De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

7 minuten leestijd

Heere, ik ben niet waardig dat gij onder mijn dak zoudt inkomen, maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden. Matth. 8:86.

Niet waardig.

De liefde Gods is een allerwonderlijkst iets. Het gaat met haar als met het staan aan de kust der zee. Ge ziet wel de golven bewegen ge hoort wel haar geluid, maar de bodem laat zich niet aanschouwen. Wat meer ge de liefde Gods naspeurt, wat wonderlijker ze u wordt, wat meer zij de grijpende hand ontvlucht.

'k Kan het nog verstaan, dat een Ahasveros zich een Esther kiest, vanwege hare schoonheid Hare armoede werd omwonden met het doek van bevalligheid. De koning zag niets dan hare schoonheid.'

Maar wat kan de hemelsche Bruidegom nu voor aantrekkelijkheid vinden in Zijn arme bruid op aarde. Augustinus zegt zoo juist: ze is niet alleen zwart, maar ook nog melaatsch in hare armoede.

Geef me hierop een antwoord, o wereld, waarom de Volzalige, de vlekkeloos Heilige, de Koning der koningen den hemel verliet om op deze aarde te wonen.

Zeg mij, o menschenkind, waarom Hij een kribbe verkoos voor een troon, waarom Hij de windselen zich liet aandoen, Die omwonden was met hemelglansen.

Ontsluier mij het raadsel, zoo gij kunt, waarom Hij, Die het leven is, straks wegschuilt in den dood.

Noem mij één ding, en ge zult misgrijpen zoo ge niet zegt: alzoo is het welbehagen geweest van U, o Heere.

O, wonderlijk groot, nooit te peilen in diepte, de Volzalige ziet om naar een schepsel dat mensch heet, klopt aan en wenscht binnengelaten bij een mensch, die zondaar is geworden.

ledere ziele, bij wie de Heere komt aankloppen, zal van harte belijden: niet waardig, Heere. 'k Kan nooit een ontvangst U bereiden. Uwer waardig. Het woord van den hoofdman uit Matth. 8 is zoo volkomen uit hun hart gegrepen.

Wat een heerlijke geschiedenis, niet waar? Wat een leeringen liggen hierin opgesloten. Niet enkel voor het geestelijke, maar ook voor het natuurlijke leven. Let maar eens op. Ge ziet hier, hoe de genade Gods den mensch nog eens recht bruikbaar maakt voor zijn dagelijksch leven. Hier zorgt een patroon voor zijn knecht. Geene zorg is hem te veel en geene moeite te groot, als hij zijn knecht maar beter mag zien. D. i. één trek, die ook onze christenlanden van dien man uit de heidenwereld kunnen leeren. Waar het leven Gods in het harte is gelegd, wordt liefde en nauwkeurigheid openbaar ook in het gewone dagelijksche leven.

Daar is meer.

In onze dagen kan men zoo dikwerf hooren: „juist, dat is nu ook. ons bedoelen, zulk een godsdienst wenschen ook wij, het heeft met de kerk zoo niets te maken, als 't in het hart maar goed is."

Zie, den zoodanigen zou ik den raad eens willen geven na te lezen wat er omtrent dezen zelfden hoofdman geschreven staat in Luc. 7. Daar kwamen de Joden tot den Heiland, zeggende: „hij heeft ons volk lief en heeft zelf ons de Synagoge gebouwd." Het bleef dus bij hem niet daar binnen besloten, maar trad ook naar buiten uit. Hij had het volk der Joden lief en als blijk van die liefde richtte hij op een huis des gebeds. Al was dat volk nog zoo diep weggezonken en al was hun dienst. in 's Heeren huis nog zoo treurig, toch zag hij daarin 's Heeren volk en 's Heeren dienst.

Nu nog ééne opmerking, en onderzoeke een iegelijk onzer zich eens nauw in deze zaak.

De Joden, zoo leest ge in Luc. 7, baden den Heere ernstiglijk, dat Hij den hoofdman zou bijstaan en .... zij vergaten zich zelf. Hier hebt ge nu een tastbaar bewijs van de dwaasheid van den mensch: hij vraagt, hij bidt, hij bidt ernstiglijk voor een ander en denkt om zich zelven niet. Kan het wel ooit  treuriger ? bidden voor een ander' en zelf verwerpelijk bevonden! Zij het een spoorslag tot zelfonderzoek.

We laten thans de Joden rusten en letten op den Heere zelf, wat Hij met hunne bede doen zal. Ze hebben gesproken van verdienste: „hij is waardig, dat Gij hem dat doet." Zal misschien de Heere dat woord eens recht zetten, hun laten zien dat ze 't geheel en al mis hebben? Daar is op dit oogenblik noodzakelijker werk; daar ligt een verlorene te wachten op hulpe. De Heere gaat mede, zeggende: Ik zal komen en hem genezen. De hoofdman, die den Heere gevraagd had, kan dus gerust zijn. De belofte is reeds gegeven. En wat Hij belooft, doet Hij.

Nu zal hij zeker wel geduldig wachten, zegt ge. Och neen, lezer, zoo is de gang niet van het werk. Als er eene belofte des Heeren mond uitgaat: „Ik zal komen", dan is de lijn, waarlangs zich de gedachten voortbewegen, deze: „niet bij mij." — Ja, wat dichter de Heere nadert, wat kleiner het „eigen ik" wordt.

Daar worden dadelijk vrienden gezonden: „Heere, neem de moeite niet, want ik ben niet waardig. Het is zelfs onmogelijk, dat Gij bij mij inkomt. Ge weet het toch wel, Heere, ik behoor tot diegenen, die buiten het volk staan."

Wonderlijke, maar tegelijk heerlijke tegenspraak: de Joden, die werkelijk niet zouden overdrijven in dezen, want zij waren den Romeinen vijandig, getuigden: hij is 't waardig; hij zelf daarentegen: „neem de moeite niet, ik ben niet waardig. Gij onder mijn dak, d. i. onmogelijk."

Zie dat is het echte werk.

Het beeld is veel vaker gebruikt, maar toch zoo teekenend: als de boom vol vrucht staat, hangen de takken laag. Wat meer vrucht, wat deemoediger houding.

Genade doet diep bukken. Genade maakt klein voor God. Als van 's Heeren wege de heerlijke tijding mag gebracht worden tot iemand, die oprecht bekommerd is: „de Heere zal op Zijn tijd tot u komen en genezing is in Zijne hand", dan komt het als vanzelf uit het hart en op de lippen: „Heere, ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen. Ik behoor toch tot dat volk waar Gij geene gemeenschap mee kunt hebben." Het niet-waardig zijn wordt zoo sterk gevoeld, dat het eene onmogelijkheid schijnt. Maar nu verder. Op dit punt blijft men niet staan, of beter gezegd, liggen. O neen, dat zou zijn rusten in de ellende, dat is onmogelijk. Neen, des Heeren werk is doorbrekend. Als de 1e letter is geleerd zal de 2e volgen. Als 't begonnen is met lage tonen, zal 't op de hoogste tonen eindigen. Immers de schakel loopt over Christus. Stond de kribbe laag, het kruis stond hoog, en de Olijfberg staat in verbinding met den hemel. Als het hartetaal mag zijn: Heere, ik ben niet waardig, dan loopt het door over dit punt: „op Uw Woord hoop ik." Is het van mijne zijde afgesneden, Uw macht reikt verder. „Spreek alleenlijk een woord."

Hier hebt ge 't geloof in zijn ware hoedanigheid, alles van den Heere verwachtend. Als de Heere spreekt, zoo is 't er. Hij heeft te gebieden en het staat er. Het woord, dat uit den mond Gods uitgaat, gedragen op de vleugelen des Geestes, heeft levenwekkende kracht. Waar niet is, daar wordt geschapen, en waar eene doodelijke krankheid alles verteert, daar wordt op Zijn woord genezende kracht ingedragen.

De hoofdman is met dit geloof niet beschaamd uitgekomen. Hij mocht uit 's Heilands mond beluisteren: „u geschiede, gelijk gij wilt."

Op het woord des Heeren had hij zich gansch en geheellijk overgegeven.

Een jonge vorst was tot troonopvolger uitgeroepen van een machtig rijk. Vele van zijne vrienden maakten hunne opwachting, voornamelijk met hel oog op een of andere hooge betrekking. Hun verzoek vond gemeenlijk een gewillig oor. Als waarborg kregen ze een geschreven akte.

Nu was er ook een persoon die een hoogen post voor zich wenschte. Zijne bede werd ingewilligd, de geschreven verbintenis hem voorgehouden, maar meent ge dat deze werd aanvaard? „Neen, niet aldus, " luidde het antwoord: „uw woord, Hoogheid, is mij de beste waarborg."

„Deze man", zoo klinkt het wederwoord, „behandelt mij als koning. Wie teleurgesteld mag worden, deze nooit."

Waar hoopt gij op, lezer?

Is het bij u al begonnen met: „ik ben niet waardig? "

De laagste accoorden zullen met de hoogste eindigen.

Welgelukzalig die mogen zingen met den dichter van Psalm 138:

Door al Uw deugden aangespoord Hebt Gij Uw woord En trouw verheven; Gij hebt mijn ziel, op haar gebed. Verhoord, gered. Haar kracht gegeven. Al 's aardrijks vorsten' zullen, Heer', Uw lof en eer Alom doen hooren. Wanneer de rede vau Uw mond Door 't wereldrond Hun klinkt in d' ooren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 augustus 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 augustus 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's