De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

8 minuten leestijd

Jeremia 3 : 13a.

Alleenlijk ken uwe ongerechtigheid.

Wil en weg des Heeren staan lijnrecht tegenover het bedoelen van den natuurlijken mensch. Over heel de breedte van zijn leven en streven vindt de mensch 't getuigenis van den levenden God tegenover zich. Op alle punten moet hij worden opgekeerd en teruggeslagen; op al zijne schreden moet hij terugkomen, zal 't wel zijn. Op de riffen van 's levens tegenheden moeten zijne inzichten schipbreuk lijden, opdat blijken zal de onbetrouwbaarheid van 't kompas van het eigen ik. Uit 't wrakhout van gebroken verwachtingen, dat daar ronddrijft op de levenszee, moet blijken, met klaren straffen ernst, hoe gevaarlijk 't is zonder den Oppersten Leidsman en Hemelschen Loods die wateren te bevaren. Wij zijn van gisteren en weten niet. Wij zijn 't spoor bijster en verdoold. Ook als wij 't leven zoeken slaan wij nog af op de paden des doods; als we 't Vaderhuis omhoog zoeken, zouden we, zoo de Heere 't niet verhoedde, nog omkomen in 't onderste van den kuil. Als een mensch gaat omzien naar de schatten der toekomende eeuw, is dan zijn eerste grijpen en jagen daarnaar niet in een weg van wetsbetrachting, van beter worden, van verdienen willen, van zich waardig betoonen ?

Dat 't de zonde is, die hem in jammer neerwierp, wordt verstaan, en daarom moet die zonde bestreden, overwonnen worden, en dan wacht hem beter lot.

Maar hij kent nog die zondemacht niet; hij verstaat niet, hoe diep zij de wortelen heeft geslagen in den bodem zijner ziel; hij peilt nog niet de diepte zijner wonden; hij beseft niet dat hij als een dor blad is voor dien stormwind, als een droge stoppel voor dien geweldigen vuurgloed der zonde. In de onderschatting van den niet gekenden vijand, in den overmoed der onwetendheid betreedt hij den weg, die hem van deugd tot deugd, van triomf tot zegepraal moet brengen tot 't begeerde doel. Lang kan die waan stand houden, maar eindelijk breekt zij weg. Of in de vierschaar der eeuwigheid, of hier beneden in dit leven, bij Gods gekenden; die 't ook nog leeren moeten in verbreking der ziele, dat uit de werken der wet geen vleesch voor God rechtvaardig wordt!

Want ook bij hen is 't in den aanvang een zoeken en meten, of de splinters en gruizels van 't gebroken werkverbond niet aan elkaar te passen zijn. Maar hun slaat de Heere die brokstukken hier beneden uit de hand, hen leidt Zijne hand terug op hunne schreden op dien schijnbaar opwaarts gaanden weg der werken, hen doet Hij keeren naar 't.dal der zielsverbrijzeling, waar de diepte der ontdekking, waar 't „alleen ken uwe ongerechtigheid", hun in de ziele zinkt! De weg, dien de eigengerechtige mensch zoekt naar 't leven, voert hem opwaarts; 't pad dat de Heere baant voor Zijn volk naar eeuwige heerlijkheid, leidt door de diepte, door donker en noodweer heen, waar de ziele ontdekt wordt, waar de wonde wordt gepeild en blootgelegd, waar de zonde wordt gekend, niet meer als voorbijgaande gebrekkigheden doch als den gansen mensch doorwoelénd vergif, als een venijn, dat niet rust voor 't den geheelen mensch verdorven heeft; als een kanker, zoo vernielend van werking, dat aan den mensch niets geheels is overgebleven.

Alleenlijk, ken uwe ongerechtigheid! Dat is de weg Gods! een weg niet van bemanteling, maar van ontblooting; een weg niet van schijn, maar van waarheid!

In de diepte van 't schrikdal der zelfontdekking ligt de bakermat der zieleredding; door het Achorsdal loopt de weg naar het hemelsch Kanaan. Omdat hier 't eigen werk wordt losgelaten, schampert de man der moeizame deugdsbetrachting hiervan: een gemakkelijke weg. Maar Gods ontdekt kind weet beter! Als van gansch 't gebouw onzer eigene gerechtigheid geen steen op den anderen gelaten wordt; als al onze gewenschte dingen stuk voor stuk in het dal van Hinnom moeten, als de eene rietstaf na de andere stuk breekt en de hand doorboort; wie, die er weet van heeft, spreekt nog van gemakkelijk. Als de ongerechtigheden gekend worden, gekend in haar. schrikkelijk-schuldig karakter, gekend als hoon en grief aangedaan Hem, Die den schuldige geenszins onschuldig houdt; aangedaan Hem, Die Zijne eer aan geen ander geeft. Gemakkelijk? Maar boren daar geen duizend dooden door het ingewand der ziel; vlijmt daar niet het tweesnijdend scherp der Wet tot in de diepste roerselen des levens? O zeker, daar is veel oppervlakkig praten over zonde en ellende en verdoemelijkheid voor God, en waar de draagkracht dezer woorden niet gevoeld wordt, daar pijnt 't niet in het hart; daaronder blijft ge koel en onverschillig, daar wordt in 't hart gekoesterd en aangehouden wat de mond met vele en groote woorden ver weg werpt! Maar  dat, mijn lezer, is niet 't kennen uwer ongerechtigheid, gelijk de Heere het alleenlijk van u eischt, en door Zijn Heiligen Geest in u werken wil. Dat gaat dieper; dat woelt den bodem des harten om tot in de onderste lagen.

En dat is geen gemakkelijke weg, maar wat meer is, dat is een weg van waarheid, een pad, dat onbedriegelijk naar 't leven voert. Daar toch werkt God; en waar Hij werkt, wie zal 't keeren ? Want dat is einddoel en oogmerk des Heeren, als Hij Zijn volk voert in het schrikdal der ontzetting. Opdat zij tot Hem zullen vluchten en behouden worden, daarom striemt hen het noodweer! Opdat zij 't opgeven zullen, opdat zij op genade zullen leeren pleiten, opdat uit hun boezem zal opwellen de noodkreet om erbarming, waarvoor 't oor des Hemelschen Vaders nimmer doof nog was, daarom moeten zij geleid worden in den weg der kennis hunner ongerechtigheden.

Alleenlijk, ken uwe ongerechtigheden, en dan, zegt de Heere, dan zal Ik den toorn niet eeuwiglijk behouden, - want Ik ben goedertieren. Maar is 't dan genoeg te kennen onze ongerechtigheden? Als een kindeke, dat geboren wierd, maar schreit, en in dat schreien 't levensteeken geeft, hoe lieflijk klinkt dat eerste schreien in 't oor der moeder, nietwaar? Dat is haar voor 't oogenblik genoeg. O, daar moet mogelijk nog veel doorworsteld worden, eer 't tengere wicht volwassen is, maar 't leeft, haar lieveling leeft, dat is haar genoeg. Zoo is 't met een ziele, die schreit onder den last harer ongerechtigheden, schreit in 't donkere Achorsdal, ten teeken dat zij leeft.

Maar 't is nog sterker, want waar 't leven, dat een moeder haar kind schonk, mogelijk nog ligt in 't bereik van den dood, daar kan 't leven dat uit God in Zijn kind is, niet sterven in der eeuwigheid. Dat haar kind er nog niet is, dat weet die moeder wel - daarom zal zij het verzorgen, opkweeken met al de teederheid harer liefde, maar immers zoo weet de Heere ook wel, dat er Zijn kind nog niet is, wanneer het uit zielenood opschreit tot Hem omhoog. Maar immers eer zou een vrouw haar zuigeling vergeten, eer de Heere zou vergeten Zijn krijtend volk! Hij zal u niet begeven, Hij zal u niet verlaten, want Hij is getrouw! In den weg der ontdekking wordt een ziel ontsloten voor de ontfermingen des Vaders, die in Christus Jezus zijn. Maar hoe zoudt ge meenen kunnen, dat de Héere Zijn volk, dat Hij zelf zegt lief te hebben met een eeuwige liefde, in het schrikdal zou leiden, om ze er te laten. Hij zal immers gewisselijk komen om u uit te leiden in 't licht Zijner vertroostingen! En zoo Hij nog vertoeft, verbeid' Hem dan toch.

O ziele, zou uw God dan leedvermaak hebben in de noodkreten die gij slaakt? Maar ge huivert, toch reeds voor de gedachte alleen. Neen, maar Zijns is de hoogste liefde en daarom kan Hij kastijden, die Hij liefheeft, omdat Hij liefheeft. En als gij zucht: hoe lange, Heere, hoe lange? of als ge vraagt: och, kon de Heere deze zielekwelling niet bekorten? o zwijg toch, want immers Hij alleen weet wat goed voor u is. O, wees toch stille, mijne ziel, wie zijt gij, dat gij tegen God antwoorden zoudt ? Is 't misschien ook niet daarom, omdat de zonde zoo diep is ingeworteld, omdat door heel uw hart en leven haar vezelen liggen doorgeweven. Neen, ken, ken uwe ongerechtigheden, zie, hoe ontzettend gij verzondigd zijt, en 't zal u niet verwonderen meer, dat daar zooveel strijd en leed moet doorgeworsteld worden. De Heere wil u redden en behouden, geheel en voor eeuwig, en daarom vat Hij 't niet licht op met u. O wedersta Hem dan niet, als Hij u aangrijpt en onder Zijn recht doet doorgaan. Dat is't werk Zijner ontferming. Zijner eeuwige Liefde, die uw heil zoekt door uwe zielsverbrijzeling heen.

Welaan, laat dan der wereld haar zachtere wegen, die ze als barmhartiger aanprijst, laat haar die, wetende, dat de barmhartigheden der goddeloozen wreed zijn, en zegge nu onze ziele met David weleer: Mij is zeer bange, maar Iaat ons toch in de hand des Heeren vallen, want Zijne barmhartigheden zijn vele!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 oktober 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 oktober 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's