De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

10 minuten leestijd

Comedie spelen.

Een gebeurtenis, door velen beschreven en door velen veroordeeld, is, dat door leerlingen van het Gereformeerd Gymnasium te Amsterdam een heusche voorstelling op het tooneel zal worden gegeven in de Stadsschouwburg op het Leidsche plein, waartoe voor ieder toegang te verkrijgen is tegen betaling van f2, 50.

Over het tooneel is onder Gereformeerden altijd zóo geoordeeld, dat het.woord der Schrift werd overgenomen: „Wat gemeenschap heeft Christus met Belial? " Dr. Kuyper schreef in 1895 in Nó. 897 van „de Heraut": „Tooneel, dansen kaartspel zijn van de dagen van Calvijn en Beza, van Danaeus en Taffijn bij ons Gereformeerden in den ban. En wie ten dezen van de beproefde wegen der Vaderen afwijkt, brengt daardoor zijn Calvinisme in ernstige verdenking."

En 5 Jan. 1881 schreef Dr. Kuyper in „de Standaard": „Zelfs al woudt ge u eens in een idealen toestand verplaatsen en u indroomen in de mogelijkheid van vroeg of laat een tooneel in het leven te roepen, waarvan alle zondig bijmengsel geweerd ware — zelfs dan nog, en daar lette men wel op, zou de dramatische kunst naar onze stellige overtuiging op Christelijk standpunt ten eenenmale onverdedigbaar zijn."

En nu in het jaar 1910 lezen we in de nieuwsbladen van een tooneeluitvoeriiig van de oudleerlingen en de leerlingen van het Gereformeerd Gymnasium te Amsterdam, waar de Vrije Universiteit staat!

Is het wonder dat iemand schreef: „Wat thans de jongelui van het Gereformeerd Gymnasium beoogen, en dat nog wel onder leiding van Dr. P. W. Merkens, een hunner leeraren, is al heel wat verder dan het insluipen van het eerste beginsel."

Het geldt hier niet een onnoozele samenspraak, opgezegd in eigen kring, maar het heusche vertoonen van een heusch tooneelstuk in een heuschen schouwburg.

Er worden voor de eerste rangen als stalles en loge prijzen gevraagd van f2, 50, precies als bij een heusche komedievertooning. Er wordt zelfs de hulp ingeroepen voor 't instudeeren der rollen van een heuschen beroeps-acteur en regisseur Eduard Verkade.

Waar moet dat heen?

Terecht is eenmaal door een tooneelspeler, die tot God bekeerd werd, gezegd: „'t is nutteloos te vragen, wat het tooneel moest zijn, of kon worden. Laten wij der wereld haar tooneelliefde; wat zouden wij, discipelen van Christus, in den schouwburg doen? "

Daarom moet ons Christelijk volk gewaarschuwd worden zelfs voor het zetten van den eersten stap op het pad, dat zoo gemakkelijk voert naar de plaats van huichelarij, zondelust, ontucht enz.

En ziet, nu gaan Gereformeerde jongelui, geleid en aangevoerd door hun leermeester, brutaal in dien wereldschen en gevaarlijken weg in.

Nu staan de aanstaande leidslieden van ons Gereformeerd volk gereed om zich der wereld gelijk te maken en de grendels van de deur, die tot nog toe gesloten was, officieel weg te schuiven.

En ja, de Curatoren van het Gereformeerd Gymnasium, de Hoogleeraren Woltjer, Bouwman en Rutgers, veroordeelen wel het heffen van entree, maar zij veroordeelen de zaak zelve eigenlijk niet.

En het gevaar van wereldgelijkvormighéid dreigt van alle kanten. 't Dreigt zoo ontzettend.

Moest men niet liever aandringen op het uittrekken van den wortel des kwaads, dan vrijheid te geven tot aan de uiterste grenzen?

Wereldgelijkvormighéid onder het Geieformeerde volk dreigt binnen te sluipen. Het eerste beginsel is al binnengeslopen. Ja, méér dan het eerste beginsel.

En neen, wij willen het niet verbergen, dat in de kringen van onze gescheidene broeders de wereldgelijkvormighéid met den dag toeneemt.

Hun kerkgebouwen verbazen ons dikwijls door de weelderigheid — terwijl de schuldenlast dan vreeselijk is.

De predikanten zijn geheel aan de wereld gelijkvormig en zelfs op kerkelijke vergaderingen is het een heele kunst het domineestype nog te vinden.

De onderwijzers (ook Hervormden!!) aan onze Christelijke scholen zijn niet zelden heerschappen van het eerste water. En op vergaderingen van Gereformeerde broeders, 't zij voor kerk, school of politiek belegd, telt men meer witte vesten met gouden kettings dan zwarte vesten met een koordje.

Leeraren aan inrichtingen van Middelbaar en Hooger onderwijs zijn niet zelden naar de laatste mode gekleed en gekapt.

Eerlijk gezegd, het staat ons tegen. Men leeft boven z'n stand. Men geeft velen ergernis.

Maar wat meer zegt: men zet voor het eerste beginsel van de wereldgelijkvormighéid alle deuren tegelijk open. ,

En terwijl de Gereformeerde. leidslieden voorgaan — staan onze Gereformeerde jongelingen aan 't biljart en rooken hun cigaret achter een potje bier en vervullen de rollen bij optochten en uitvoeringen, waar méér dan het eerste beginsel van wereldgelijkvormighéid is binnengeslopen.

Spreken wij onwaarheid? Laat men het gerust zeggen.

Maar men wete dit, dat, wat wij zeggen, door ons is gezien en bestreden en nu met smarte is neergeschreven.

Laat de toepassing van „de Gemeene Gratie" niet verdervend zijn.

Laten we elkander met ernst mogen toeroepen: bekeert u.

En de Heere geve, dait de Gereformeerde beginselen onder ons allen mogen winnen en wij het Calvinisme niet in ernstige verdenking brengen!

Art. 171.

De Kerkeraad der Gereformeerde Kerk te Rijswijk (Z. II.) heeft een adres gericht „aan de Staatscommissie, ingesteld bij K. B. van 24 Maart 1310, tot onderzoek van de vraag welke wijzigingen in de Grondwet behooren te worden aangebracht" over Art. 171 van de Grondwet.

De Kerkeraad is van oordeel, dat in dat artikel (liever: bij de toepassing er van) „eene onbillijkheid wordt begaan jegens een groot aantal andere Kerken in ons vaderland. De eene kerkengroep wordt door dit artikel eenzijdig door den Staat bevoorrecht boven de andere groep. Jaar aan jaar worden aan vele kerkengroepen belangrijke sommen uit de Staatskas verstrekt. Voor het jaar 1910 vermeldt de Staatsbegrooting de navolgende Kerken met de achter hare namen gevoegde bedragen voor predikants-tractementen: de Nederl. Herv. .Kerk met                     f 1, 145, 066, 29 5e; de Ev. Luth. Kerk met f 36, 640.—; de Herst. Luth. Kerk f4, 325.-; de Doopsgezinden met f11, 850.—; de Remonstranten met f 20, 000.—; de Roomsch Kath. Kerk met f 524, 704, 775; de Oud-Biss. Clerezie met f7600.—; de Israëlieten met f 10, 580.—, behalve hetgeen nog aan deze kerkengroepen voor kosten van kerkbestuur, en voor kinder-, school-, academie-en emeritusgelden jaarlijks uit de Staatskas gegeven wordt. Hiertegenover nu staan de Gereformeerde Kerken, aan welke niets uit de Staatskas verstrekt wordt. Aanvragen van de zijde dezer Kerken in 1897, 1898 en 1900 werden geweigerd (zie Eindverslag der Comm. van Rapporteurs van de Eerste Kamer der Staten-Generaal over het ontwerp van Wet tot verhooging van het VIIde hoofdst. B der Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1910). De Tweede Kamer der Staten-Generaal verklaarde zich nog onlangs met nadruk tegen regelmatige uitbreiding van de staatssubsidiën aan de Kerken (zie Voorloopig Verslag der Comm. van Rapporteurs der Tweede Kamer der Staten-Generaal op bovengenoemd ontwerp van Wet), zoodat ook voor de toekomst aan finantieelen steun van den Staat aan de Gereformeerde Kerken niet gedacht kan worden."

De Kerkeraad meent, dat de tegenwoordige handelwijze in strijd is met de grondbeginselen der Nederlandsche Staatsregeling, die aan alle Kerken gelijke bescherming toezegt, en ook niet overeenkomt met de strekking van Art. 171 „dat ten deele althans zijn ontstaan te danken heeft aan de wetenschap der naasting van-voormalige kerkelijke goederen en de uit die naasting volgende verplichting". En thans worden deze fondsen, „eertijds bestemd tot steun voor de Gereformeerde Religie, mede gebruikt tot subsidiëering van bijna alle Kerken, uitgezonderd echter de Gereformeerde Kerken. Ook hier springt de onbillijke houding van den Staat tegen over deze Kerken in het oog."

Daarom dringt de Kerkeraad van Rijswijk bij de Commissie aan op wegneming of wijziging van Art. 171 der Grondwet. Hij acht het wenschelijk, dat het bedrag, thans jaarlijks aan subsidies voor de Kerken uitbetaald, gekapitaliseerd en aan de Kerken uitgekeerd wordt. Beloopt dit thans ongeveer 2 millioen gulden, zoo zou het uit te betalen kapitaal, de subsidie gerekend als rente van 4 o/o, ongeveer 50 millioen gulden bedragen. Springt de onbillijkheid jegens de Gereformeerde Kerken tot nu toe begaan in het oog, dan dient bij deze uitbetaling ook aan haar eene som uitgekeerd te worden." Acht men, dat die Kerken 1/12 deel der natie vormen en de Ned. Herv. Kerk het 1/2 deel, dan zou die som, gelijk zijn aan het 1/6 deel van hetgeen aan de Ned. Herv. Kerk wordt gegeven. Dit voorstellende beroept de Kerkeraad zich erop, dat de Ger. Kerken mede de uitbetalingssom in de belastingen opbrengen. Op een tweede beweegreden, „dat de Gereformeerde Kerken eigenlijk de voortzetting zijn van de vroegere Gereformeerde Kerken, en dus op vele plaatsen op geheel het fonds der voormalige Kerkelijke goederen hare aanspraken zouden kunnen doen gelden", legt de Kerkeraad wijselijk geen nadruk. Er was „in de jaren, toen die goederen genaast werden", geen eenparig „Kerkrecht", waaronder de oude Ger. Kerken leefden, en waarnaar in 1834 en 1886 de Gereformeerde Kerken zich wettig gereformeerd zullen hebben, zoodat zij de voortzetting van de eerstgenoemde zouden kunnen geacht worden te zjn.

De Kerkeraad wil liever in aanmerking nemen den vrede der natie, de moeielijkheid om de hoegrootheid der vroegere eigenlijke kerkelijke goederen te bepalen en de aanwezigheid van belijders der Gereformeerde Religie in de Ned. lierv. Kerk, aan wie hij gaarne hun deel in de voormalige kerkelijke goederen overlaat. Maar vermits hun getal moeielijk gesepareerd opgegeven zal kunnen worden, stelt de Kerkeraad de verdeeling van de uit te keeren som in verhouding naar het gansche ledental van de Ned. Herv. Kerk voor. Geschiedt dan de uitbetaling aan iedere Kerk plaatselijk overeenkomstig haar zielental, zoo zou Art. 171 der Grondwet geheel kunnen vervallen.

„ Resumeerend, dringt derhalve de Kerkeraad bovengenoemd bij de Hoogedelgestr. Heeren, leden der Commissie aan, op een voorstel tot wegneming, of algeheele wijziging van Art. 171 der Grondwet, ' hetwelk zou kannen geschieden in dien zin, dat de subsidies, tot nog toe aan de Kerken gegeven, gekapitaliseerd en aldus aan de Kerken uitbetaald werden, en dat ook aan de Geref. Kerken haar aandeel gegeven werde, opdat de onbiilijkheid tot dusver jegens deze Kerken gepleegd, een einde moge hebben."

In De Bazuin wordt de aandacht vooral van de kerkeraden der Gereformeerde Kerken op dit adres gevestigd, als een begin in de richting-„van woorden tot daden." Ook de sterkste tegenstander van subsidie aan de Kerken, zegt de inzender L..L. (Prof. Lindeboom), kan wel instemmen met de conclusie van het adres, hierboven gecursiveerd.

Met belangstelling zien wij te gemoet, of er eene beweging in deze richting in de Gereformeerde Kerken zal ontstaan.

De dienst des Woords.

„Onder zoovele treffelijke gaven, waarmede God het menschelijk geslacht begiftigd heeft, is dit een bizonder voorrecht, dat Hij de monden en tongen der menschen verwaardigt tot Zijnen dienst te heiligen, opdat Zijne stem door dezelve zou gehoord worden.

En gelijk Hij zich oudtijds niet vergenoegd heeft met de Wet alleen, maar er Priesters, om die te verklaren, heeft bijgevoegd, van wier lippen het volk haren waren zin zou verstaan; zoo wil Hij ook heden niet alleen dat wij onze aandacht zullen hebben op het lezen, maar stelt ook Leeraars over ons, om door hunnen dienst te worden geholpen (Ef. 4:11; Jes. 59:21; Rom. 10:17; Deut. 18 : 10 enz )

Laat het ons dan niet verdrieten de leer der zaligheid, door Zijn bevel en Zijnen mond voorgesteld, gehoorzaam te omhelzen; want schoon de kracht Gods aan de uitwendige middelen niet is gebonden, zoo heeft Hij nochtans ons gebonden aan de gewone manier van onderwijs.

En wanneer de onzinnige menschen zich aan die weigeren te houden, wikkelen zij zich in vele verderfelijke strikken.

De hoogmoed, walging of nijd drijft velen, dat zij zich laten voorstaan dat zij door het lezen of overdenken van het Woord, bij zichzelven genoegzaam kunnen vorderen, terwijl zij zoodoende de openbare bijeenkomsten versmaden en de prediking onnoodig achten.

En dewijl zij, zooveel zij kunnen, den heiligen band der eenheid losmaken of verbreken, zoo ontgaat niemand van hen de rechtvaardige straf van deze booze schennis, zonder zich met verderfelijke dwalingen en schromelijke sufferijen te betooveren.

Maar indien iemand zich aan de dienaren, die God over hem gesteld heeft, leerzaam betoont, zoo zal hij uit de vrucht bekennen dat deze wijze van leeren niet zonder reden Gode behaagd heeft en dat ook dit juk van zedigheid den geloovigen niet ten onrechte is opgelegd.

J. CALVIJN. lust. IV - 1—5 en 6.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 28 september 1910

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 28 september 1910

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's