De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

5 minuten leestijd

De „nieuwe" Verbondsleer.

In „Ons Tijdschrift" schrijft A. Drost over „onze geestelijke opvoeding en hare gevolgen".

't Is een stem uit , de. Gereformeerde Kerken" — en er wordt dan in betrekking tot de nieuwe verbondsleer o. a. dit gezegd:

«Wij moeten de oorzaak van het versterven van het frissche geloofsleven, van de loome mist die het bontgesmukte veld met kille grijsheid dekt, niet zoeken buiten ons (onze kringen), maar in ons. Indien ons door het catechetisch onderwijs enz. een levens-en wereldbeschouwing wordt gegeven, die ons ten slotte moet blijken met de werkelijkheid in strijd te zijn — dan moet wel de akker onzes harten hoe langer hoe meer dor en onvruchtbaar worden. Wel verre dus van voor de inzinking waarover zooveel wordt geklaagd, naar allerlei oorzaken te zoeken, moest zij ons allereerst doen vragen of zij niet een gevolg is van de wijze, waarop wij in de waarheid onderwezen zijn.

't Zal nu van lieverlede de tijd worden de vruchten te gaan oogsten van den geforceerden arbeid, waardoor de nieuwere — volgens sommigen de oudere — verbondsbeschouwing ons gereformeerd kerkelijk en godsdienstig leven is ingedragen. Het zal nu zoetjes aan gaan blijken, of die voorstelling inderdaad heeft geleid tot opbloei, van het geloofsleven, dan wel of zij voert tot starre dogmatische godsdienstigheid, die voor een wezenlijke godsvrucht evenmin plaats laat als het moderne Christendom zonder Verlosser.

Over het geen er omgaat tusschen God en onze ziel kunnen wij aan elkaar geen woorden kwijt. Laat ons het erkennen: datgene waarover onze oude vromen-zoo gaarne met elkander spraken, bekoort ons niet meer; van die innerlijke zielswerkzaamheden verstaan wij nauwelijks iets meer, ja, veelal is het ons een »voorrecht« aan dat naïve, kinderlijke leven ontgroeid te zijn. 't Welk ons ernstig moét doen vragen of het niet hoog noodig is, onze plastische voorstelling van de leer des genadeverbonds eens met deze kille practijk te vergelijken.

Want hoewel er inderdaad in theorie telkens weer op gewezen wordt, dat genade geen erfgoed  is, in de practijk gaat men te werk als was dit wél zoo. Er zijn velen onder ons die het nauwelijks hebben kunnen, dat de predikant onder zijn gehoor onderscheid maakt; hij moet tot »de gemeente van Christus» spreken en — daarmee uit!

Onze kinderen zijn bondelingen en moeten worden opgevoed als waren zij wedergeboren: wat komt er in de practijk van terecht onze kinderen er op te wijzen, dat zij zonder wedergeboorte het Koninkrijk Gods niet kunnen ingaan ? "

De heilige onrust; zou het met mij wel goed staan voor de eeuwigheid ? heeft daardoor in bijna ons gansche opkomend geslacht plaats gemaakt voor een ... zekerheid ? och neen, voor een eenvoudig zich laten neerkomen op hetgeen hunne ouders nog maar heeten te veronderstellen.

Daardoor komt het, dat zoodra de kracht des geloofs in beproevingen zou moeten blijken, deze niet aanwezig blijkt, en de jeugdige geloovige ervaart dat er zoo weinig, zoo héél weinig positiefs voor hem ligt in hetgeen hij geleerd heeft van de dingen die Boven zijn.

Daarbij komt, dat er ook bijna niemand behoefte gevoelt daarover met hem te spreken, en wie zou het ook, wijl het besef dier hoogere behoefte langzamerhand uitsterft.

De noodzakelijkheid der bewuste bekeering wordt weggenomen door de wedergeboorte als regel bij de geboorte te stellen, waarop dan weer min of meer gegronde «veronderstelde wedergeboortes bij den Doop berust.

Nu spreekt het wel van zelf, dat bij de meer gezond mystiek aangelegden deze vrij oppervlakkige voorstelling, vooral wanneer zij, wat helaas dikwerf geschiedt, zeer bruut en eenzijdig voorgedragen wordt, protest uitlokt.

Het is geen wonder dat hij, die bij ervaring weet, wat er in zijne ziel is omgegaan, eer hij zich de gemeenschap aan de goederen van het Genadeverbond toeeigenen durfde, eer hij zich rekenen durfde onder degenen die in oprechtheid God vreezen, onmogelijk zich bij die voorstelling neerleggen kan.

Daartoe weet hij te goed, hoe hij aan zichzelf is ontdekt, te goed hoe God hem geleerd heeft, dat hij arm, jammerlijk, 'blind en naakt was en hoe hij als »vertreden lag in zijn bloed". Daartoe weet hij te goed, hoe er een stonde der minne in zijn leven is geweest, waarin de Heiland Jezus Christus aan hem werd geopenbaard als zijn Middelaar, als zijn Zaligmaker, als zijn Heere en Heiland.

Daartoe weet hij te goed, dat hij te voren blind was, hoe goed ook onderwezen in de schrift, en dat hij nu, nu ziet door het licht, dat de Heilige Geest zelf in zijn hart ontsteekt.

Hoe kan hij zijn kind leeren, dat het in dien zin een kind des verbonds is, dat het die goederen des genadeverbonds krachtens zijn geboorte, deelachtig is? Zou hij geen verraad plegen aan de ziel van zijn kind, als hij het niet leerde wat hij als noodzakelijk heeft leeren kennen?

O, mocht deze overweging bij vele onzer leeraars wat zwaarder wegen, hoe geheel anders zouden zij tegenover hunne gemeenten staan, dan nu, nu zij die beschouwen als de compacte massa geloovigen, waartusschen zich — maar dan toch sporadisch! — ook een énkele hypocriet bevindt!".

«En daarom spreek is als mijn overtuiging uit, dat noch het éen, noch het ander de oorzaak is van inzinking, lauwheid traagheid en belangeloosheid — doch dat die veeleer moet gezocht worden in het in den aanvang zich toeeigenen van geestelijke voorrechten die men niet bezit en waarmede men zich dus niet voor geestelijke verarming vrijwaren kan.

En verder, dat die toeeigening weder een gevolg is van de systematisèering van de leer des Genadeverbonds, waardoor aan de heilige en heerlijke beteekenis daarvan jammerlijk is te kort gedaan."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 augustus 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's