Stichtelijke overdenking.
Joh. 16 : 33b. In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen.
Hebt goeden moed
Wanneer gij bij iemand in dienst gaat of omgekeerd wanneer gij iemand bij u in dienst neemt, dan maakt gij te voren een afspraak met hem. Dan stelt gij te voren het loon vast dat er verkregen zal worden, maar gij bepaalt ook de voorwaarden, waaraan er om dat loon te verdienen moet worden voldaan. Gij maakt met zoo iemand een overeenkomst, een contract, dat tegenwoordig zelfs aan wettelijke voorschriften moet worden getoetst.
Zoo nu doet ook de Heere met alle degenen, die zich aan Zijn dienst verbinden willen. Hij maakt eerst een overeenkomst met hen; Hij laat hen m. a. w. eerst zien de lichtzijden, maar ook de schaduwzijden die er aan Zijn dienst verbonden zijn.
Ja, daar zijn lichtzijden, heerlijke lichtzijden aan den dienst van God. De dienst des Heeren is een zalige dienst, zoo zalig dat de dichter het heeft uitgeroepen: „Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten."
Maar daar zijn, althans voor het vleesch, aan dien dienst des Heeren ook schaduwzijden, en nu heeft Christus voor Hij van deze aarde henenging ons zoowel op het een als op het ander willen wijzen. Immers Hij heeft tot Zijne discipelen gezegd: „In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen."
„In de wereld verdrukking." Ziet daar de schaduwzijde; ja dat is op zich zelf een ontmoedigend vooruitzicht voor een iegelijk die zich aan den dienst des Heeren verbindt.
En wanneer wij over de verdrukkingen spreken waarmee de Kerk des Heeren hier te worstelen heeft, dan dient voorop gesteld te worden dat er verschillende verdrukkingen zijn; in de eerste plaats verdrukkingen die Gods kinderen met de kinderen dezer wereld gemeen hebben, en bovendien nog verdrukkingen waaraan zij boven anderen onderworpen zijn.
Ja, daar zijn verdrukkingen, waarvan niet slechts het volk des Heeren, maar waarvan ook het kind dezer wereld getuigen kan. Immers de gansche wereld ligt verdoemelijk voor God; de gansche aarde ligt onder den vloek en brengt dies doornen en distelen voort. Gaat dan ook de gansche wereld, die in het booze ligt, maar rond; treedt de hutten der armen, de huizen der rijken, treedt zelfs de paleizen der koningen maar in, en overal zult gij 't ervaren dat deze wereld een wereld is van druk en van strijd; overal zult gij vinden de tranen der verdrukten en dergenen, die geenen trooster hebben.
Zoo is daar b.v. een verdrukking welke de Heere in den vorm van krankheid tot ons zendt; daar is ook verdrukking waarmee de Heere ons in den vorm van armoede bezoekt; weer een andere vorm van verdrukking is de tegenspoed, waarmee zoo menigeen te worstelen heeft; en wilt gij nog een andere verdrukking, denk dan aan den dood, die als de koning der verschrikking met zijn scherpe zeis uitgaat om eerst vaak het uwe en straks uzelven neder te slaan.
Ziet daar verschillende verdrukkingen waaraan de mensch dezer wereld onderworpen is en waarvan ook een kind des Heeren geen vreemdeling blijft. Immers ook Gods volk weet van krankheid, ook Gods volk weet van armoede, ook Gods volk weet van tegenspoed; ook een kind. des Heeren ziet zich vaak ontnomen wat hij meende niet te kunnen missen; ook een kind des Heeren blijft onderworpen aan den tijdelijken dood, waartegen ook in zijn ziel vaak nog zooveel opzien bestaat.
Maar behalve deze verdrukkingen weet een kind des Heeren ook nog te spreken van een andere verdrukking, waarvan het kind dezer wereld hier op aarde steeds vreemdeling blijft. We bedoelen dat gedrukt en gebogen liggen onder Gods heilig Recht; dat was de. verdrukking van den dichter van Psalm 38 als hij uitriep:
'k Ben door Uwe wet te schenden, Krom van lenden, Vol van druk, benauwd van hart.
O, dat is de bangste verdrukking die er voor Gods kinderen in deze wereld bestaat, als zij nog geen oog hebben voor het werk van den Borg, als zij nog niet gelooven kunnen dat Christus Zijn werk ook voor hen heeft volbracht, en als zij zich dan voelen aangegrepen door den schuldeischer van Gods heilige Wet die het hun toeroept: betaal mij, wat gij mij schuldig zijt. Ja, dan moeten zij dikwijls klagen: Mijn oog treurt van wege verdrukking, dan is hun gebed een gebed des verdrukten als hij overstelpt is, dan behooren zij tot degenen die Jesaja genoemd heeft: verdrukten, door onweder voortgedrevenen, ongetroosten.
Én behalve deze inwendige verdrukking zijn er bovendien nog zooveel uitwendige verdrukkingen, waaraan inzonderheid het volk des Heeren van alle zijden is blootgesteld.
Of is het ook in onze dagen niet waar, dat velen de tegenspoeden des rechtvaardigen zijn? Is het den overste dezer wereld er niet altoos om te doen geweest om de Kerke Gods van de aarde uit te roeien en gaat Satan ook in onze dagen niet rond om degenen, die den Heere vreezen, van alle zijden te benauwen?
Evenals David op zijn vlucht voor Saul, zoo kan de Kerk des Heeren soms van alle zijden zijn ingesloten. En dan wordt de vreeze vaak machtig dat het onder de hand van den verdrukker nog een omkomen wezen zal.
Maar nu komt de Heere om zulke verdrukten te bemoedigen.
„Hebt goeden moed!" roept Hij uit, D. w. z. vreest niet, maar vervolgt onversaagd uwen weg.
„Hebt goeden moed!" En waarom behoeft Gods Kerk te midden van al den strijd dien zij te doorworstelen heeft de hoop niet op te geven? Die vraag heeft wel recht van bestaan. Immers „moed inspreken" gaat gemakkelijk genoeg, maar gij moet toch weten op welken grond de moed, dien ge inspreekt, berust.
Voor den moed dien wij, menschen, inspreken — dat blijkt aan zoo menig sterfbed — is vaak niet de minste grond.
Maar met dien moed, dien de Heere Zijn volk inspreekt, is dat anders. Daar is grond voor, en die grond ligt in deze woorden: „Ik heb de wereld overwonnen."
Nu weten we wat we onder dat „wereld overwinnen" van Christus moeten verstaan. Daar bedoelde Hij niet zoozeer mee dat Hij tot hiertoe Zijne vijanden had beschaamd, hunne listen en lagen verijdeld had. Neen, veelmeer bedoelde Hij daarmee hetgeen straks zou geschieden aan Golgotha's kruis. Met de overwinning der wereld had Hij op 't oog de overwinning die door Zijn lijden en zoendood bevochten zou worden. Door Zijn dood immers heeft Hij te niet gedaan dengene, die het geweld des doods had, nl. den satan.
Ja, ook die overwinning van Christus ging'niet zonder strijd. Ontzaglijk was zelfs de worsteling die Hij met het zaad der slang heeft moeten doorworstelen. Een oogenblik scheen het alsof de overste dezer wereld de palmtak der overwinning zou wegdragen. Maar wat hij zich de overwinning waande bleek juist de nederlaag te zijn. Immers toen op Golgotha het laatste woord van de stervende lippen des Heeren weerklonk, toen lag daar de satan met vermorzelden kop aan den voet van het kruis.
En in den overste dezer wereld was de wereld zelve getroffen. Het was daarmee als met het leger der Filistijnen, aan welks hoofd eenmaal de reus Goliath stond. Toen deze reus door David was ter aarde geveld en de Fihstijuen zagen dat hun geweldigste dood was, zoo vluchtten zij weg en er was in hen geen kracht meer om tegen Israël ten strijde te trekken. En wat dunkt u, zullen de Israëlieten geen moed gegrepen hebben toen zij zagen dat de geweldigste hunner vijanden dood was en dat het gansche vijandelijke leger in hem verslagen was?
Welnu, zoo is nu voor Gods kinderen de wereld aan dat machtige Filistijnsche leger gelijk. Tegen dien machtigen verdrukker is geen hunner bestand. Maar daar komt de groote Davidszoon. Klein en veracht is Hij in het oog van de wereld, maar in den naam des Heeren, door den vijand gehoond, heeft Hij den ontzaglijken vijand met vermorzelden kop ter aarde geveld. En wat dunkt u, zou Hij dan nu recht hebben om het Zijn strijdend leger toe te roepen: Hebt goeden moed, want Ik heb de wereld. Ik heb den vijand reeds overwonnen ?
Ja, nu de overste dezer wereld is getroffen, nu zullen de poorten der hel Gods gemeente niet overweldigen. Zeker, de vijand kan vaak nog wel aankomen als een stroom; de verdrukkingen kunnen nog wel zwaar zijn; het water kan nog wel aan de lippen komen; maar als het oog des geloofs nu maar voor dien grooten Overwinnaar geopend mag zijn, dan vreezen zij niet. Integendeel, dan roepen zij 't met den dichter van Psalm 18 uit: „met u loop ik door een bende en-met mijn God spring ik over een muur"; dan wordt het met den dichter van Psalm 27 gezongen:
„Al zie ik zelfs een leger mij omringen. Nog vrees ik niet, 'k verlaat mij op den Heer'."
Ja, dan wordt het den apostel Paulus nagezegd: „Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus."
Metterdaad, zoo is het: God geeft de overwinning. Zelve dan lijden Gods kinderen in al hunne verdrukkingen gedurig weer de nederlaag. Maar daarom is het zoo'n bemoedigende troost dat de Heere zegt: Uwe overwinning ligt in Mij. In Hem, die hen heeft liefgehad, zullen zij dan ook eenmaal meer dan overwinnaars blijken te zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 augustus 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 augustus 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's