Uit de Pers.
Christelijk-Gereformeerd. V.
„Met betrekking tot de leer van een veronderstelde wedergeboorte bij den Doop, werd door de Synode van Utrecht in 1905 — dus kerkelijk — vastgesteld, „dat volgens de belijdenis onzer Kerken het zaad des Ver bonds, krachtens de beloften Gods, te houden is voor wedergeboren en in Christus geheiligd, totdat bij het opwassen uit den wandel of leer het tegendeel blijkt."
Ziedaar dus een kerkleer vastgesteld, die niet anders dan verderfelijk is in hare toepassing en waarvoor in 't allerminst geen grond is in 's Heeren heilig Woord.
Het zaad des Verbonds is krachtens de beloften des Verbonds te houden voor wedergeboren, totdat bij 't' opwassen uit den wandel of de leer het tegendeel blijkt!
Waar, in héél de Heilige Schrift, wordt zulks geleerd ?
Zegt de Apostel Paulus dan niet van de geloovigen, waarbij hij zichzelven insluit, dat zij eertijds dood waren door de misdaden en de zonden en dat zij in dien geestelijken doodstaat eertijds gewandeld hebben?
„U heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonde" — zegt de Apostel tot de geloovigen van Efeze (Ef. 2 : 1).
En een weinig verder zegt hij: „Maar God, die rijk is in barmhartighsid, door Zijne groote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus."
Paulus, daaraan kan toch wel niemand twijfelen, behoorde tot het zaad des Verbonds in letterlijken en geestelijken zin. In letterlijken zin, omdat hij van het natuurlijke zaad Abrahams was. En in geestelijken zin, omdat hij een verkorene des Vaders was.
Maar gaat Paulus nu uit van de onderstelling, dat hij bij zijne geboorte reeds het zaad der wedergeboorte deelachtig was?
Uit de hierboven aangehaalde bewijsplaats der H. S. blijkt immers juist het tegenovergestelde. Toen wij wandelden in onzen doodslaat, toen heeft de Heere ons levend gemaakt, zegt de Apostel.
Wat toch is verderfelijker, dan om reeds de jonge kinderen in den waan te brengen, dat zij als een zaad des Verbonds voor wedergeboren zijn te houden?
Is het niet veel beter, ja zelfs eisch van Gods Woord, hen te leeren, dat ze in Adam verdoemelijk zijn voor God en in het rijk van God niet kunnen komen, - tenzij zij van nieuws geboren worden ?
Wordt door eene leer als door de Gereformeerde Kerken gehuldigd wordt, in tegenstelling van de kerk der „Scheiding", het Farizeïsme niet als in een broeikast gekweekt?
O, wie het nog ernstig opneemt met de leer eener waarachtige bekeering, zooals die door onze Vaderen geleerd en beleden werd, gevoelt geen siddering in zijn leden, bij 't gezicht op den heilloozen weg, den weg van zelfmisleiding, waarop zoo velen onder de leus van Gereformeerd te zijn, misschien wel tot hun eeuwig verderf, wandelen?
Jongelingen, die er goed aan zouden doen eerst nog eens een paar jaar van het catechetisch onderwijs gebruik te maken, ten einde te leeren, wat er tot zaligheid noodig is te weten, verheffen zich boven bevestigde Christenen en belachen ze, wanneer zij er hen in diepen ernst op wijzen, dat het tot zaligheid noodig is aan de kwalen van z'n hart, d. i. aan z'n zonden ontdekt en wedergeboren te worden.
En ach, 't is geen wonder dat dit geschiedt, als men bedenkt, dat de Kerk hare leeraars vrijheid verleent te prediken en te leeren: dat het zaad des Verbonds d. i. het zaad der Kerk, krachtens de belofte des Verbonds voor wedergeboren is te houden, als dat zaad de leer der Kerk maar niet weerspreekt en een voor 't oog onberispelijken wandel leidt."
„ Wij keeren ons af van een Kerk als de Gereformeerde, omdat zij vrijheid verleent tot verkondiging eener leer, die
a. onbijbelsch en
b. tevens zeer verderfelijk is te noemen."
Tot zoover de brochure van Ds. v. d. Kodde.
Want immers, wij hebben het nadrukkelijk gezegd bij den aanvang van deze artikelen, waar boven staat „ Uit de Pers", dat het alles' woord voor woord ontleend is aan een boekje van den Chr. Geref. predikant van Kornhorn.
't Was niet óns woord, 't Is eenvoudig overgenomen. Om eens te beluisteren, hoe men in gescheidene kringen over gescheidene broeders en zusters deukt en spreekt.
Niet, dat we het in alles eens zijn met hetgeen Ds. V. d. Kodde hier ter sprake heeft gebracht.
Volstrekt niet. Ook hadden we den toon hier en daar gaarne wat anders gehoord.
Maar wat ter sprake is gebracht inzake '34, '86 en '92 — alsook wat gezegd is over de leer (bizonder „de veronderstelde wedergeboorte"), 't zijn dingen die aan de orde van den dag zijn. Op de Synoden der Geref. Kerken en der Chr. Geref. Kerk drongen deze dingen naar voren en onder de menschen worden ze druk besproken.
Daarom wilden wij ze even onder de aandacht brengen van de lezers van „de Waarheidsvriend."
Want we kunnen wel doen alsof er niets aan de hand is — we kunnen deze dingen wel doodzwijgen, maar of dat verstandig is, is een tweede zaak.
En neen, laten wij, Hervormden, dan niet leven bij haat tegen „de doleerenden." Dat is de dwaasheid gekroond.
Maar laten wij deze dingen opmerken om daarmee in te keeren tot ons zelf en te onderzoeken wat wij in eigen kring te doen hebben. En dan zouden wij óok willen, dat de mannen van '34, '86 en '92 eens stil stonden op den weg en eens gingen overleggen: of er ook teekenen zijn, die er op wijzen, dat '34, '86 en '92 niet de volmaaktheid zelve is geweest.
Want eerlijk gezegd, dat staat ons bij de menschen van "de Gereformeerde Kerken" en bij de menschen van de Chr. Geref. kerk wel een weinig tegen.
't Is alsof het daar het beloofde land is; en met diep medelijden kan men u somtijds aanzien, wanneer gij tot de Hervormde kerk behoort en wanneer gij dat met warmte staat te verdedigen.
Voelt men het verkeerde daar niet van?
Want — om met het laatste te beginnen — wij bekijken de Chr. Geref. kerk met een gansch ander oog dan Ds. v. d. Kodde.
We zouden niet gaarne het advies onderschrijven: „kom over tot de Chr. Geref. kerk en bewandel dan den heilzamen en zegenrijken weg door den Koning der kerk zelf door middel van het werk der „Scheiding" ontsloten."
In de verste verte verte niet.
We beschouwen de Chr. Geref. kerk een weinig anders! Van het heilzame en zegenrijke — 't is niet om te smaden, maar 't is onze eerlijke overtuiging — zien we niet veel.
En tot blijdschap bemerken we telkens, dat men dan ook op tal van plaatsen weer naar de Herv. kerk terug keert, zoodra er in de Herv. kerk een Geref. prediking gevonden mag worden.
Veel malcontenten („ontevredenen"), die het nergens kunnen vinden, behooren tot de Chr. Geref. Gemeente.
En bij gebrek aan alle kerkelijk bewustzijn vliegen ze even makkelijk weg als ze eerst gekomen zijn.
Dat uit en bij de Chr. Geref. kerk dan ook een vrije Geref. kerk, een oud-Geref. kerk, een Dordtsch Geref-kerk of een Geref. kerk onder 't kiuis ontstaat, is geen uitzondering.
Allervreeselijkst!
Wat zondigt men toch gruwelijk tegen den Heere en tegen z'n mede-broeders en zusters, wanneer men zoo gemakkelijk z'n voet in dezen weg zet en telkens weer een stapje verder gaat.
Van al die vrijbuiterij op kerkelijk terrein gaat dan ook niet de minste lokkende en trekkende kracht tot ons uit.
En het verwondert ons geenszins, dat al die kerkjes en groepjes vol haarkloverijen, twisten en veeten zitten, waarbij niet weinig aan het vleesch gewierookt wordt — en waarbij de ouders dikwijls geen vrijmoedigheid hebben om hun kinderen in dezelfde kerkelijke gemeenschap te laten opnemen en ze dan maar ergens anders heen zenden!
En in „de Geref. kerken"? Neen, wij zullen het niet ontkennen dat daar actie en bedrijvigheid is.
We zullen het niet ontkennen, dat daar gewerkt wordt op elk terrein des levens. Dat men daar zelfbewustheid heeft.
Maar als men dan sierlijke kerken bouwt, als men dan werkt op .elk terrein, als men dan ijvert om den voorrang, als men dan uitgaat om jongen en ouden te vangen, dat ze maar naar „de Geref. kerken" zullen overkomen. Als men op schoolgebied zich roert, in de pers kracht ontwikkelt, op het terrein van allerlei arbeid, zich ontplooit ziet, dan overleggen wij wel eens: hoe komt het toch, dat er zoo weinig geestelijk leven is, dat er zoo weinig opwaking is, ook in die kringen, dat er zoo dikwijls bitterheid is tegenover een Geref. prediking in de Herv. kerk, dat men zoo makkelijk vergeet en loslaat de kerk, die men in de zonde verlaten heeft?
Zou het wel in orde zijn? Zou '34, '86, '92 ook iets te zeggen hebben?
Is de geest van heerschen, van roemen, van groot worden sterker dan de geest van medelijden, van droefheid, van schuldbelijden ? Voelt men zich niet te makkelijk, omdat men de moeite niet voelt?
Wij vragen maar.
En terwijl we vragen meenen we iets van Gods waarschuwende stemme te hooren. Een stem om óns te waarschuwen én „de Geref. kerken" te waarschuwen.
Een stem die óns én „de Geref. kerken" komt kastijden en tuchtigen — waarbij wij meenen te mogen beluisteren:
Ik heb de Herv. Kerk nog niet verlaten en Ik heb voor de Gereformeerden in de Herv. kerk een groote, heilige, heerlijke taak weggelegd, wanneer zij ontwaken.
En wel déze taak: getuigen te zijn op het erfdeel der Vaderen. — Waarbij de Heere, de God des eeds en des verbonds, déze gewisse beloften heeft gegeven: „en die uit u voortkomen, zullen bouwen de oude verwoeste plaatsen; de fondamenten, van geslacht tot geslacht verwoest, zult gij oprichten en gij zult genaamd worden: die de bressen toemuurt, die de paden weder opmaakt, om te bewonen. Dan zult gij u verlustigen in den HEERE, en Ik zal u doen rijden op de hoogten der aarde en Ik zal u spijzigen met de erve van uwen vader Jacob: want de mond des HEEREN, heeft het gesproken." (.Jes. 58.)
Ziet — daarom blijven wij op de erve onzer vaderen, waar de Heere het zoo wél maakt.
De groote Herder der schapen zij ons genadig en brenge ons samen in den rechten weg!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 september 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 september 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's