Ingezonden.
Geachte Redactie.
In no. 38 van "De Waarheidsvriend" is een stuk uit de Geref. kerk overgenomen, waarin gehandeld wordt over de rijkstractementen der predikanten. Het schijnt nog al Uwe instemming te hebben, want U spreekt de meening uit, dat het misverstand wegneemt.
Het spijt mij, dat ik daarin met U verschillen moet. Immers, de innerlijke tegenspraak, die er in op te merken is, schijnt mij juist verwarring te stichten.
In het begin wordt erkend, dat slechts sommige predikantstractementen als vergoeding voor genaast goed worden uitbetaald. En aan het einde wordt dit stilzwijgend gegeneraliseerd. Met vette letters wordt zelfs gedrukt, dat de thans verstrekte toelagen de rente vertegenwoordigen van kerkegoederen, die de Staat heeft geëigend. Wat voor sommige geldt, wordt over allen uitgebreid.
Welnu, het is niet te betwijfelen dat er tal van predikantstractementen uitgekeerd worden, die niet als vergoeding beschouwd kunnen worden.
Zeker, er is kerkelijk goed genaast. Niet slechts in den revolutie-tijd, ook wel vroeger. Maar of die genaaste goederen steeds zooveel hebben opgebracht, dat uit de rente het thans betaalde bedrag gekweten kon worden, is zeer te betwijfelen. Er zijn mij voorbeelden bekend, dat de opbrengst van landerijen zóó gering was, dat de predikant er niet van kon bestaan; terwijl na de naasting door den Staat een veel grooter bedrag werd uitgekeerd ten bate van den predikant. Het spreekt van zelf, als de kerk thans die goederen nog bezat, dank zij de stijging der grondprijzen, het kerkelijk goed haar in staat zou stellen veel meer uit te keeren dan het bestaande rijkstractement. Maar de predikant uit vroeger tijden zou daaraan niets gehad hebben.
De apodictische bewering, dat het alles maar rentevergoeding is, verdient niet veel vertrouwen. Elk geval moet op zichzelf beoordeeld worden.
Maar wat meer zegt, jaarlijks worden niet slechts voor predikantstractementen, maar voor tal van andere zaken, groote bedragen uitgekeerd door den Staat, waartegenover geen enkele vergoeding in kerkelijk goed kan gesteld worden.
Zoo ontvangt de Ned. Herv. Kerk voor hare Bestuursinrichting jaarlijks vele duizenden guldens uit de schatkist, zoodat heel deze onzinnige Synodale organisatie met staatsgeld wordt in stand gehouden. Zoo betaalt de Staat de hoogleeraren der Herv. kerk en zijn er bovendien meerdere kerkgenootschappen, die nooit aan den Staat iets atstonden en die toch groote sommen ontvangen.
Ik kan dan ook de klacht van dien Geref. predikant niet zoo misplaatst vinden. Er wordt door alle belastingschuldigen geld betaald voor de godsdienstige belangen van enkelen. Billijk is dat niet.
De kinderachtige opmerking dat de Gereformeerden vrijwillig de Herv. kerk verlieten, laat ik daar. Er zijn er heel wat, die in de Herv. Kerk vrijwillig blijven, niet het minst om het staatstractement.
Maar van de afgescheidenen is althans bekend, dat zij om de hun toekomende vrijheid te verkrijgen niet vrijwillig, maar gedwongen alle voorrechten en goederen hebben moeten prijsgeven.
U dankend voor de opname Uw dw, 23 Aug, '10.
SPECTATOR.
Onderschrift van de Redactie.
Wij zijn "Spectator" dankbaar voor zijn op-en aanmerkingen, 't Is niet ondienstig om dit onderwerp van verschillende kanten te bezien. Er valt nog wel méér bij op te merken! En 't zou weer onze dwaasheden met één vermeerderen, als wij in ónze kringen over de financieele verhouding van Kerk en Staat zwegen, totdat het te laat is.
Wat nu het overnemen uit "De Geref. Kerk" en het drukken met vette letters aangaat: èn vele Hervormden èn velen van "de Geref. Kerken" toonen telkens, wanneer zij over de rijkstractementen spreken, niets te weten van historische rechten, voortvloeiend uit kerkegoederen, die door den Staat genaast zijn.
En dat deed ons, nu "De Geref. Kerk" daar een stukje over schreef, besluiten deze zaak even onder de oogen van de lezers van »de Waarheidsvriend» te brengen, opdat ze zouden weten dat dat «hatelijk» spreken over »staatsruif» ( enz., uit den mond-van velen uit »de Geref. Kerken» telkens gehoord, berust op een weinig misverstand.
Nu is het een tweede kwestie, of de uitbetaling billijk en recht is; of zij die ontvangen recht hebben en zij die niet ontvangen geen onrecht lijden.
En neen — dan moeten we den schrijver van de »Vragenbus« in »De Geref. Kerk« niet volgen om zich in deze af te maken door de opmerking, dat de Gereformeerden vrijwillig de Herv. Kerk hebben verlaten en daardoor alle rechten kwijt zijn.
Hervormden en. zij, die van »de Geref. Kerken« zijn, zullen elkander in deze meer billijk moeten leeren beoordeelen en samen de dingen moeten leeren bespreken, zooals het recht is.
En daarom, dat deze dingen besproken worden door mannen, die er verstand van hebben en die èn de positie van de Herv. Kerk kennen èn de positie van »de Geref. Kerken«, kan niet anders dan gewenscht zijn.
Wij houden ons aanbevolen!
Mijnheer de Hoofdredacteur!
Naar aanleiding van het in No. 36 van sDe Waarheidsvriends voorkomende stukje getiteld »Ons leerstoeltonds«, vraag ik beleefd uwe aandacht voor de volgende regelen. Bij het lezen daarvan toch, kwam bij mij, en misschien bij meerderen met mij, onwillekeurig de gedachte op: Zou het nu werkelijk noodzakelijk zijn, dat eerst een kapitaal van f 100.000 bijeen moet zijn, eer men kan overgaan, om uit te zien naar een bekwaam man, om als Hoogleeraar te worden aangesteld, zooals die door den Bond begeerd wordt? Meermalen heb ik mij dan ook afgevraagd, of de weg op deze wijze ingeslagen, wel de recht geordende is. De geest toch die m. i. uit dat stukje spreekt, beziet de zaken te veel van de zijde des menschen. Niet dat er iets tegen zou zijn, dat men tracht met allerlei geoorloofde middelen gelden voor dit doel bijeen te brengen, doch dit mag toch nimmer als de hoofdzaak beschouwd worden. Naar mijn oordeel is het de roeping van het Bestuur van den Bond, wanneer zij zich werkelijk bewust is, zich in deze in den weg des Heeren te bevinden, reeds nu uit te zien naar een man met gave en bekwaamheid voor dit ambt, en die meer de eere Gods en de nooden der Kerk, dan het hieraan verbonden geldelijk voordeel op het oog heeft. Zou het inderdaad niet wenschelijk. zijn, dat reeds nu pogingen in het werk werden gesteld een man te vinden, die kan getuigen dat in dezen hem de nood is. opgelegd en die het een der grootste Hervormers durft nazeggen : Hier sta ik, ik kan niet anders? Ik ben het volkomen met u eens, dat zonder geld ook in deze niet veel te beginnen is, doch ik geloof als we de zaken eens van die zijde gaan beschouwen, we in plaats van met duizenden wel eens met honderden kunnen beginnen, geloovende en vertrouwende, dat Hij, Wiens het goud en het zilver en het vee op duizend bergen is, het dengenen, die het van Hem alleen verwachten, aan niets zal doen ontbreken, daar naar Zijne belofte hun brood zeker en hun water gewis zal zijn.
U schrijft dat wij geen woorden, maar daden noodig hebben, maar zou het niet een daad van groote zelfverloochening zijn, wanneer reeds nu zich een bekwaam man aanbood, die, wanneer een zeker bedrag bijeen was, uit liefde voor de goede zaak en een open oog voor de kerkelijke toestanden waarin wij verkeeren, zich hieraan vrijwillig wijdde? .Naar uitwijzen toch van Gods Woord en onze belijdenis, dient toch ook in deze in de eerste plaats op begeerte en roeping te worden gelet? Voorzeker, ik geloof, dat wanneer de Bond zich in deze richting bewoog, het hare werkende leden tot nog meer ijver zou aanvuren om leden te winnen, dan tot hiertoe. Te meer nog, daar het blijkt dat thans, na 5-jarigen arbeid, nog slechts 1/50e deel van het thans voorgestelde bedrag bijeen is, zoodat zoo voortgaande ons nageslacht eerst de vruchten van ons werk zal kunnen plukken. Ziedaar, M. d. R., u in eenvoudige woorden mijne mèening in deze uitgedrukt, welke ik gaarne voor beter geef.
Met u ben ik het overigens volkomen eens, dat de luiheid en lakschheid in dezen nog groot is. Evenwel met dit verschil wellicht, dat we dit in hoofdzaak te wijten hebben aan de belangeloosheid van vele kerkeraden en Predikanten, die hoewel een Geref. prediking voorstaande, den ijver der Bondsleden als een Jehu's ijver brandmerken, en het werk van den Bond, als zijnde het werk uit en van menschen, als gansch verwerpelijk voorstellen, terwijl het aan de andere zijde de ondervinding van ieder medewerkend lid wel zal zijn, dat de laat-maar-waaien-geest van velen, die overigens gaarne de ellende der Kerk lang en breed uitmeten, in onze Ned. Herv. Kerk bedenkelijke afmetingen heeft aangenomen.
Hopende door deze regelen een stap nader te zijn gekomen tot het beoogde doel, verblijf ik onder beleefde dankzegging voor de verleende plaatsruimte,
UEd. dw. dnr.,
FR. BAKKER.
Neder-Hardinxveld| 23 Aug. 1910.
Onderschrift van de Redactie.
Bovenstaand «Ingezonden stuk» is ons sympathiek om de goede bedoelingen, die er uit spreken.
't Is volkomen waar, dat het goud en het zilver des Heeren is. En Zijn arm is niet verkort. Die op den Heere vertrouwt, zal niet beschaamd uitkomen!
Maar.... als de Gereformeerden in onze Herv. Kerk in een paar jaar ongeveer niets over hebben voor een zoo heerlijk doel als: een bizondere leerstoel, voor Geref. theologie aan een van onze Rijks-universiteiten, opdat de a.s. herders en leeraars zullen worden onderwezen in de Goddelijke waarheden, die onzen vaderen zoo lief waren, — ziet, dan zeggen wij, dat er geen zegen te verwachten is in deze.
't Geloof, de liefde en de ijver ontbreekt geheel in onze kringen.
»Laat maar waaien!» schrijven we nog in ons vaandel. En dan is niets anders te verwachten, dan dat de Heere in ons werk blaast!
Mocht er in onze kringen eens een oprecht klagen en vragen komen, dan geldt: de Heere zal voorzien.
Maar zoolang het blijft gaan, zooals het nu gaat, geldt gewisselijk: Ik geef niet, omdat gij niet vraagt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's