Over de Zending.
VI.
Dat de verhouding van de predikanten in Ned. Oost-Indië tot de Oost-Indisehe Compagnie nu niet tot de aangenaamste behoorde is bekend.
Iemand (H. C. Millies 1863) zegt er van : „Reeds hier te lande was die vereeniging der Herv. Kerk met de staatsmacht ten koste van de vrijheid der eerste gesloten; maar nog veel groóter werd die afhankelijkheid der Kerk onder het gebied der Oost-Indische Compagnie, 't welk ingreep in het geheele leven en den arbeid der Kerk en haar geheel beheerschte. In de eerste jaren gematigd en welgezind, werd weldra het bewind der O.I. C. door voorspoed hoogmoedig en despotisch. Een Staat zonder Kerk, het droombeeld onzer dagen, kende men toen nog niet; waar de O.I. C. gebied verkreeg, moest ook de Hervormde Kerk gevestigd worden, maar als dienares, als werktuig der politieke overheid. Door de bedienden der Compagnie aangesteld, beroepen, afgezet, verzonden enz. werden de predikanten de dienaren dier bedienden en ik geloof, dat er in deze geheele eeuw weinig uitstekende predikanten in Oost-Indie zijn geweest, die niet op eenige onaangename, vaak smadelijke wijze, afgezet en opgezonden, naar Nederland zijn weergekeerd.
Hoe de leeraars der Herv. Kerk in Oost-Indie hebben geworsteld en gestreden voor de vrijheid, waarmede Christus Zijn Kerk heeft vrijgekocht, wat zij hebben geleden door de willekeur der brutaalste, vaak meest zedelooze dwingelandij, is ongeloofelijk.
Voor omtrent twee eeuwen was het zoover gekomen, dat de predikanten in Indie naar hun geweten niet langer de Kerk kunnende dienen, allen wilden aftreden en naar het Vaderland terugkeeren.
Zij bleven, en — de slavernij slechts meer of min verguld, was een voor altoos voldongen feit. De geest werd uitgedoofd en tot op ónze dagen is de Kerk in Nederlandsch Oost-Indie een machine gebleven in het staatkundig raderwerk, die schier geheel losgemaakt van de Vaderlandsche Kerk, prijs gegeven aan de politieke macht, naar willekeur georganiseerd, geregeerd, gereglementeerd, geclassificeerd pleegt te worden, maar tot geen eigen, zelfstandig leven, tot geen band van onderlinge gemeenschap, tot geen krachtige ontwikkeling en werkzaamheid naar buiten is kunnen komen."
Den Roomschen was de toegang tot Indie door strenge plakkaten ontzegd. Toen eens in 1664 een Augustijner monnik met een Portugeesch schip te Batavia was gekomen en 60 mannen en vrouwen gedoopt had, werd herhaling van zoo iets ten strengste verboden.
Dit nam echter niet weg, dat de Roomschen in Indie bleven en zich soms zéér overmoedig gedroegen.
Telkens werd door den kerkeraad van Batavia bij de Regeering aangedrongen de Roomschen te weren, b. v. in 1754 en 17 Juni 1763 — en de Regeering besloot aan dat verzoek te zullen voldoen; maar — veel verder dan tot dit besluit kwam het niet en de Roomschen bleven.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 september 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 september 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's