De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

7 minuten leestijd

Opening van de godsdienstoefening.

Alle dingen moeten eerlijk en met orde geschieden.

En dat is niet het geval als de menschen 's Zondags extra laat opstaan, naar de kerk vliegen en dan binnen stormen als de godsdienstoefening reeds begonnen is.

Men moet zóo opstaan aan den morgen van den dag des Heeren, dat men een oogenblik tot stille betrachting overhoudt en rustig zich kan voorbereiden om kerkwaarts te gaan.

Immers het is niet in orde, wanneer wij niet inleven in de dingen die ons omringen; als we niet gedenken voor den leeraar te bidden; als we niet betrachten God te mogen ontmoeten in Zijn heiligdom.

En hoe moet de dienst des Heeren in Zijn huis dan aanvangen?

Op het slaan van de klok worde een psalmvers opgegeven door den voorzanger, opdat men zich saam vereenige in het zingen — een psalmvers, dat aanstonds een indruk kan geven van 't geen staat te gebeuren (b. v. Ps. 27 : 3, Ps. 42 : 1, Ps. 43 : 3, 4, Ps. 84 : 1, 2, Ps. 92:1, 2, Ps. 96:1, Ps. 122 : 1, 2, enz.)

Onder het zingen komt de leeraar op, vergezeld van den kerkeraad.

Niet te laat. Liefst aanstonds bij het begin van het zingen. Leeraar en kerkeraadsleden hooren er ook bij!

Aanstonds na het zingen worde de samenkomst geopend door het uitspreken van het votum (van het latijnsche woord voveo = toewijden).

Dat is het toewijden van de samenkomst der Gemeente aan den Heere.

Daarom moet het votum de vergadering ook openen.

't Kan en het mag niet uitgesteld worden totdat er al heel wat gebeurd is; b.v. lezen van de Wet des Heeren en lezen van een gedeelte van Gods Woord. Tenzij men dat lezen bezigt als tijdverdrijf, om de stommelende Gemeente gelegenheid te geven binnen te komen en te gaan zitten op hun plaats of in bank.

Doch — we voelen het — daar is.het lezen niet voor. De Gemeente moet met het slaan der klok binnen zijn. Desnoods kome nog een enkele onder het zingen. Maar met het eindigen van het zingen moeten allen vergaderd zijn. En dan mag niet de voorlezer het eerst het woord hebben. Dan moet de knecht des Heeren, de bedienaar des Woords, het samenzijn openen — waartoe steeds gebruikt is het uitspreken van „het korte gebed" oftewel het votum. Daarmee moet de dienst des Woords en de dienst der gebeden worden ingewijd. Daarmee moet de massa menschen worden omgezet.in de gemeente des Heeren, in Zijn huis vergaderd zijnde.

Na het uitspreken van het votum heeft de saamgekomen schare het karakter van de vergadering van het volk des Heeren.

Daarom bepaalde de Synode van Dordrecht dan ook, dat het votum moet uitgesproken worden na het zingen van het eerste psalmvers en niet eerst na de lezing van de Wet, van de artikelen des geloofs en van een gedeelte der Schrift.

In een gewone vergadering worden toch ook niet eerst de notulen gelezen, eenige op-en aanmerkingen gemaakt, terwijl de voorzitter dan eerst plechtig gaat zeggen: ik open de vergadering.

Men zou dan aanstonds zeggen: die man begrijpt niet wat hij doet en wat hij zegt.

Daarom het votum aanstonds na het zingen van het psalmvers en vóór de lezing van Wet en Evangelie.

Het votum moet altijd kort zijn; terwijl er veel voor te zeggen is hiervoor een vasten vorm te kiezen.

De Synode van Dordt, gehouden in 1574, bepaalde hieromtrent reeds in Art. 37: „Overmits dat men met verscheyde woorden den ingang tot den Gebede en Predication pleeg te maken, is goed gevonden, dat men eenderley woorden gebruike na dat de Psalm gesongen is, namelijk dese: Onse hulpe staat in den Naam des Heeren, die hemel en aarde geschapen heeft, amen."

Heel dikwijls - gebruikt men andere woorden daarvoor, meestal een korte spreuk van verschillende Schriftwoorden saamgenomen. Gewoonlijk om de leer der Drieëenheid Gods op den voorgrond te stellen; b. v. „in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes, den eenigen en drieëenigen God, zij het begin, de voortzetting en het einde van dit ons samenzijn, amen."

Niet zelden ook is het votum ontleend aan Openb. 1 : 4 enz.

Hier is op zich zelf niets tegen.

Als algemeene regel geldt: kort, duidelijk, schriftuurlijk.

En als 't kan steeds met dezelfde woorden - alleen 's morgens anders dan 's avonds.

(Wat ook voor het uitspreken van den zegen vóór en na de godsdienstoefening geldt).

Zoo zijn wij zelf gewoon om b. v. de morgengodsdienstoefening te wijden met deze woorden: „onze hulpe staat in den Naam des Heeren, die hemel en aarde gemaakt heeft. Amen." (Ontleend aan. Ps. 124).

Een zich werpen van de Nieuw-Testamentische Gemeente op den almachtigen God, die zoo vol heerlijkheid is en met majesteit is bekleed.

Terwijl wij des avonds doorgaans beginnen met dit votum: „In den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes, den eenigen en drieeenigen God des Verbonds, zij het begin, de voortzetting en het einde van dit ons samenzijn, opdat het strekke tot eer en verheerlijking van dien driemaal heiligen Naam en tot stichting van des Heeren duurgekochte Gemeente. Amen."

Na het votum volge aanstonds eene korte zegenbede, naar hot voorbeeld van den apostel Paulus schrijvende aan de Gemeenten (zie o. a. Rom. 1:7; 1 Cor. 1:3; 2 Cor. 1:2; Gal. 1:3; Fil. 1:2; 1 Thess. 1:1).

Ook dit zij kort, steeds in dezelfde bewoordingen, schriftuurlijk, b. v. „Genade zij der gemeente en vrede, van God onzen Vader, van Jezus Christus onzen Heere, in de gemeenschap des H. Geestes. Amen."

(Waarbij Paulus, als staande in het midden van de gemeente, altijd spreekt van onzen Vader — slechts éénmaal (Gal. 1:3) van den Vader).

Wil men b. v. op feestdagen deze zegenbede eenigszins wijzigen (met woorden uit de Schrift) om de Gemeente aanstonds een indruk te geven van het bizondere dat te gedenken valt, dan verdient dat aanbeveling.

B.v. op Paaschfeest: „genade zij der gemeente en vrede van Jezus Christus, die den dood heeft te niet gedaan en het leven en de onverderfelijkheid heeft aan het licht gebracht! Amen."

Alleen de eerste woorden: „genade zij der gemeente en vrede" late men steeds onveranderd.

Op deze zegenbede volge de voorlezing van de Wet des Heeren en een gedeelte der H. Schrift, gelijk 's avonds van de 12 Artikelen on een hoofdstuk uit Gods Woord.

De bedienaar des Woords geve dat in het midden der gemeente op. Hij is het die het laat voorlezen. Niet de voorlezer beschikt dat.

't Behoeft niet gezegd te worden, dat dit als een voorbereiding voor de predicatie moet worden beschouwd en dan ook in verband met de te behandelen stof gekozen moet worden.

't Is geen tijdkorting; 't is geen bezigheid, terwijl de stommelende gemeente binnenvalt.

't Is - een deel van den dienst des Heeren, strekkende tot eere des Heeren en tot heil voor de ziel.

Na het lezen van de Wet des Heeren (of de 12 art. des geloofs) en een gedeelte der Schrift, volge het gemeenschappelijk of groote gebed, waarin de leeraar voorgaat, staande in de plaats der gemeente, waarin een gemeenschappelijk schuld belijden wordt beluisterd en een gemeenschappelijk gebed worde gehoord.

Justihus Martyr, van wien we de oudste berichten bezitten aangaande de wijze waarop de Christenen, omstreeks het jaar 138, gewoon waren hunne godsdienstoefeningen in te richten, zegt: „na de voorlezing van een gedeelte der H. Schrift enz., staan wij allen op en bidden.

Het gebed is een van de voornaamste stukken van den eeredienst.

Of wordt Gods huis niet vaak het „bedehuis" genoemd?

Vóór en na de preek worde dan ook eerbiediglijk en ernstig gebeden door den leeraar! (Synode van Wesel 1568, van Utrecht 1612).

Calvijn, die veel gewicht aan het gebed hechtte, wilde zoowel het „vrije" gebed als ook de formuliergebeden. Zie zijn Forme des prières (1542).

Toen Ravestein later in zijn „Nazireër" (hfdst. III) betoogde, dat de gebeden uit den Geest te verkiezen waren boven formuliergebeden, sprak hij naar het hart van zijn tijdgenooten en ook naar het hart van velen onzer dagen. Toch kan het nuttig en goed zijn de formuliergebeden te raadplegen en wie de waarheid van de Schriften liefheeft, zal er zeer zeker iets goeds in vinden; o. a. kan het gebed vóór de preek op Zondag, dat achter de uitgaaf van Datheen's psalmen van 1567 gevonden werd en in 1618 daaruit onveranderd is overgenomen, tot model dienen.

Na het gemeenschappelijk gebed volge gemeenschappelijk zingen, waarna de leeraar zijn tekst opgeeft en daarover tot de Gemeente spreekt, liefst ordelijk verdeeld en onderbroken door psalmgezang.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's