Onze Belijdenis.
I.
Het is een droeve klacht die de Heere in Hosea 4:6 opheft over Zijn volk. Mijn volk, zegt Hij, is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is.
Zoo spreekt de Heere daar over Zijn volk Israel.
„Zonder kennis", dat zegt Hij niet van de heidenen. Maar dat zegt Hij van dat volk met hetwelk Hij, in Abraham Zijn heilig Verbond had opgericht en dat door middel van Mozes de wet uit den mond des Heeren zelf had ontvangen.
Droevig, niet waar, dat dat volk Israel, dat zooveel kennis had kunnen bezitten, den sleutel der kennis verworpen had, en dies thans ook door den Heere verworpen was.
Maar, wat dunkt u, zou dit alleen van het oude volk Israel gezegd kunnen worden, of zou deze zelfde klacht soms ook in onze tegenwoordige dagen van toepassing zijn.
„Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is."
Ja, dat kan in zoo menig opzicht getuigd ook van de Kerk des Heeren in ons vaderland. Een der oorzaken van den droeven toestand waarin met name onze Hervormde Kerk verkeert is juist dat gebrek aan kennis van de dingen van God en Zijn dienst. Men heeft het Woord des Heeren verworpen. Tot Hem, Wien te kennen in het aangezicht van Jezus Christus het eeuwige leven is, heeft men gezegd: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust.
Is het dan wel-wonder dat, waar men liet licht der kennis heeft gedoofd, het in zoo menig opzicht stikdonkere duisternis geworden is?
En deze schrikkelijke onkunde vinden we helaas niet slechts in kringen waar men ten eenenmale met het Woord des Heeren gebroken heeft; het is waarlijk niet alleen in streken die door het modernisme geheel zijn verwoest, dat de sleutel der kennis is verloren geraakt, maar ook in kringen waar nog wel eerbied voor het Woord des Heeren bestaat, ja zelfs in onze Gereformeerde gemeenten waar nimmer de leugenleer der modernen heeft ingang gevonden, is men zoo vaak van de rechte en zuivere kennis van Gods Waarheid vervreemd. Soms verbaast gij u over de zonderlinge begrippen, over de met Gods Woord in flagranten strijd zijnde meeningen, die men b.v. over het stuk der Eeuwige Verkiezing, over het stuk der Voorzienigheid, en niet het minst over het stuk van Wedergeboorte en Bekeering is toegedaan.
Nu zijn daar wel redenen voor te vinden, waarom juist ook in de Gereformeerde kringen van ons volk vaak de rechte kennis ontbreekt. En een der redenen moet, naar het ons voorkomt, hierin gezocht, dat door vele Gereformeerden vaak eenzijdig nadruk gelegd wordt op het mystieke element dat daar ongetwijfeld in den dienst des Heeren bestaat. Immers het is juist onze Gereformeerde belijdenis, die zoo uitnemend doet uitkomen dat er persoonlijke geloofsgemeenschap geoefend wordt tusschen God en Zijn volk. Met den apostel Paulus belijden we zoo van harte: „al ware het dat ik al de talen der menschen en der engelen sprak .... en al ware het dat ik de gave der profetie had en wist al de verborgenheden en al de wetenschap .... en de liefde niet had, zoo ware ik niets."
Dat men dit nu telkens doet uitkomen dat zonder dat de liefde Gods in het hart is uitgestort de meest grondige kennis van de dingen van Gods Koninkrijk ons niet baten zal, is op zichzelf zeker uitnemend. Maar men hoede zich ook hier voor uitersten, en wachte zich wel dat men nu niet vervalt in het euvel waartegen ook in de geschriften onzer Gereformeerde Vaderen zoo telkens gewaarschuwd wordt, dat nl. het werk des Heiligen Geestes in het hart een grondige verstandelijke kennis zou uitsluiten.
En dat is nu de fout, die naar het ons voorkomt in vele van onze Gereformeerde kringen wordt gemaakt. Men maakt van verstand en hart een tegenstelling. Men doet het vaak voorkomen alsof verstandelijke kennis, nu ja, nog wel goed is voor een onbekeerd mensch, maar als de Heere wederbarende genade aan het hart verheerlijkt heeft, dan behoeft men het met die verstandelijke kennis zoo nauw niet meer te nemen. Als de Heere met Zijn Geest in het hart werkt, dan kan men naar het oordeel van velen de verstandelijke kennis wel missen; ja sommigen gaan zoover dat zij meenen dat men dan van al dat verstandswerk eigenlijk meer schade dan voordeel heeft.
Deze tegenstelling nu, die men zich op deze wijze denkt tusschen hart en verstand, is door en door valsch en met het Woord des Heeren in strijd. Nergens toch zult ge in Gods Woord ook maar iets kunnen vinden dat u recht tot het vormen van zulk een tegenstelling geeft.
Integendeel, dat verstand en hart, inplaats van een tegenstelling te vormen, met elkaar in het allernauwste verband staan, blijkt wel daaruit dat het eeuwige leven, het leven dus dat door den Heiligen Geest in de harten van Gods kinderen wordt gewerkt, door den Heiland zelf een „kennen" wordt genoemd. Dit immers is het eeuwige leven — niet dat zij U genieten, maar — dat zij U kennen den eenigen waarachtigen God en Jezus Christus dien Gij gezonden hebt (Joh. 17:3).
In overeenstemming daarmee hebben onze Gereformeerde godgeleerden in hunne werken steeds in den breede gehandeld over wat zij doorgaans noemden „de kennisse Gods." En juist dat men dat uit het oog verloor en men er toe kwam om de ervaring des harten te stellen tegenover de kennisse des verstands, juist dat is, naar onze overtuiging, een der oorzaken van de grove onkunde, die hier en daar zelfs geleid heeft tot geestdrijverij.
Daarom moeten we er naar streven dat deze valsche tegenstelling onder ons Gereformeerde volk met wortel en tak zal worden uitgeroeid. Ons doel moet het zijn de kennis der Waarheid te verbreiden. Of de Heere die kennis aan de harten wil heiligen is niet onze zaak, maar de Zijne. Wij hebben slechts het onze te doen dat de kennisse Gods, de kennis van Zijn Waarheid in de geslachten zal voortgeplant worden. En als wij dan de hoofdwaar-heden van Gods getuigenis onder ons volk wenschen uit te dragen, zouden wij dat dan wel beter kunnen doen dan aan de hand van de belijdenis, waarin in de dagen onzer vaderen die hoofd waarheden zijn samengevat?
(^Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1910
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1910
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's