De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

6 minuten leestijd

Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God. Collossensen 3:3.

Verborgen leven van gestorvenen.

„ Want gij zijt gestorven."

Dat was niet de natuurlijke dood, die ieder mensch ondergaat, maar het sterven, dat alleen Gods kinderen in dit leven doormaken, het sterven met Christus.

Vóór de wedergeboorte en de bekeering, is er een leven en opgaan in , het aardsche. Een staan in eigen kracht en eigen gerechtigheid. En de eeuwige dingen hebben geen belang voor ons. Als men er mee in aanraking komt, zoekt men ze te bannen uit zijn leven; ze verstoren de rust en de zelfgenoegzaamheid. Men sluit het oor en oog er voor, men bestrijdt ze; het eigen ik moet koning zijn en blijven. Daarom, God wordt ontvlucht of tegengestaan. Ons leven is vijandschap tegen God.

Maar als de Heere met Zijn Woord en Geest indringt in dat bestaan? Als Hij onwederstandelijk ons hart belegert en inneemt? Als Hij het hart verbreekt — ons zondaar maakt voor den Heilige — schuldig stelt aan Zijn gansche wet? Als Hij doet inzien dat al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed en ons eigen ik de vijand Gods is?

Hoe anders wordt het dan! Ons oude levens element wordt een stad des verderfs. In en bij en rondom ons, allerwege de kaken van den eeuwigen Dood!

En die eeuwige Dood ons rechtmatig oordeel! Zoo wordt het een afgesneden zaak op aarde — een sterven.

Dat hadden de Collossensen doorgemaakt. Daarop doelt Paulus in de woorden: „Want gij zijt gestorven." Daaraan herinnert Paulus, om hen te bepalen bij de roeping der kinderen Gods.

Dat oude leven moet nu dood, ja de dood voor hen zijn. Zij moeten niet meer de aardsche dingen zoeken en bedenken, maar de hemelsche.

Want gij zijt gestorven, — en uw leven....

Wonderlijk! Gestorven — en toch leven.

Is dat geen dwaasheid?

Neen, dat is heerlijke genade Gods. God verwijst het oude leven der Zijnen ten doode, doet de banden des doods en der hel gevoelen. Maar ten leven! Doch een ander leven. Dit sterven van Gods verkorenen is een sterven met Christus.

En wie met Christus gaat in het graf, staat ook met en door Hem op. Hij is de Opstanding en het Leven voor al wie het leven bij zichzelf verloor.

Hier bloeit leven uit den dood; — hier verrijst het licht uit de duisternis — hier komt winst uit verlies.

Dit is dwaasheid voor den wereldling; mysterie voor den wijsgeer, die Gods Woord verwerpt.

En alle verklaring blijft in deze stamelen van dingen, die te groot en te wonderlijk zijn.

Maar het is de ervaring van allen, die hun ziel bij 't leven niet meer konden houden, — en stervende, op Christus, op Hem alleen in geloof mochten zinken.

Zij leven; — en dat leven is onvergankelijk, is eeuwig.

Dit leven is het leven van den Christen, van veel grooter waarde dan zijn aardsche bestaan.

Wanneer dit nieuwe leven tiert, kan Gods kind juichen, ook al wordt zijn aardsche lichaam afgebroken, gefolterd tot bezwijkens toe.

Dat leven is zóó kostbaar, dat Jezus, de Zone Gods, mensch werd, leed en stierf, om dat leven voor de Zijnen te verwerven.

Dat leven is zóó kostbaar, dat Gods kinderen het in den loop der eeuwen hooger schatten dan vader en moeder, dan vreugde, rust en alle schatten dèr aarde.

Wonderlijk echter.

De wereld ziet en verstaat dat leven niet. En waar het er mede in aanraking komt, strijdt het tegen zijn invloed, of overlaadt het met spot en schimp.

Van oudsher wordt Gods levend volk behandeld als „een secte, die overal wedersproken wordt."

En ook de naamchristen begrijpt er niets van. Hij houdt van godsdienstigheid, maar met de uitingen van dat leven kan hij niet overweg. Vandaag meent hij: „het is dweepzucht, farizeïsme en overdreven fijnheid." En morgen zegt hij: „neen, het is bijgeloof en onkunde."

Verwondert u dat?

Paulus wist wel, wat de oorzaak daarvan is: „Gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in Ood."

Dat leven is een verborgen leven. Evenals Christus, - de bron van dat leven, verborgen is. Toen Jezus ten hemel voer, nam een wolk Hem weg en onttrok Hem aan het gezicht.

Zoo ook is het leven der ware Christenen bedekt. Verborgen niet alleen voor wereld en naamchristendom, maar veelszins ook voor uzelf, o kind des Heerenl

Ja, met blijdschap denkt gij terug aan den tijd, toen gij de eerste roerselen en de zegeningen van dat nieuwe leven mocht ervaren. Hoe vreeselijk was het u, toen gij onder het Recht Gods kwaamt en eigen doemvonnis billijkend, als wegstierf voor den Heilige. En daarna: toch vrede met God gevonden — vergiffenis van zonde smaken — genadewoorden Gods hooren fluisteren in het diepst uwer ziel — rust vinden onder de vleugelen van Immanuël.

Zeker, dat waren tintelingen van dat nieuwe leven in het donker uwer ziel.

Maar zeg mij: kunt gij het alles verklaren? Kunt gij dat nieuwe leven in zijn diepsten oorsprong en in zijn voortgang duidelijk aantoonen? Hebt gij er de beschikking over? Is de spiegel uwer ziel niet menigmaal beslagen door uw zonde en afdwaling, zoodat alles weer donker is voor uw bewustzijn?

Gij gaat uit tot Gods volk, om met hen te spreken uit het leven, en ziet: — alles is als weggesloten; er is slechts reden om te klagen: „Gun leven aan mijne ziel!" — „Verlaat niet, wat Uw hand begon!"

Heeft Paulus niet recht om te zeggen: „uw leven is met Christus verborgen in God? "

Echter dankt God er voor: want het is verborgen in God. Daar is het veilig. Geen vijand, zelfs satan niet, kan het daar rooven. Wie zou den Heilige kuimen naderen, " om het leven van Gods volk te rooven? Zou Hij, Wiens oogen vuurvlammen zijn, dan niet een verterend vuur blijken te zijn voor dien roover?

Neen, satan en wereld, ze mogen onder Gods toelating het lichaam kunnen dooden, maar het leven van 's Heeren duurgekochte gemeente is veilig verborgen in God. Ook veilig voor uzelf, o volk. Stel, dat gij er de beschikking over hadt, dat gij het moest beheeren. Afgezien van satan en wereld, zou het veilig zijn bij u, met uw zondig vleesch en arglistig hart?

Ziet ook daarin dan de genade Gods! Nergens op aarde was het veilig, niet bij u, o volk, zelfs niet bij de engelen. Toen verborg God het in Zichzelf, want Hij wilde niet, dat het voor u te loor zou gaan.

En het blijft niet eeuwig verborgen! Eens treedt het volkomen aan het licht.

Uw leven is met Christus verborgen. Zijn leven is uw leven. Hij wandelde hier op aarde in knechtsgestalte. Daarom ook is het leven Zijner gemeente hier op aarde verborgen, als onder het schamele kleed der dienstmaagd.

Maar eenmaal, op den jongsten dag, verschijnt Christus in heerlijkheid. Dan zal ook het leven Zijner gemeente niet langer verborgen zijn. Op dien dag glijdt ook het nederige kleed van de schouderen Zijner gemeente en treedt haar leven in volle heerlijkheid te voorschijn. Bij nieuwe hemelen en nieuwe aarde zal eeuwige vreugde op hun hoofden zijn. Immers Paulus zegt: „Wanneer nu Christus zal geopenpaard zijn, die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid" (vs 4).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's