Stemmen en klanken uit den Bond
Uit het dikke boek VII.
De stem der historie.
Zoo langzamerhand zijn wij gekomen aan het einde van onze beschouwing over „het dikke boek". Wij meenen enkele hoofdzaken daaruit naar voren gebracht en beoordeeld te hebben.
Ten slotte willen wij nog een tweetal artikelen wijden aan de kwestie van „het vrije lied", de kwestie waarom het volgens Dr. Guning gaat in den theologischen strijd onzer dagen voor de waarheid en tegen de leugen.
Wij stellen ons voor, in het eerste artikel iets te zeggen over wat de gereformeerden in den loop der tijden gedacht en gezegd hebben over het zingen van liederen in de godsdienstoefening der gemeente, om dan in ons slotartikel ons standpunt in dezen uiteen te zetten en voor de gemeente te rechtvaardigen.
Als de „stem der historie" hier dus zal spreken, stel ik nog eens nadrukkelijk voorop, dat het ons alleen belang inboezemt, wat de voorstanders van het gereformeerde beginsel er van verstaan hebben. Dat Arianen en Pelagianen, Remonstranten en Socinianen, Lutherschen en anderen, die van de belijdenis der Kerk afweken het lied wenschten, is even begrijpelijk als dat Heilsleger en Tentzending en wat meer aan „onkerkelijke ongereformeerdheid" vertoond wordt in onze dagen, in het lied vinden het beste middel om hun ideëen ingang te doen vinden. In hun lied ligt hun kracht, zonder het „evangelisch gezang" zou hun prediking alle kracht en effect missen; de „groote beteekenis en de gewichtige plaats" er van in de godsdienstoefening wordt door Dr. G. bepleit, en als algemeene regel kunnen we veilig stellen: hoe armer de prediking, hoe rijker en breeder de lithurgie, hoe meer afwijkend van de schriftuurlijke leer, hoe dichter bij het gezangboek van 1807.
Welnu, hoe heeft de Kerk geoordeeld in den loop der tijden? Dat in Gods Woord, geen bevel te vinden is voor het zingen van liederen in de godsdienstoefening, heeft Ds.Boonstra ons duidelijk aangetoond in zijn „ter verantwoording." De drie teksten, die er gewoonlijk voor aangehaald worden, bewijzen niets. Eph. 5:19 en Col. 3:16 blijven al direct buiten beschouwing, omdat daar geen sprake is van kerkelijke samenkomsten, maar van het publieke leven, of van het verkeer van Gods volk onder elkander. En 1 Cor. 14 : 26, waar de verschillende soorten van liederen uit den O. Testam. psalmbundel bedoeld worden volgens de meeste uitleggers, zal niemand als bewijs durven aanhalen.
Gods Woord beveelt ons in dezen niets. Er is zelfs geen spoor van aanwijzing dienaangaande in de heilige bladen te vinden.
Als we komen tot de geschiedenis der Kerk, mogen we de getuigenissen gelooven, dat in de eerste drie eeuwen alleen psalmen gezongen zijn, 't geen Dr. G. ons niet zal tegenspreken, die beweert (pag. 20), dat reeds „in de oude kerk de psalmbundel was het lievelingsboek van de eerste Christen-gemeente."
Met de vierde eeuw komt de ketterij. Arius, de loochenaar van de godheid van Christus, beroerde de Kerk, en deze kettersche partij der Arianen is het geweest, die om hun ketterij te beter ingang te doen vinden, begonnen is liederen te dichten, waartegenover — dus uit pure reactie — Ambrosius e. a. hun eerste orthodoxe kerkliederen hebben gesteld, en aan de kerk hebben gegeven.
Maar de Kerkvergadering van Laodicea in 363 besloot dat er geen „eigengemaakte psalmen in de kerk mochten gezongen worden", en de kerkvergadering te Braga (561) vernieuwde dat besluit en decreteerde dat „geen dichterlijk voortbrengsel, behalve de psalmen, in de kerk zou gezongen worden."
Zoo stond het met het zingen van kerkliederen in de zesde eeuw. Wie nu wel eens de kerkgeschiedenis gelezen heeft, weet dat na dezen tijd vooral de Roomsch-wording der kerk is ingetreden en in de volgende eeuwen hoe langer hoe meer is toegenomen, totdat het verval schrikbarende afmetingen had aangenomen. Gods Woord raakte totaal op den achtergrond, menschelijke instellingen en regels werden gesteld boven het gezag van des Heeren getuigenis.
Is het te verwonderen, dat het vrije lied toen bij voorkeur gebruikt werd en men aan het eigengemaakte lied, het zuiver menschelijke product, meer waarde hechtte dan aan Gods onfeilbaar, van den Geest geïnspireerde Woord ? De psalmen werden vergeten; liederen, hymne's, gezangen werden regel in de geheel en al verroomschte Christelijke Kerk.
Doch wij weten het, God de Heere heeft Zijn Kerk niet vergeten. Toen alles in de diepte der afgoderij, zondedienst, menschenbehagerij eii wereldgelijkvormigheid verzonken lag, gedacht de Heere aan Zijn Sion, want de tijd om haar genadig te zijn was gekomen.
De Heere begon Zijn Kerk te reformeeren, en de gezegende Hervorming kwam. Maar mèt de Hervorming kwam ook de leerdienst weer in eere, en het „predik het woord" werd weer het hoofdbestanddeel in de godsdienstoefening der gemeente, en kreeg de eereplaats als in de dagen van ouds.
Ook in ons vaderland. Denk aan de samenkomsten der Hervormden, de „hagepreeken" en zooveel meer dat er ons op wijst, dat de prediking van het zuivere woord, begeleid door het zingen van een psalm uit Gods eigen woord, aan de behoeften van het levendgemaakte, hervormde volk van de Nederlanden volkomen bevrediging en voldoening schonk.
Terecht is gezegd: de gereformeerden hadden liever een soberen eeredienst dan een poveren leerdienst, en de vrees dat gezangen en menschelijke liederen „onbijbelsche denkbeelden" zouden invoeren, weerhield hen om in de samenkomsten der gemeente iets anders te zingen dan het zuivere woord van God, de psalmen van de door God zelf geïnspireerde zangers.
Dr. G. spreekt dit niet tegen. Integendeel, op bladz. 139 bekent hij vrijmoedig de waarheid: „dat al onze gereformeerde synoden de gezangen hebben bestreden en veroordeeld", om reden zij „de verzoeking tot het kwade wilden vermijden."
Wij willen enkele der synode-besluiten noemen, opdat men zien kan 'hoe men in den eersten, levendigen tijd der Reformatie over deze dingen dacht.
Op de synode te Wezel in 1568 werd bepaald: „in de kerkelijke gezangen zal men in alle kerken van Nederland onderhouden, de psalmen van Datheen overgezet." Te Dordrecht werd in 1574 hetzelfde besluit genomen. De nationale in Dordrecht in 1578 idem, te Middelburg werd in 1581 't zelfde besloten en de synode te 's Hage in 1586 sloot zich weer bij die van Middelburg aan, en eenparig verklaarden zij alle zich tegen het gebruik van gezangen in de openbare godsdienstoefening.
Ook de Kerkenorde van 1591 gaf er een nadere bepaling van, en eindelijk was het de bekende SYNODE VAN DORDRECHT in'1618 en '19 gehouden, die het oordeel van alle vroegere synoden bevestigde in het bekende 69ste artikel van de Dordtsche Kerkenorde, waarin (met een kleine inconsequentie !) bepaald werd, dat men naast de psalmen en de lofzangen (achter de psalmen), „alle andere gezangen zal uit de kerken weren, en waar er eenige alreede ingevoerd zijn, men dezelve met de gevoeglijkste middelen zal afstellen."
Deze laatste bepaling doet de deur dicht. Zelfs Dr. G. bekent er van dat „deze bepaling als maatregel tegen den Arminiaansehen geest die doordrong in de kerk, alleszins gepast was", en dat het wel zeer noodzakelijk was, dat een dergelijke bepaling gezet werd in de Dordtsche Kerkenorde, kan blijken uit het feit, dat in 1612 al een Remonstrantsch gezangboek met 58 gezangen in de gemeente van Utrecht ingevoerd was, - welke invoering echter (gelukkig!) totaal mislukt is.
Dr. G. voelt ook zeer goed, dat er bij het geref. volk uit die dagen geen plaats was voor een gezangboek, naast of boven de psalmbundel, en met den grootsten nadruk spreekt hij dan ook als zijn overtuiging uit, dat „zulk een boek (psalmbundel) geheel paste bij den kerkdienst van ons voorgeslacht, dat onze vaderen tevreden waren als de waarheden der gezuiverde religie maar onderwezen werden. Ja zelfs, als hij (enthousiast als hij spoedig is!) in bewondering komt voor dien tijd en die menschen en dat leven der echte, levende, gereformeerde vaderen, dan roept hij uit: „wat kon voor het geref. hart dierbaarder zijn dan een psalmboek van Datheen, dat al de gestalten der gemeente Christi en der geloovigen zoo vertroostend te genieten gaf!" (blz. 42) Zoo sterk gevoelt hij het nog, in het jaar 1910, dat hij zijn „oud Datheentje" nooit in zijn handen neemt, „zonder een trilling van eerbied" in zijn ziel, en dan in ontroering uitroept: „o onze psalmen, zangen van onze martelaren, wie zal uitspreken wat gij tot ons spreekt, tot ons op dien grond, rood geverfd van ons bloed" Ja „waarlijk, zoo beschouwd krijgen onze psalmen iets nationaals" .... en „niets zoo geschikt om de „Roomsche Hoere" te bestrijden, die te vuur en te zwaard Gods arme, verdrukte kinderen zocht te verdelgen!" rblz. 36, 40, 41).
Voorwaar! onze gereformeerde Kerk heeft in haar bloeitijd nooit iets anders gewild, gezocht, gekend en geliefd dan „de psalmen Davids", en mannen als Marnix, Calvijn, later Brakel e. a. hebben voor hun theologisch denken en voor hun praktisch zieleleven nooit anders en nooit meer begeerd.
Helaas! Toen na den bloeitijd voor onze Kerk de afzakking intrad, toen zakte ook weer de liefde voor het psalmboek.
Wie kent niet den tijd tusschen 1619 en 1807? 't Gaat voortdurend met alles „achteruit", „de dood komt in de pot", en de liefde voor de gezangen vlamt op. In 1795 wordt de beweging voor den gezangenbundel zeer sterk en op 1 Jan. 1807 wordt de beruchte bundel, waarover nu al 100 jaar gevochten is, ingevoerd. De milde en verlichte brave-Hendrik-geest had gezegevierd, de waarheid lag vertrapt in de Kerk, en de vrijdenkerij werd verheerlijkt.
Toen moesten er gezangen komen, in een tijd zoo dood en ellendig als geen tijd aan te wijzen is in onze vaderlandsche kerkhistorie, TOEN is de bundel INGEVOERD.
En hoe ingevoerd? Onwettig!
Dr. G. „erkent" in aant. 41 „volmondig" dat „naar zuiver gereformeerd kerkrecht het verbod der D. K. O. om gezangen te zingen alleen door een nationale Synode kon opgeheven worden ... en „dat in dien zin de gezangen (vóór 1816) strikt-juridisch onwettig waren."
Volkomen juist! Want
1. een provinciale Synode wilde afschaffen wat een generale bepaald had,
2. zonder visitatie en approbatie geschiedde het,
en 3. terwijl het recht der gemeente verkracht was.
Het verwondert ons dan ook niet, dat zich een geweldig verzet openbaarde tegen de invoering van dien bundel, tegen den geest der gezangen, en later tegen den dwang om ze te zingen bij de godsdienstoefening.
Omdat ze in strijd waren met de formulieren van eenigheid wilde men ze niet, en Dr. G. kan zich begrijpen dat „deze vreemdelingen in de vaderlandsche Kerk met 'geen welwillend oog aangezien werden (bl. 131). Zij gevoelden nog te goed dat „de kostelijke apotheek, waar alle kranke en bezwaarde harten medicijn en lafenis nimmer te vergeefs zoeken — de psalmbundel — daarmee als 't ware gesloten werd (bl. 57).
Als wij ons zoo den loop der dingen voor oogen stellen, wat zegt dan de stem der historie ons duidelijk? Dan roept die stem ons luide toe, dat de niet-gezangen-zingende gereformeerden iri de Herv. Kerk HET RECHT aan hun zijde hebben, dat ZIJ in DE LIJN DER VADEREN zijn.
Want 't geheel overziende wijst de geschiedenis ons aan, dat
1. de ketters (Arianen in de 4de eeuw) de vrije liederen hebben ingedragen;
2. de ketters (Remonstranten in de 17de eeuw) het in onze vaderlandsche Kerk weer hebben beproefd doch tevergeefs, en dat
3. de ketters (Supra-naturalisten en Ration, in de 19de eeuw!) er in geslaagd zijn om een gezangboek, met zooveel ketterijen, dat zelfs Dr. G. er niet als verdediger van wil optreden (pag. 142) in onze Kerk in te voeren.
In één woord, dat het altijd menschen geweest zijn die afwijkende leeringen voorstonden, die pro
(voor!) waren, en dat het altijd de waarheidlievende gereformeerden geweest zijn, die de contrapartij (tegen!) hebben ingenomen.
Ten slotte!
Nog één poging wordt er gewaagd om gezangen in de Kerk te krijgen. Nog één poging! Voor wie? Ja, 't is wonderlijk om te zeggen, maar 't is waar, door die broeders, die zich afgescheiden hebben van de ware, Hervormde Kerk, en in „Geref. Kerken" het Woord bedienen!
Daar wordt weer een poging gewaagd.
Doch, ofschoon ze al 30 jaar bezig zijn, een bundel is er nog niet.
Men wil het wèl, maar men durft het toch niet.
De afscheiding van '34 is er nog niet genoeg uitgewerkt, en de vrees dat er nog meer naar de niet-gezangen-zingende predikers zullen overloopen houdt hen tegen.
Wat dunkt u, is de stem der geschiedenis duidelijk?
Die ooren heeft om te hooren, die hoore!
{Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juli 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juli 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's