Stichtelijke overdenking.
Wij zijn in hope zalig geworden. Romeinen 8 : 24a.
De hoop van den Christen.
„Wij zijn in hope zalig geworden."
In deze woorden. Lezer! teekent ons de apostel Paulus den toestand van Gods volk op aarde. Deze is eigenlijk een geheel eenige. Gods kinderen toch zijn hier niet gelijk aan die ongelukkige wereld, die daar henengaat zonder gegronde verwachting voor de eeuwigheid. Zij zijn ook niet gelijk aan de verlosten in den hemel, voor wie de hoop is verwisseld in aanschouwen.
Zij zijn in hope zalig.
Dat is niet altijd zoo geweest. Immers de apostel zegt: Wij zijn in hope zalig geworden. Geworden. Hij wil dus zeggen: wij waren het vroeger niet. Och neen, de mensch van nature, ook de ware Christen in zijn eertijds, is zonder hoop. Hetgeen Paulus schreef aan de geloovigen te Epheze, dat geldt in den grond van al Gods volk in hun eertijds: „Gedenkt, dat gij in dien tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israels, vreemdelingen van de verbonden der belofte, geene hoop hebbende, en zonder God in de wereld."
En het kan ook niet anders. Want immers allen zijn „van nature kinderen des toorns." Van allen is van nature „het bedenken des vleesches vijandschap tegen God", en allen moeten met David belijden: „Ik ben in ongerechtigheid geboren en in zonden heeft mij mijne moeder ontvangen."' Want alle menschen stammen af van den gevallen Adam. Ze hebben allen in hem gezondigd. Gelijk Levi tienden gaf aan Melchizedek, toen hij nog in de lendenen van Abraham was, zoo hebben wij in het Paradijs de hand uitgestoken naar de verbodene vrucht, toen wij nog waren in de lendenen van onzen vader Adam. In hem waren alle menschen, en toen dan ook Adam viel, viel in hem het geheele menschelijke geslacht. De ware Kerk zoowel als de wereld. En daarom geldt ook van Gods volk in hun eertijds: "zonder hoop."
Maar dit is nu anders geworden. De apostel kon zeggen, en geheel de levende Kerk mag het hem nazeggen: „Wij zijn in hope zalig geworden." Ze hebben nu hoop. Niet de ongegronde en ijdele verwachting van de kinderen der wereld. Die hebben ook wel hoop, maar het is die, waarvan reeds Salomo getuigde: „De verwachting der goddeloozen zal vergaan"; en die door Bildad werd vergeleken bij „een huis der spinnekop", een spinneweb, dat bij de eerste aanraking in elkander valt. Met 's Heeren waarachtig volk is het echter anders.
Hunne hoop is gegrond op geloof, gelijk de Hebreënbrief zegt: ' „ Het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt." En dat geloof wederom is maar niet een bloot verstandelijk aannemen der waarheid, gelijk dat bij onbekeerden ook wel wordt gevonden, met name bij mondchristenen, maar het is een overreed zijn door den Heiligen Geest. Een overtuigd zijn van eigen schuld, bederf en ellende, maar tevens ook van de algenoegzaamheid en bereidwilligheid van Christus, waardoor zulk een leert zich in de Handen van dien Redder te laten vallen, om zich straks gegrepen te weten door de Armen der eeuwige Liefde.
Die hoop steunt op waarachtige bevinding. Immers „de bevinding werkt hoop." Als God een David verlost uit de klauw van leeuw en beer, dan geeft die bevinding hem hoop en moed, dat diezelfde God hem ook verlossen zal uit de handen van den Filistijn.
En ook steunt die hoop op waarachtige liefde. „Die hoop" immers, zegt de apostel, „beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten is uitgestort door den H. Geest." Waar toch een zondaar zich door God bemind mag weten, daar heeft hij toch waarlijk wel reden om te hopen.
En door die hoop zijn de geloovigen zalig. Die hoop doet hen blijde leven. Die zet hen over de moeiten des levens heen. Die doet hen bij oogenblikken heénzien over dood en over graf.
De Christen, die hoopt, is gelijk aan een woestijnreiziger, die schier van dorst versmacht, maar in de verte water ziet. Of wilt ge: hij is gelijk aan een zeeman op de groote wateren, die nog in volle zee is, maar in de verte de vaderlandsche kust aanschouwt, en daarom verblijd is, wijl hij weet: daar op gindsche kust staat ook mijn huis.
Zoo is de Christen in hope zalig. Dus nog niet ten volle gelukkig. Hij hoopt op eenen beteren tijd. Het gansche schepsel zucht, en als met opgestoken hoofde verwacht het de openbaring der kinderen Gods. En ook zij zelve, die de eerstelingen des Geestes hebben, zuchten in zichzelven, verwachtende de aanneming tot kinderen. Ja, Gods volk heeft hier meermalen bijzondere beproevingen. Immers „dien Hij liefheeft, dien kastijdt Hij." En door wereld, satan en eigen vleesch worden zij gedurig besprongen en bestreden. .Zij zijn nu reeds kinderen Gods, maar als zoodanig nog niet geopenbaard. „Het is nog niet geopenbaard, wat zij zijn zullen." Maar ééne zaak is zeker. Hunne hoop wordt niet beschaamd. Integendeel, beschaamd worden hun ongeloof en hunne vrees. En weldra zal het wezen: „de helft is mij niet aangezegd."
De groote vraag, lezer! is maar, of u dit geldt. Of gij met den apostel kunt zeggen: Wij zijn in hope zalig geworden. Op dit „wij" komt het juist aan. En dan weten wij het: Dat is met alle menschen niet zoo. O ja, hoop is er, helaas! genoeg. Meer dan genoeg. Maar welk eene? Menigeen denkt in zijne dwaasheid: Ik ben nog wel onbekeerd, maar ik kan nog bekeerd worden. IJdele hoop! Want immers nog bekeerd kunnen worden, is dat genoeg? Zoudt gij het daarmee durven wagen? Welken waarborg hebt gij, dat gij nog werkelijk wedergeboren zult worden ? "Wie zal ze tellen, die naar de hel zijn gegaan met zulk eene bedriegelijke verwachting? Uitstel is zoo gevaarlijk. Eene van Engelands koninginnen wilde op haar sterfbed al hare schatten, al hare kostbare kleedij, ja zelfs geheel haar Koninkrijk geven voor één gezond uur tijds. En ze had zooveel. Zij kon zeggen, dat de zon in haar gebied nooit onderging. Maar hoeveel ook, ze kon er geen gezond uur mee koopen. En daarom, lezer! indien gij nog uitstelt, wij bidden u bij het heil uwer eigene ziel: och, doe het niet langer. Nu is het de dag der zaligheid. Nu is het de tijd des vindens.
Of zegt ge misschien: ik heb wel hoop, dat ik bekeerd ben. Ik ben niet zooals anderen, openbare vloekers, sabbatschenders en dergelijke; en ik ben ook niet zooals vroeger. Maar ei! zeg, hebt gij niets anders? Neen, dan komt gij zeker te kort. Uw maatstaf deugt niet. Wij moeten ons niet met anderen meten. Ook niet met onszelven. Onze maatstaf mag alleen wezen: Gods Wet; Gods Woord. De groote vraag zal ten slotte niet zijn, wat wij van onszelven zeggen, maar wat de Rechter van hemel en aarde van ons getuigt.
En. ach! die ongegronde verwachting is er helaas zooveel. Zelfs nog op het sterfbed. Jacobus Borstius . zegt: „Er zijn menschen, die nog van den hemel droomen, als ze geen half uur meer van de hel zijn verwijderd."
Den Christen van Bunjan was het nog zoo bang, o-zoo bang, in de rivier des doods, maar „Onkunde" kwam er gemakkelijk over heen, want de veerman „IJdele Hoop" zette hem met zijn bootje over. En die veerman IJdele Hoop leeft nog. Hij heeft nog altijd handen vol werk. Hij zet ér, naar we vreezen, nog dagelijks bij tientallen over.
O, het zal weinig baten, of men straks al van ons zal zeggen: Hij of zij is zacht henengegaan. Het zal er maar op aankomen, of we in Jezus zijn ontslapen.
En zegt ge: Ik heb geene hoop. Mijne hoop is mij ontvallen. Dan condoleeren wij u daar niet mee, maar wenschen u daarmede van harte geluk. Niet dat ge daarmede gered zijt. Zonder hoop is nog niet in hope zalig. Maar wanneer die ijdele hoop u door genade mocht ontvallen, dan is er voor de ware hope plaats. Zeg dan öok niet met Kaïn: „Mijne misdaad is grooter dan dat zij vergeven worde." Geef u aan wanhoop niet over. Want als gij dat doet, dan hebt gij niet anders, dan wat de verlorenen in de hel ook hebben. Die zijn aan eeuwige wanhoop overgegeven. Boven de poort der hel staat a. h. w. geschreven: „Hier laat men alle hoop varen." Ja, wanhoop aan uzelven, maar niet aan den algenoegzamen Zaligmaker. Doe als die ongelukkige vrouw in de Evangeliën, die al haren leeftocht aan de medicijnmeesters te koste gelegd had, en die niet was genezen, maar met wie het veeleer erger geworden was. Verwacht uw heil niet van uzelven, of van eigen gekozen middelen, maar zeg het die ongelukkige vrouw met een geloovig hart na: Als ik maar de zoom van Zijn kleed mag aanraken, zal ik gezond worden.
Een kenmerk van de ware hoop is, dat zij wordt aangevochten. Met eene valsche hoop en een dood geloof laat satan ons met rust. Maar het ware geloof en de levende hoop worden door den zielevijand bestreden. Van eenen knaap die tot Christus gebracht wordt, lezen we: „Als hij tot Jezus gebracht werd, scheurde hem de duivel en verscheurde hem." Zoo gaat het altijd. Hoe dichter bij Jezus, hoe woedender satan. En daarom wordt de ware hoop gedurig besprongen. En is deze in het hart, dan gevoelen we ons op aarde ook niet meer tehuis. Dan zijn we hier gasten, vreemdelingen, bijwoners, pelgrims. Dan zeggen we met den psalmist: „Ik ben een vreemdeling op aarde, verberg Uwe geboden voor mij niet." En juist omdat we vreemdelingen zijn, is hier het leven waarlijk niet altijd gemakkelijk. Integendeel, Jezus' discipelen zijn hier „als lammeren in het midden der wolven." En wat zou er worden van die amechtige kudde, wanneer haar Herder zoo trouw voor haar niet waakte ? En wanneer dan ook de Heere nog Zijn vriendelijk aangezicht voor hen verbergt, dan kan het Jezus discipelen op aarde meermalen bang zijn; wie zal zeggen, hoe bang wel?
Maar toch geen nood. De Heere vergeet de Zijnen niet. „Een oogenbhk is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijne goedgunstigheden." En somwijlen mag de Christen wel eens vertoeven op „de lieflijke bergen in Immanuelsland", en mag hij wel eens een blik werpen in de richting van het hemelsche Zion. En wanneer dan „de herders" van Immanuel aan „Christen en Hopende" een verrekijker in de hand geven, dan kunnen ze de poort van Zion niet nauwkeurig onderscheiden, omdat hunne hand bevende is, maar iets, dat op eene poort gelijkt, zien ze dan toch. En zoo mag bij oogenblikken 's Heeren kind wel eens door den verrekijker des geloofs iets van de Godsstad aanschouwen, en wie zal zeggen, hoeveel meer hij nog zou zien, als de hand zijns geloofs maar niet zoo beefde.
En die hoop beschaamt niet. Weldra, kind des Heeren! is al uw strijd voorbij. Voorbij ook uw ongeloof en wantrouwen. Wanneer straks het stervensuur daar is, dat bange uur voor het kind der wereld, waarin alles hem ontvalt en ontzinkt, dan komt gij juist in het bezit van uwen schat. U wacht die onverderfelijke, en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen voor u bewaard word, terwijl gij door het geloof in de kracht Gods bewaardt wordt voor die erfenis. Gij moogt met van Alphen wel zeggen:
„Wat zou mij nog hindren. 'k Zie uurtjes reeds mindren. Laat 's werelds gedruisch Mijn moed niet verslappen. Nog weinige stappen. En dan ben ik thuis."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 augustus 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 augustus 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's