Staat en Maatschappij.
3 Augustus.
3 Augustus is de dag der Unie-collecte, de jaardag van het Volkspetitionnement van 1878.
Dan zal voor de twee-en-dertigste maal worden rondgegaan, om giften en gaven in te zamelen voor de Scholen met den Bijbel.
Zij 't dit jaar een feestgave, een dankoffer. De Heere gaf zeer groote ruimte.
Op 15 Juli was allerwege op onze Christelijke Scholen de vlag in top. Dien dag werd in de gemeente Vreeland de duizendste School met den Bijbel geopend.
Honderd zestig duizend leerlingen bezoeken de Christelijke School.
Welk een zegen, welk een voorspoed! Bijzonder gepast is ditmaal het woord, dat gekozen werd om de Unie-collecte voor 1910 bij ons Christenvolk in te leiden. In het Unieblaadje No. 44 wordt herinnerd aan het Schriftwoord uit Genesis 32:10: Ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden." Het Unieblaadje schrijft over dezen tekst:
Dit woord van den aartsvader Jacob paste voorzeker in zijn mond. Als balling had hij zijn land verlaten. vluchtende voor den wreker, voor Ezau zijn broeder, met een staf en een oliekruik als eenige bezitting. En thans is de vlakte bedekt met zijn kudden van schapen en runderen, kameelen en ezelen.
En toch werd deze danktóon geuit in den grootsten nood.
Jacob keert terug, rijk en machtig, doch als een schrikbeeld rijst daar voor hem op de gestalte zijns broeders, die hem tegentrekt met vierhonderd mannen.
't Is om zichzelven te herinneren aan de zegeningen des Heeren, maar ook om daarop als op ontvangen bewijzen van Gods gunste te pleiten, dat dé Aartsvader aldus spreekt. De toekomst is wel donker, maar de herdenking van het heerlijk verleden kan hem sterken.
Die stemming, zoo gaat de sehrijver van het blaadje voort, past ook ons bij de aanbeveling van de twee-en-dertigste collecte.
Ook het .begin van ons Christelijk Onderwijs was klein en gering en thans is het land bedekt met een menigte van scholen.
Soli Deo Gloria!
Maar dan die donkere toekomst, het gevaar dat dreigt?
Dat gevaar bestaat hierin, dat we ons zullen verheffen, nu we sterk geworden zijn. Daarom is het noodig, dat we terugzien op ons klein begin.
Doch op nog een ander gevaar wordt gewezen, nl. „dat onze liefde zal verflauwen."
Zal dit? We gelooven het niet. Zeker, er zijn thans duizend scholen.
De teere plant groeide op tot een wijdvertakten boom.
Maar zal daarom onze ijver minder worden?
Immers neen! Reeds hierom niet, omdat nog duizende kinderen dagelijks roepen om Christelijk Onderwijs.
Daarom het geweer niet bij den voet geplaatst, maar opnieuw den staf gegrepen en voorwaarts gegaan.
Blijke dit goede voornemen, onder beding van Gods genade, uit de opbrengst der Unie-collecte.
Groote zegeningen hebben we reeds genoten, laten we uit dankbaarheid voor dien wonderen zegen in 's Heeren kracht blijven voorttrekken tot eere van Zijn naam en tot zegen van volk en vaderland.
Afgestemd.
Zooals onze lezers weten, krijgt Rotterdam zijn 17den predikant niet, althans het Rijk zal voor dien predikant het rijkstractement van f 1500 niet uitkeeren.
Onder de 21 stemmen tegen, waarmede het ontwerp tegen 17 stemmen vóór werd verworpen, waren er vier van antirevolutionairen. Hadden deze anders gestemd, dan was het wetsontwerp aangenomen geweest.
Toch hadden de voorstanders van eene vermeerdering van het aantal rijkstractement bij een aannemen van het voorstel niet veel gewonnen. Zeker Rotterdam zou zijn dominee hebben gekregen, maar daar was het dan ook bij gebleven.
De Minister van Finantiën zeide het toch uitdrukkelijk in de zitting van 1 Juli in de Eerste Kamer, dat door het bewilligen van de gevraagde f 1500, geen praecedent werd gesteld en bovendien verklaarde hij, dat niet spoedig een nieuw voorstel van dien aard zou zijn te wachten, al ware het alleen maar om de critiek die de aanvrage bij de S'aten-Generaal had ondervonden.
Rotterdam zou dus een opzichzelfstaand geval zijn gebleven, en daarom hadden, naar het ons wil voorkomen, alle antirevolutionairen, ook de vier tegenstemmers, ditmaal hun steun aan Minister Kolkman kunnen verleenen.
Zoo hebben ook de antirevolutionairen in de Tweede Kamer over de zaak gedacht, toen zij unaniem voor het verleenen van het rijkstractement stemden. Want zou Rotterdam niet een unicum gebleven zijn, dan zou bij eenige mindere nauwgezetheid te dezer zake, de vermeerdering van Rijkstractementen voor 's lands finantiën ver strekkende gevolgen kunnen hebben.
Ook van Roomsche zijde zou men voor menigen priester om Rijkstractement bij de Regeering zijn komen aankloppen.
Doch hoe dit zij, voor dit ééne geval had men Rotterdam kunnen helpen. Dat de Eerste Kamer dit niet deed, is voor hare Verantwoording. Misschien heeft de afstemming nog wel hare goede zijde.
Naar onze meening moet het om tot afdoende regeling der predikantskwestie te komen niet de richting uit van eene vermeerdering van het aantal predikantsplaatsen, welke door het Rijk worden betaald. Rome en het modernisme varen daar wel bij. Wat wij moeten hebben — en telkens springt de noodzakelijkheid daarvan duidelijker in het oog — is: „finale afrekening", en wel op royale en afdoende wijze.
De verhouding tusschen Kerk en Staat moet ééns en voor goed worden geregeld.
Misschien wordt de kwestie Rotterdam aanleiding, dat art. 171 der Grondwet bij de herziening dezer Wet de bijzondere aandacht zal hebben.
We hopen het!
Het Caudijnsche juk.
De verkiezing van leden voor de Eerste Kamer heeft dit keer bijzondere belangstelling getrokken voor Friesland.
In die provincie trad een liberaal af, die zich echter niet in de bijzondere gunst der sociaaldemocraten mocht verheugen.
Mr. Troelstra's vrienden stelden daarom aan de vrijzinnigen den eisch den oud-liberaal Mr. Van Beijma los te laten en een ander vrijzinnige te kiezen, of wel zij zouden zich van stemming - onthouden on dan was het met de macht der vrijzinnigheid gedaan.
Men kent den afloop.
De liberalen bogen zich en gingen onder het Caudijnsche juk der socialisten door.
De Nieuwe Rotterdamsche Courant schreef „dat zij het niet had gedacht, dat de liberalen voor het socialistisch dreigement zouden zijn uit den weg gegaan en den heer Van Beijma eigener beweging zouden hebben prijs gegeven." Nu dit toch gebeurd is, spijt het haar zeer, dat hare politieke geestverwanten de socialisten in het gevlij zijn gekomen.
We kunnen dit leedwezen van de N. R. Ct. begrijpen, maar had men het eigenlijk anders kunnen verwachten?
Ons dunkt dal; het blad in de naaste toekomst nog wel andere dingen zal zien.
Het liberalisme is zonder de sociaal-democraten niets meer. De vrijzinnigheid leeft bij de gunst der socialisten.
De laatsten deelen de lakens uit.
Alles wijst er op, dat de tijd niet verre meer is, dat de vooruitstrevende mannen van links, de voorstanders van het algemeen kiesrecht in bloc zullen gaan met de sociaal-democratie.
De leiding is dan aan Mr. Troelstra. Het is de gang van het hellend vlak.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juli 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juli 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's