods Kerk. Zij zullen met Hem als koningen heerschen. Eere, want zij zullen in heerlijkheid met Hem verhoogd worden. Wijsheid, want Gods kinderen zullen eens God kennen gelijk zij gekend zijn.
Eén ding slechts noodig. Want dat ééne noodige is een onveranderlijk goed; het is een deel dat niet van ons zal worden weggenomen. Wij meenen vaak veel noodig te hebben, doch dat vele verdwijnt. Geld en goed, hoe zuinig ook beheerd, kunnen ons nog ontgaan. Geliefden kunnen door den dood van ons worden weggenomen, of door de zonde van ons vervreemd. Al wat uit de aarde is, draagt het stempel der vergankelijkheid. Maar Christus is een onveranderlijk goed. Daarom is Hij alleen noodig. Hij is een schat, die niet wordt Weggenomen. 'Hij is een Vriend, Wiens liefde niet vermindert. Hij, die uit den hemel is, vergaat nimmermeer.
Onze begeerten zijn niet te breidelen. Wij meenen veel noodig te hebben. Lang, zeer lang is de lijst van dingen, die beslist noodig zijn. Neen, zoo zeggen wij, dat kan ik toch niet missen! Wellicht, lezer, tobt gij dagelijks over deze dingen. Leer echter inzien, dat Christus u alleen noodig is. Wie Hem heeft, heeft alles voor tijd en eeuwigheid. Verlustig u in Hem, dan zal Hij u geven de begeerte uws harten.
Wie door genade dat ééne leert kiezen, kiest alles. Wie helaas z.g. noodige dingen kiest en Hem vergeet, verliest alles.
Gelukkig dat er zijn, die naar het ééne noodige uitzien. Er zijn er, die veel hebben ontvangen en toch dit ééne missen. Een weldaad is het te belijden, dat God de hand aan ons geslagen heeft. Een voorrecht met Ruth Gods volk aan te hangen en het.Moab der weelde te verachten. Rijk de beloften Gods te kennen voor eigen hart, en daardoor getroost te worden. En toch, één ding is noodig. Zichzelf geheel en al te verliezen en in Christus te hervinden. Mochten velen eens tot dat stuk, tot dat ééne noodige gebracht worden.
Waarom was Martha's ijver en gedrag af te keuren? Is de Heere het niet waardig, dat er voor Zijne eere geijverd wordt? Mag Gods kind den Heere niet iets toebrengen van zijn goed of gaven? Zeker. Doch alles op tijd en alles naar orde. Gods kind beginne met te zitten aan de voeten des Heeren. Gods kind zij eerst ontledigd aan zichzelf, Gods kind kome eerst met dat uitgeledigde vat tot den Heere om dan te arbeiden. Een Martha's-ijver voert tot geringschatting van Christus, tot bestraffing van een ander kind Gods, die in het rechte spoor wandelt. Maria's gedrag voert de diepte in, leert afhankelijkheid. Maar op 's Heeren tijd, na het ééne noodige ontvangen te hebbon, zal in het lijden of in den strijd Christus' genade bekwamen. Aldus wordt God verheerlijkt en blijft de zondaar klein. En dat alleen is noodig.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's