Stichtelijke overdenking.
Immers wandelt de mensch als in een beeld, immers woelen zij ijdellijk; men brengt bijeen en men weet niet, wie het naar zich nemen zal. En nu, wat verwacht ik, o Heere ? mijne hoop, die is op U. Psalm 39 : 7 en 8.
Een groote tegenstelling.
Schrikkelijk is de verwoesting, die de zonde teweegbracht. Recht en goed heeft de groote Schepper den mensch gemaakt, naar Zijn beeld en naar Zijne gelijkenis; maar door de zonde is hij geworden, wat de dichter van Psalm 39 in het 7e vers van hem neerschrijft. In het 7e toch wordt ons eene schilderij opgehangen van den natuurlijken mensch, terwijl in het 8e vers, in die innige woorden: „En nu, wat verwacht ik, o Heere? mijne hoop, die is op U", een wedergeboren mensch aan het woord is. We hebben inderdaad in deze beide verzen met een groote tegenstelling te doen.
„Immers wandelt de mensch als in een beeld", zoo lezen we. Hoe juist wordt hiermee des menschen leven afgemaaid. Hij wandelt. Hij staat nooit stil. Hij trekt altijd maar voort, totdat... totdat... hij in het graf neerdaalt. Dan heeft hij het eindpunt bereikt. Dan zal hij, naar Gods wil, moeten rusten, zoolang tot de bazuin van den jongsten dag" hem zal doen opwaken, om voor Jezus als rechter te verschijnen. De mensch zou wel willen, dat er aan zijn wandeling nimmer een einde kwam. Hij heeft behagen in zijn leven, hij zoekt den dood niet. Daarom is dat woord „wandelen" wel met zorg gekozen, want wandelen doet men voor zijn genoegen, het verveelt niet licht.
Hij wandelt als in een beeld. Volgens de Kantteekenaars wil dit zeggen, dat de mensch in droombeelden leeft. Dat zal wel de ware uitlegging zijn. In elk geval is het zoo. De mensch droomt, hoopt, verwacht, bouwt luchtkasteelen, denkt van zichzelf wat verhevens en meent nog eenmaal een geopende paradijspoort te zullen binnenstappen; maar illusie na illusie wordt hem ontnomen en straks maakt de dood een einde aan alles, 't Is te - verstaan, dat - een schatrijk wereldling op zijn sterfbed verklaarde: „Niets heb ik genoten, niets bezat ik, niets ben ik geweest; ik sterf nog armer dan ik geboren werd". „Immers woelen zij ijdellijk", gaat de dichter voort. Werkelijk, er wordt op deze wereld wat gewroet en gewoeld, gesloofd en geslaafd. In geen mierenhoop en in geen bijenkorf is men zoo druk bezig als in onze menschen-wereld. Den een is 't te doen om genot, den ander om eer, een derde om wijsheid, doch zie, als dit buiten God om gaat, 't is een ijdellijk woelen, ijdellheid der ijdelheden, 't is al ijdelheid.
„Men brengt bijeen en men weet niet, wie het naar zich nemen zal", is de derde kenschetsing, welke de koninklijke zanger van het menschelijk leven geeft. Ongetwijfeld liggen duizenden bij duizenden in dezen 'diepen val verzonken. Velen van hen gaat 't als koning Midas van Phrygië, die alles wat hij aanraakte in goud veranderd zag, en spoedig van honger zou gestorven zijn; zoo durven velen van hun geld zich nauwelijks kleeden, nauwelijks eten en drinken, en lijden armoede bij hun schatten. — Verzamelen schrapen, opleggen, als dat alleen ons leven is, dan is het een harde slavendienst; dan zijn we gelijk den man uit Bunyan's boek, die ijverig stokjes en strootjes bij elkaar harkte, doch de schitterender kroon weigerde, welke een engel boven hem hield en die hij om niet verkrijgen kon; we hebben dan geen tijd voor het hoogere en betere, 't is ons slechts om geld te doen. Wel mogen we bidden : „Laat gierigheid mij in haar strik niet vangen!" Eenmaal toch moeten we alles achterlaten. Hoe zullen we 't maken als de Zone Gods tot ons zeggen zal: „Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij niet te eten gegeven, Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij niet te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; krank, en in de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht"?
't Lijdt geen tegenspraak, dat de verandering, die de wedergeboorte des menschen meebrengt, inderdaad zeer groot te noemen is. Ze is een verandering van hart, van verstand, van oogen, kortom van alles wat aan, en in den mensch is, waarvan weer een andere wereldbeschouwing, een geheel nieuwe denkwijze, voorheen ongekende begeerten en verlangens de gevolgen zijn.
Hoe liefelijk klinken in vers 8 de snaren van des konings speeltuig, als hij ons tegentokkelt: „En nu, wat verwacht ik, o Heere? mijne hope, die is óp u."
Wat des dichters natuur aangaat, was hij even groot zondaar als alle anderen. Dat bekent hij Volmondig in vers 9, waar hij bidt: „Verlos mij van al mijne overtredingen." De Heere echter had zich van eeuwigheid over hem ontfermd en door Zijnen Heiligen Geest, om Christus' wil, eene betere keuze in zijn hart gelegd, en daarom komt uit zijn ziele nu voort wat we hoorden, dat heimwee dat verlangen, die dorst naar God, naar den levenden God: „En nu, wat verwacht ik, o Heere? mijne hope, die is op u."
Dat we echter niet dwalen! Deze wedergeborene mensch veracht de schepping Gods niet, en ziet niet met minachting op het menschelijke leven neer, ook behoort hij niet tot de levensmoeden, waarvan onze eeuw er zoo velen telt, ; doch 't werd de lust en keuze zijns harten, om zijn God lief te hebben, voor zijn God te leven, en in alles slechts zijn God te zoeken en te kennen.
Hij verwacht van droombeelden en luchtkasteelen niets; niets van ijdellijk woelen, niets van aardsche schatten, die genomen kunnen worden en straks moeten achtergelaten. Zijn leven is niet genieten, eten en drinken, macht en aanzien verkrijgen; dat is zijn eigenlijk leven niet, dat heeft hij leeren peilen als eene zee, op wier bodem geen parelen te vinden zijn, maar zijn lust en zijn leven is zijn God. Met een oprecht hart kan hij zeggen:
Wien heb ik nevens u omhoog? Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog Op aarde nevens u toch lusten ? Niets is er, waar ik in kan rusten.
Wat er in zijn binnenste omgaat, vinden we zoo treffend uitgedrukt in eenige regels van Psalm 130: „Mijne ziel wacht op den Heere; meer dan de wachters op den morgen, de wachters op den morgen." En wat hij steeds meer ondervinden mag, is, wat er zoo staat in Jesaja 40: „ Die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen, zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden, zij zullen loopen en niet moede worden, zij zullen wandelen en niet mat worden."
Ieder mensch hoopt zoo op 't een of ander: de kranke op beterschap, de gierigaard op geld, ja de mensch blijft hopen tot aan zijn sterven toe, op ... . hij weet soms zelf niet wat; doch David zegt: „Mijne hope, die is op u."
Hier ontmoeten we wederom de groote tegenstelling. De hoop des wedergeborenen ontluikt aan een degelijken wortel, n.l. aan den wortel des geloofs, terwijl de hoop der wereld gegrond is op niet en ijdelheid, slechts een droom is, en ziet, na het ontwaken is er niets overig. Zijn hoop heeft tot rustpunt zijn God, dien God, aan wien hij zoo onnoemelijk veel te danken heeft, die hem heeft geschapen en herschapen door Zijn Woord en Geest.
De hoop des wedergeborenen beschaamt niet, maar wordt heerlijk vervuld.
De hoop des wedergeborenen verlaat hem niet, in voorspoed noch in tegenspoed, ook niet in de stervensure. Ja, in de stervensure, als de wereldling alles moet loslaten en hij zelf door God voor eeuwig losgelaten wordt, . begint de hoop des Christens té veranderen in zalig aanschouwen en eeuwig bezitten.
Zoo is dan de wedergeborene gelukkiger dan de wereld met haar schijngeluk, de Christen rijker dan de wereld met haar pracht, Gods kind wijzer dan de wereld ondanks al haar wetenschap.
En nu komt het er maar op aan, medereizigers naar de eeuwigheid, of we met recht dit David mogen nazeggen, of we, inzake de groote tegenstelling onder de menschenkiuderen, kozen voor Christus en Zijn volk, of David's hoop ook onze hoop is.
Is dat zoo, dan geen nood. Aan strijd en aanvechting zal het u niet ontbreken, moed en hoop zullen u bij tijden ontzinken, verachting en verdrukking zal de wereld u niet onthouden, de doodsjordaan zal straks uw ziel benauwen; geen nood! altijd zal de Heere met u zijn; Hij zal u nïet begeven of verlaten. „Alzoo zegt de Heere, uw Schepper, o Jacob, en uw Formeerder, o Israël, vrees niet, want Ik heb u verlost. Ik heb u bij uwen naam geroepen, gij zijt mijne. Wanneer gij zult gaan door het water. Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstroomen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult. gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken. Want Ik ben de Heere, uw God, de Heilige Israels, uw Heiland". . . Jes. 43:1—3. Is dat echter niet zoo, ach, haast u dan en spoedt u om uws levens wil.. Zonder Borg en Middelaar voor God te moeten verschijnen, zal zoo vreeselijk zijn.
Zoo gij Zijn stem dan heden hoort, Gelooft Zijn heil-en troostrijk Woord; Verhardt u niet, maar laat u leiden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juli 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's