Uit de Pers.
Christelijk-Gereformeerd. II.
„Naar den eisch van Gods Woord en overeenkomende met de belijdenisschriften der Kerke Christi was het roeping der doleerenden zich bij de Kerk des Heeren te voegen.
Helaas! de Kerk des Heeren werd gesmaad, veracht, bespottelijk gemaakt; „krank in den levenswortel werd zij genoemd en zoo werd het werk, door des Heeren hand in 1834 gewrocht, als met de voeten getreden; zoo werden zij, die zich als geloovigen bij 's Heeren Kerk behoorden te voegen, teruggehouden van wat eisch en roeping was.
Was dat, kon dat een werk uit God zijn? De Christelijke Geref. Kerk wordt heden alom voor Scheurkerk gescholden, waarom?
Omdat zij den moed had om in 1892, toen de mannen der doleantie, vereenigd met eene trouwelooze en plichtvergetende Synode der Chr. Geref. Kerk, bezig waren haar te begraven, zich als eene levende te doen gelden en tegen dat goddeloos en schandelijk werk te protesteeren.
Maar heeft die Kerk niet het volste recht om deze schandelijke beschuldiging van zich te werpen ?
Wat was het doleantie-bedrijf van 1886?
Kon de Kerk in doleantie den toets van eerlijkheid en oprechtheid wel doorstaan?
Was zij niet in den volsten zin des woords een scheurkerk te noemen, daar zij den treurigen moed bezat zich naast de Kerk van Christus te stellen en alzoo het werk des Heeren door „de scheiding gewrocht, als een half werk, op z'n zachtst gesproken, in den hoek te duwen?
Dat was het begin der doleantie. . En wat was het vervolg? Diep treurig!
O, hoe donker steekt het doleantie-bedrijf af tegen het kostelijk werk der „Scheiding."
Welk een geestesopenbaring in de doleantie!
Inderdaad, men mag vragen of zij wel vrij was van den geest der revolutie.
Hebben de Vaders der Scheiding ooit processen gevoerd, dure processen om het goed der Herv. Kerk? Neen!
Zij hadden hun vertrouwen op den Heere Heere gesteld.
Maar de kerken der doleantie, zij kenden dat vertrouwen niet.
En dan, ging het bij de doleantie wel naar den Geest van Christus? Werd er naastenliefde geoefend, dat sieraad van het Christendom? Helaas! zou er wel ooit zooveel vijandschap geopenbaard zijn als in die dagen en van die zijde?
Werd niet in vele gezinnen, waar weleer huiselijk geluk en huiselijke vrede woonden, dat geluk en die vrede verwoest? Werden zij, die geene roeping tot doleeren meenden te hebben, niet uit de Synagoge geworpen en zelfs broodeloos gemaakt?
Dat was de zoo hooggeloofde doleantie, ten minste die geest werd er openbaar.
Hoe was de doleantie-beweging te Leiderdorp, waar Ds. Vlug met zijn kerkeraad de gehoorzaamheid aan de Synode der Ned. Herv. Kerk hadden opgezegd en dies ook uit hun ambt en bedieningen waren ontzet, zoodat het Class. Bestuur van Leiden moest doen wat des Kerkeraads was?
Consulent van Leiderdorp werd Ds. Wildeboer, die daar op Zondag 25 Juli de eerste beurt moest waarnemen. Vergezeld door Mr. J. Bredius, ouderling-lid van het Class. Bestuur van Leiden, Ds. W. P. van Rhijn, president-kerkvoogd van Leiderdorp en twee rijksveldwachters, begaf Ds. Wildeboer zich kerkwaarts, waar men hem, onder het roepen van: „Onze Vaderen hebben hun bloed over gehad voor deze kerk, wij ook — bloed zal er vloeien", enz. den toegang zocht te beletten.
Ook Ds. Vlug, door zes kerkeraadsleden gevolgd, trok naar de kerk.
Ds. Wildeboer beklom echter den kansel, waar hem weldra werd toegeroepen: „Judas! Godloochenaar! er af zal jij, al is het in stukken en brokken I"
Anderen riepen: „slaat hem dood! — snijdt hem den kop van den romp" enz. enz.
Zijn leven in gevaar achtend, verliet Ds. Wildeboer den kansel, dien Ds. Vlug nu trachtte te beklimmen.
Ds. Wildeboer vatte hem echter bij de hand en voegde hem toe: „Vlug, vermaan toch het volk tot kalmte; waarlijk, gij bederft uw eigene zaak!"
Het volk riep: „Dominé! geef hem geen hand, dien Judas!" — waarop Ds. Vlug zoo luid mogelijk antwoordde: „Neen, neen, de broederband in eeuwigheid niet aan u; neen — de broederband — neen!"
Toen een jongeman over de banken vloog en Ds. Wildeboer met gebalde vuist naderde, besloot Ds. Wildeboer het kerkgebouw te verlaten, na geconstateerd te hebben, dat ruw geweld hem belet had godsdienstoefening te houden. Hij wilde hoed en overjas uit de consistorie halen, maar ook dit werd hem belet, zoodat hij genoodzaakt was, onder handgeklap, gesis en hoerahs blootshoofds te vertrekken, waarna Ds. Vlug de schare liet zingen: De Heer zal opstaan tot den strijd" (Ps. 68 : 1).
Oor-en ooggetuigen kunnen dit alles bevestigen, terwijl met betrekking tot wijlen Ds. Wildeboer nog gezegd moet worden, dat hij geen Godloochenaar was, geen Judas — maar, gelijk men uit den aard der liefde stellig gelooven mag, een vrijgekochte door Jezus bloed.
Wat dunkt u nu van zoo'n geest als in de doleantie openbaar werd. En de openbaring van dien geest was lang geen uitzondering. Integendeel, wij zouden kunnen vragen, waar in de doleantie trad die geest in min of meerdere mate niet naar voren?
( Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 augustus 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 augustus 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's