Stichtelijke overdenking.
En Hij zal Israël verlossen van al zijne ongerechtigheden. Ps. 130:8.
Hoe vervliegt veler leven in grenzelooze oppervlakkigheid. In zyn droefheid en blijdschap mist de mensch zoo vaak allen diepgang. Hy fladdert over de oppervlakte van zijn leven, zonder af te dalen in de diepte, De treffendste gebeurtenissen slaan toch noch maar zo zelden de haken diep in ons innerlijk levensbestand, Wat leeren we weinig van de dingen onzes levens; hoe gaan ze ons vaak voorbij zonder een spoor bij ons achter te laten. Wij zijn hardleersch, En laat dit bij den eenen mensch sterker nog uitkomen dan bij den ander, over óns allen toch heeft de zonde den vloek der oppervlakkigheid uitgegoten. En daarom verstaat de natuurlijke mensch niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; daarom merkt hij niet op, en speurt Gods vinger niet in al wat hem wedervaart. Zijn blik blijft hangen in den buitenkant der dingen. Onder- en achtergrond gaan voor hein schuil. In dit teeken der oppervlakkigheid staat heel zijn leven, maar staan bijzonderlijk die dingen, die den mensch pijn doen en in moeite dompelen en over zijn levensakker spreiden den nevel der droefheid. Daarvan is in 't leven van eiken mensch. Elk huis heeft zijn kruis, elk hart kent zijn smart. Waar trekt niet 't kouter der smart de lijdensvoren door den akker des levens? Waar drupt niet de traan van den weedom in 't zand der woestijnen? Waar striemt nooit suizend neer de geesel der tegenheden? Waar is 't leven dat nooit werd ingedeukt door de mokerslagen van den onspoed?
Neen, in elks beker wordt de alsem gemengd!
Als gij de snaren van den weemoed tokkelt, dan vindt ge weerklank bij velen. Maar de mensch verstaat niet zijn lijden en druk, omdat hij vergeet de waarheid van 't eenvoudige woord: waren er geen zonden, er zouden ook geen wonden zijn. En nu tracht hij op velerlei wijze zich te ontworstelen aan de knellende klem van de smart. Ontvluchten wil hij de kolken van den nood; weglachen de gruwelen van 't lijden; ja 't uiterst zijner krachten spant hij, om den greep der moeiten te ontkomen. Maar 't is al te vergeefs! want geen krankheid wordt geheeld, of de bron moet gekend; de oorsprong der kwalen moet opgespoord, zal de genezing duurzaam zijn. En 't is aan dat onderzoek, dat zich de mensch niet wil onderwerpen.
Hij schuwt een grondige behandeling zijner levenskrankheid, hij deinst, wanneer zijn wonde moet blootgelegd en zijn kanker gepeild. Omdat hij voor dien diepen weg terugschrikt, daarom stelt hij zich niet in handen van den Hemelschen-Arts. Maar dan heeft hij ook nimmer blijvend herstel te verwachten.
Beter is 't, mijn lezer, als gij u door genade aan dien Heelmeester Israels moogt toevertrouwen.
Van vrede spreekt Hij niet, als jammer u bedreigt. Uw toestand verheelt Hij u niet. Zijne behandeling is niet pijnloos vaak, want Hij legt uw wonden bloot, en doet u peilen den nood. Hij wijst u den oorsprong uwer kwalen aan; hierin; „wie God verlaat, heeft smart op smart te vreezen". Dat leert Hij zien, wie zich aan Zijne zorgen toevertrouwt. Hij neemt de schellen van voor de oogen weg; hij scheurt 't waas onzer oppervlakkigheid; Hij doet u afdalen naar de diepte, waar ge den wortel van alle uw levensmoeiten vindt in de zonde, in uwe afwyking en vervreemding van den levenden God, in uwe ongerechtighede, dat gij grootelijks tegen den Heere uwen God hebt overtreden, en gedaan wat kwaad is in Zijne heilige oogen. En dan wordt 't openbaar, dat geen geneeswijze u bate zal brengen, die met die ongerechtigheden geen weg weet, Van die ougerechtigheden, van die zonde en afwijking van den Heere, spreekt ons tekstwoord, en daarrvan nu, zoo zegt 't, zal de Heere Israël, Zijn Israël verlossen. Laat ons bedoeld schriftwoord even nader beschouwen. t Is 't laatste vers van een lied, van een lied hammaaloth zooals 't opschrift luidt; d. w. z. een optochtslied, een pelgrimspsalm, waaronder Israël uit de verstrooiing van den ouden dag optrok naar Sions Godgewijden top, om daar op die heilige plaats, waarheen in 't vreemde land van af hun prille dagen 't zieleheimwee trok, Jehova te aanbidden en met offeranden te naderen. In dit opgaan uit vreemde landen naar 't aardsch Jeruzalem in oude tijden ligt zoo treffend voorgebeeld de pelgrimsreize van Gods volk uit de verstrooiing dezer wereld naar het hemelsch Sion. Ook zij dus nemen bij tijden dit lied hammaaloth, dezen pelgrimspsalm op de lippen; uit de diepten trekken zij op naar 't land, waar de Heere hen zal verlossen van al hunne ongerechtigheden; verlossen, merk er wel op, niet in de eerste plaats van rampspoed en droefheid, tranen, maar van hunne ongerechtigheden, en daarin ook van al dat andere, dat als bijtend gif uit die zwarte zondebron opborrelt.
In dit verlossen van ongerechtigheden ligt meer nog dan in 't vergeven daarvan. Het wil zeggen, dat zij met wortel en tak, met bron en gevolgen uitgeroeid en verre weggedaan worden van allen, die den Heere Jezus Christus in onverderfelijkheid liefhebben. Hier blijft de worsteling tegen de zonde voortduren, ook na ontvangen genade; ook nog nadat een ziele van 's Vaders lippen mocht beluisteren : wees. welgemoed, uwe zonden zijn u vergeven, kan die zonde zoo machtig over u heerschen, zoo bange scheiding slaan tusschen den Vader omhoog en Zijn kind hier beneden. En o, dan kan 't, bij het speuren van zooveel, dat overnieuw aanklaagt, der ziele zoo bang worden. Als wij 't na zooveel goede voornemens telkens weer dieper voor den Heere verderven, o dan kan alle moed ontzinken en de wanhoop de ziel bedreigen; dan kan 't niet anders, of droefheid en verslagenheid wonen in 't harte. Maar eens heeft dit uit. Niet immer zal dit duren, niet eeuwig zal Gods volk voor de zonde als een open vesting zijn. Verlost van al hunne ongerechtigheden door den God, Die geen half werk doet, zullen ze eenmaal als een reine Bruid zonder vlek en rimpelgesteld worden voor den troon des Vaders.
Dan zal geen smet meer ontsieren 't beste werkstuk van Gods heilige vingeren. Zijn volk.
Dan, dan rijst geen wolkske van zonde meer aan den hemel hunner zaligheid, waaruit leed en smart neerdruipen zouden, dan wringt zich geen tweespalt meer tusschen den Vader en 't kind, tusschen wie nu nog de zonde zoo vaak scheiding teweegbrengt, dan breekt geen nevel ooit meer 't licht van 's Vaders vriendelijk aangezicht! dan striemt geen noodweer, dan pijnt geen raadsel, dan kwelt geen vraag, geen twijfel meer; dan scheurt geen zondesmart meer den boezem open, dan rijt geen zelfverwijt meer 't hart van een, dan is alles wat hier prangde en benarde verre weggedaan; dan, in dat hemelsch vaderland, zegt geen inwoner meer: ik ben ziek omdat, omdat 't volk, dat daarin woont verlost is van al zijne ongerechtigheden. Want de zonde, die was de kloof, waaruit alle nevel opdoemt, die ons leven verwoest en onze vrede verteert! die is de wortel van al uwe krankhéden, o menschheid! uwe zonden zijn uwe diepste rampen, oorzaak van uw bangsten jammer! Die wortel moet uit u weggedaan, eer zijt ge niet voor eeuwig genezen. En zoo nu, zoo grondig en voor eeuwig afdoende geneest de Heere alleen Zijn gunstvolk! Wel dompelt Hij ze daartoe vaak in den smeltkroes der verdrukkingen, opdat ze verstaan zullen, dal 't hunne zonden zijn, die scheiding delven tusschen den Heere en hunne ziel, en daarom moet er op dezen weg veel leeds geleden, veel strijds gestreden veel gebeds gebeden zijn; maar o, mijn lezer, tegen al dat pelgrimstobben weegt zoo duizendvoudig op de heerlijkheid van dat van verre reeds lichtend Vaderhuis, waar Israël verlost is van al zijne ongerechtigheden. Zuchtend vaak, kwijnend onder den last hunner ongerechtigheden, trokken zij voort, hun tranen plengend in 't zand der woestijn, maar hebt goeden moed, gij die den Heere hebt tot uw hoog Vertrek, straks zijn met uwe ongerechtigheden ook de moeiten en vervaarnissen van uw pelgrimsreize voor eeuwig weggedaan.
O, trooste met dat vergezicht de Heere zelf Zijn volk, en spreke Hij zelf bij 't zwalpen der baren en 't barnen der branding. Zijne kinderen toe, ze wijzend op dat schoon verschiet: dra is uw strijd vervuld en zijn uwe ongerechtigheden voor eeuwig weggedaan; dra drupt geen .traan meer op 't pelgrimspad neer. Wel loopt dit pelgrimspad door druk en donker, maar aan 't einde der steile baan gloort de eeuwige morgenstond, waar de zonde voor eeuwig is weggedaan, en God zal zijn alles in allen!
Maar (blij vooruitzicht dat mij streel!, ) Ik zal ontwaakt Uw lof ontvouwen, u in gerechtigheid aanschouwen, Verzadigd met uw Godlijk beeld!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juli 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juli 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's