De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

6 minuten leestijd

Weest in geen ding bezorgd. Filipp. 4:6a.

Niet bezorgd zijn

Bovenstaande woorden werden behalve vele andere vermaningen eenmaal door den apostel Paulus gericht aan de gemeente van Filippi. Het is niet van belang ontbloot op te merken dat deze woorden juist van Paulus zijn. Stel eens een oogenblik dat ze niet door hem waren neergeschreven in het onfeilbaar Woord van God, dan nog zouden ze veel van hunne kracht behouden en voor ons alleszins behartigenswaardig zijn. Want wie is Paulus? Hij is niet maar een man, die gemakkelijk door het leven kwam, dien men op zijne vermaning: weest in geen ding bezorgd! zou kunnen antwoorden: Ja, Paulus, gij hebt gemakkelijk spreken, gij weet zoo van de moeielijkheden van dit leven niet af, gij moest maar eens in onze plaats zijn, dan zoudt gij er ook wel anders over denken — integendeel! als een de moeielijkheden en zorgen van het leven gekend heeft, dan was het Paulus wel. Herinner u slechts hetgeen hij van zichzelven schrijft in 2 Cor. 11: „Van de Joden heb ik veertig slagen min één, vijfmaal ontvangen. Driemaal ben ik met roeden gegeeseld geweest, ééns ben ik gesteenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een ganschen nacht en dag heb ik in de diepte doorgebracht. In 't reizen menigmaal in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op de zee, in gevaren onder de valsche broeders; in arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid. Behalve de dingen, die van buiten zijn, overvalt mij dagelijks de zorg van alle de gemeenten."

En nu zou men nog kunnen zeggen: Ja, dat alles heeft Paulus wel doorgemaakt, maar dat behoorde dan nu toch tot het verledene. Doch dan zij hierop geantwoord: op hetzelfde oogenblik dat hij deze woorden: Weest in geen ding bezorgd ! schreef, bevond hij zich in banden te Rome, was hij een gezant in een keten. Genoeg dus om te doen zien dat deze vermaning als van Paulus komende reeds van het grootste belang is. Doch ze wint oneindig veel meer in beteekenis als we haar vinden in de Heilige Schrift en het ten slotte niet Paulus is, die uit zichzelven spreekt, maar de apostel, gedreven van den Heiligen Geest, en het dus God zelf is, die door middel van dezen Godsman ons vermaant.

Niet bezorgd zijn! Dit wil natuurlijk niet zeggen dat wij, menschen, niet langer te zorgen hebben, dat we maar met de handen in den zak mogen blijven zitten, dat we maar Gods water over Gods akker kunnen laten loopen - o, neen! op die wijze zouden we in tegenspraak komen met andere plaatsen der Schrift. In 1 Tim. 4:8 lezen we: Zoo iemand de zijnen en voornamelijk zijne huisgenooten niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend, en is erger dan een ongeloovige. We hebben te doen wat onze hand vindt om te doen, een ieder heeft getrouw en naarstig in zijn god­delijk beroep te arbeiden, altijd daarbij echter bedenkende de gulden spreuk onzer vaderen: bid en werk! Bij het werken behoort ook het bidden niet vergeten te wordden, ja, dit laatste mag wel voorop worden genoemd, want zoo de Heere Zijnen zegen niet gebiedt, zal het werk niet gedijen.

Het zorgen is dus niet ongeoorloofd, integendeel het is zelfs plicht voor den mensch. Maar wat wel verboden wordt is het bezorgd zijn d.w.z. het angstig zorgen, het zoo opzien tegen de toekomst of ook wel tegen den dag van morgen alsof er geen doorkomen aan is, het met schrik en vrees aan de toekomst denken, het sidderen bij de gedachte wat zij wel in haren schoot verborgen houdt.

Daarvoor mag voor een kind van God althans geen reden zijn. O, zoo daar een toeval ware, zoodat wij speelballen waren van een grillige fortuin, of ook, zoo er een noodlot heerschte, dat met ijzeren vuist wreed en onverbiddelijk over ons beschikte, zoodat, gelijk men het wel uitdrukt, wij werden geleefd in plaats van dat wij leefden, dan was er met recht reden voor bezorgdheid. Maar wie belijdt te gelooven in God, den Vader, den Almachtige, Schepper van hemel en aarde, zonder Wiens wil niet één muschje ter aarde valt, geeft met bezorgd te zijn blijk van ongeloof, althans van kleingeloof. Wat doet hij anders als God den Heere wantrouwen, miskennen in Zijne deugden en volmaaktheden, in Zijne heiligheid en gerechtigheid, in Zijne wijsheid en almacht, in Zijne trouw en liefde!

Het is al zooveel om ook met het oog op de moeiten des levens den Heere te mogen billijken in Zijn heilig recht, om niet te klagen: mijn recht gaat van mijnen God voorbij! maar om met den Psalmist in te stemmen: Hij is mijn rotssteen en in Hem is geen onrecht. Gelukkig dan verder hij, die weten mag dat hij met een alwijs God te doen heeft, die de „waaroms", welke zoo in het hart en over de lippen kunnen komen, tot zwijgen tracht te brengen met de wetenschap dat, gelijk de hemel hooger is dan de aarde. Zijne gedachten hooger zijn dan onze gedachten en Zijne wegen hooger dan onze wegen. Hoe heerlijk voorts de gedachte dat de Almachtige regeert, dat de God van vader Jacob nog redt ook uit het hachelijkst lot, dat Zijn arm niet is verkort.

En wie dan bovenal bedenken mag dat hij met een getrouw en in Christus liefderijk Vader te doen heeft, dat nog minder dan bergen en heuvelen wijken Zijne goedertierenheid zal wijken, dat de Heere ook de zwaarste wegen, die Hij met de Zijnen houdt, als vrucht Zijner liefde over hen brengt, zoodat alle dingen hun moeten medewerken ten goede — o, mij dunkt, hij zal geen reden tot bezorgdheid meer hebben, maar met lijdzaamheid zijn loopbaan loopen, ja zijn weg met blijdschap kunnen reizen.

Weest in geen ding bezorgd! Deze vermaning geldt ten opzichte van het natuurlijke, maar ook van het geestelijke leven. We mogen onzen lichamelijken maar ook onzen geestelijken nooddruft den Heere bekend maken. Gelukkig wie ook aan dezen geestelijken nooddruft kennis mag hebben, anders zal hij nog eenmaal eeuwig omkomen van honger en kommer in de hel.

Weest in geen ding bezorgd! Gij zult zeggen: deze vermaning is gemakkelijker te doen dan te betrachten. Zeker, zoo is het als wij haar in eigen kracht wenschen na te komen. Van onze zijde is het eene onmogelijkheid haar te beoefenen. Weizalig echter hij, die ook in dit opzicht alle hulp en kracht verwacht van den Heere alleen; die kiest de welgebaande wegen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's