Stichtelijke overdenking.
Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd voorts kort is. 1 Cor. 7 : 29a.
De tijd is kort.
Ons leven snelt zoo maar heen. De dagen, maanden en jaren volgen elkaar schielijk op. We zullen spoedig in ons graf liggen. Toen koning Xerxes met zijn groot leger Griekenland binnentrok en de rijen zijner soldaten nog eens overzag, begon hij plotseling te weenen. Naar de oorzaak hiervan gevraagd, antwoordde hij: „Ik ween bij de gedachte, diit er over honderd jaar niemand van mijne krachtige, flinke mannen meer overig zal zijn." Inderdaad is dergelijke gedachte aangrijpend. Over honderd jaar wonen er in alle huizen andere menschen, wandelen op de straat andere menschen, nemen anderen onze zitplaatsen in de bedehuizen in, treden andere leeraars op den kansel op; is er misschien nog slechts een enkele van ons als een oude, afgeleefde grijsaard over. Wij liggen dan in ons graf. En, onze onsterfelijke ziel, waar zal die dan zijn? Bij God Drieëenig, met engelen en zaligen, in storelooze heerlijkheid? Of in het oord van den eeuwigen doem? Als dan de tegenwoordige orde der dingen nog zal bestaan en 's werelds jongste dag nog niet gekomen is, dan zullen onze nakomelingen langs onze graven wandelen. Medereiziger naar de eeuwigheid, als zij dan uw graf zullen aanschouwen, hoe zal men over u denken en spreken? Immers de nagedachtenis van den rechtvaardige zal tot zegening zijn, maar de naam van den goddelooze zal verrotten.
Waar Paulus zijne broeders aan herinnert, daar herinnert de Schrift ons op zoo menige bladzijde aan. „Mijne dagen zijn lichter dan een weversspoel", getuigt de duider Job, als hij van alles beroofd, van allen, behalve van zijn God, verlaten, met een ellendig, pijnlijk lichaam, op den aschhoop neergezeten is. Mozes, in zijn woestijnlied, verklaart: „De menschenkinderen zijn gelijk een slaap; in den morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert; in den morgenstond bloeit het en het verandert, des avonds wordt het afgesneden, en het verdort. Want wij vergaan door Gods toorn, en door Zijne grimmigheid worden wij verschrikt." En om niet meer te noemen, roepen we nog in uw geheugen terug, dat de man naar Gods harte in Psalm 89 zingt: „Gedenk van hoedanige eeuw ik ben. Waarom zoudt gij aller menschen kinderen tevergeefs geschapen hebben? Wat man leeft er, die den dood niet zien zal, die zijne ziel bevrijden zal van het geweld des grafs? " en dat Paulus elders nog zoo ernstig waarschuwt: „Maranatha!" d.i. „De Heere komt!"
Allen dag wordt de Schrift hierin bevestigd. Wij allen, die dit lezen, zijn door Gods lankmoedigheid nog in leven; doch sommigen onzer hebben droeve en pijnlijke verliezen geleden; en niemand onzer, of hij heeft reeds het gemis van bloedverwant of vriend betreurd. Misschien draagt gij, die dit leest, het rouwgewaad, en be- vochtigt gij onze woorden met een traan, wijl 't nog niet zoo lang geleden is, dat gij't rouwkleed om een dierbaren doode hebt omgedaan. Als dat zoo is, dan zult gij ook wel ondervonden hebben dat we zonder 's Hemels genade 't Job niet in waarheid kunnen nazeggen: „De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd!"
O, die zonde van onze eerste voorouders, Adam en Eva, in het paradijs heeft schrikkelijke gevolgen meegebracht! en dat: „stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeeren!" wordt niet zonder harteleed en droefenis vervuld!
Het is een teeder woord, ' waarmede Paulus de Corinthiërs aanspreekt: „Broeders!" Daarin legt hij geheel zijn liefdevol hart.
In hun eertijds waren Paulus en de Corinthiërs geen broeders. Neen, - alles behalve!' De Corinthiërs waren losbandige, lichtzinnige, verdorvene heidenen, die den waren God en Jezus Christus, Zijnen Zoon, en Zijn dierbaar Woord niet kenden. Hunne loszinnigheid ging zelfs den Grieken te ver en was onder hen spreekwoordelijk geworden. En Paulus? Hij waseen wettische, werkheilige Farizeeër, die door goede werken vermeende zalig te kunnen worden; die aan Gamaliel's voeten veel wijsheid ontving; doch den weg des levens niet kende; die Gode aangenaam zocht te zijn door — het vervolgen van Jezus' arme schapen. Meesterlijk is Lukas' pen in de Handelingen werkzaam, als hij ons, bij de beschrijving van het afsterven van den martelaar Stephanus, aldus eerst Paulus ten tooneele voert: „En de getuigen legden hunne kleederen af aan. de voeten eens jongelings, genaamd Saulus."; terwijl hij eenige verzen verder aanteekent: „En Saulus had mede een welbehagen aan Stephanus' dood."
Eerst heeft de Almachtige God Saulus bekeerd en er een Paulus van gemaakt, toen Hij hem op den weg van Damascus tegenkwam met het: „Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij ? " Daarna heeft God Paulus weer gebruikt als een middel, om de Corinthische lezers van zijn brief te bekeeren. En sindsdien zijn Paulus en deze Corinthiërs broeders geworden.
Broeders, broeders en zusters toch zijn alle Christenen en Christinnen. Want aan aller ziel heeft God groote dingen gedaan; allen toch heeft Hij door Zijn Woord en Geest overgebracht uit de duisternis in het licht, uit den dood in het leven, uit den haat in de liefde. Allen zijn gerechtvaardigd en worden heilig gemaakt door Jezus' bloed en Geest. Ze zijn allen kinderen van één en denzelfden Vader, ze zijn allen broeders en zusters van hun oudsten broeder, Jezus Christus. Ze zullen straks in één hemel met één halleluja één God moeten grootmaken. Gelijk uit vele graankorrels één meel gemalen en één brood gebakken wordt; en uit vele bezien, saamgeperst zijnde, één wijn vliet, en zich ondereen vermengt; alzoo zijn ze allen één.
Helaas! zijn de broederlijke gevoelens vaak ver te zoeken. In onze dagen inzonderheid. De splijtzwam vertoont in onzen tijd nauwkeurig het beeld van Christus' kerk; gescheidenheid, verdeeling, nijd, twist, tweedracht merkt men alom.
Ai zie, hoe goed, hoe lieflijk is 't, dat zonen Van 't zelfde huis, als broeders samenwonen, Daar 't liefde vuur niet wordt verdoofd.
Hoe heerlijk klinken deze tonen, als ze op de vleugelen van orgelspel en gemeentegezang worden gedragen door de hoogten van ons bedehuis. Ze doen fijne snaren trillen in elk menschenharte, dat door Gods Geest werd bewerkt. Doch de broederliefde is onder ons zoo dikwijls meer theorie dan practijk.
Dit zou zoo anders moeten zijn. Laten we de schuld niet op anderen werpen. Dat we de schuld maar veel bij ons zelf zoeken, en God bidden, om genade en wijsheid, dat we er zelf mee beginnen, dat we veel geduld en zachtmoedigheid en liefde betoonen aan hen, die, hoe overigens ook van ons gescheiden, wat het geloof aangaat onze broeders zijn.
„Dit zeg ik, broeders, " verklaart de gewijde briefschrijver, dat de "tijd voorts kort is."' En als hij dit schrijft bedoelt hij hiermede, dat de Christen toch aan de aardsche dingen niet te veel gewicht hechte, en aan de geestelijke, hemelsche dingen de meeste waarde toekenne; immers al het aardsche is slechts voor een tijd, doch wat God door Zijn Geest in onze harten legt blijft tot in alle eeuwigheid. Dit blijkt duidelijk uit hetgeen er op het woord onzer overdenking volgt: „opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende; en die weenen als niet weenende; en, die blijde zijn, als niet blijde zijnde; die koopen, als niet bezittende; en, die de wereld gebruiken, als niet misbruikende ; want de gedaante dezer wereld gaat voorbij."
Inderdaad, geliefde medereizigers naar Sion's zalige oorden, de dingen van deze voorbijgaande eeuw maken dikwijls te veel indruk op ons. We zijn vaak veel te blij in den voorspoed, en veel te bedroefd in den tegenspoed. Spoedig laten we alles, hier achter wat van deze wereld is, ons lief en ons leed, onze bezittingen, onze Vrienden, maar ook het zwaarste kruis, waaronder we zuchten. Daarna breekt Jezus' heerlijkheid aan, waarin wij den Koning in Zijne schoonheid zullen aanschouwen. Hier kan geen aardsche genieting tegenop, hierbij zal spoedig alle aardsche leed vergeten zijn.
Dat we toch ook gedurende den korten tijd, dat we op deze wereld zijn, niet zoo gemakkelijk zondigen, gelijk we vaak doen. 't Is waar: heilig zullen we nooit worden in den zin, dat we zonder eenige zonde zullen zijn; doch 't maakt zulk een verschil, hoe we zondigen, of we ons willoos, als doode visschen, door den stroom der zonde laten meevoeren dan of we tegen de zonde strijden en haar mijden en vlieden. Genade te bezitten en dan tegen beter weten in te zondigen is toch zoo erg, en door onze zonden doen we Jezus zooveel droefheid aan. Daarom staat er: "Jaagt de heiligmaking na, zonder welke niemand den Heere zien zal." Ook getuigt de Heiland Zelf tot Zijne discipelen: "Laat uw licht alzoo schijnen voor de menschen, dat zij uwe goede werken mogen zien, en uwen Vader, die in de hemelen is, verheerlijken."
Voorts, geliefden, leeft nabij Jezus; want elk uurtje zonder Jezus is een verloren uurtje. Hebt elkander vuriglijk lief. Gedenkt elkander in de gebeden. En verheugt er u over, dat uw einde het begin zal wezen van eindelooze heerlijkheid. Halleluja! Gode zij de eere tot in der eeuwen eeuwigheid! Amen ! Ja, amen !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 28 september 1910
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 28 september 1910
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's