Uit het kerkelijk leven.
God een slecht Huisverzorger ?
Door het lezen van een stukske in het Bijblad van „De Wekker", orgaan der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland, No. 19, van 9 October j.l., komen wij er toe om boven dit artikeltje te zetten: God een slecht Huisverzorger?
't Stukske handelde over de Herv. Kerk.
Die is slecht. Daar zijn „wolven in de schaapskooi van Christus."
Socialisten en anarchisten; Boeddhisten, Godloochenaars betreden den kansel.
En da Synode doet thans nog even als vroeger, zij steekt geen hand uit om den toestand te veranderen en het Genootschap weder te brengen tot de Gereformeerde Kerk.
Straks viert het Genootschap zijn honderdjarig bestaan en trots alle pogingen van kerkherstel en reorganisatie gedurende deze eeuw ondernomen, is het Genootschap in zijn wezen onveranderd en in zijn openbaring nog veel treuriger gewordeft, -
Zoo schrijft Q. in „De Wekker."
Stel eens dat deze beschouwing waar is. Maar wat dunkt u dan van déze woorden, die dan volgen: „Kan daar (in dat Genootschap) de Gereformeerde Kerk zijn? Immers neen. Want dan zou God wel slecht voor Zijn werk zorgen, dat Hij bijkans 100 jaar achtereen Zijn werk zóo zou laten mishandelen. En dat gelooft niemand!"
Wat onvoorzichtige redeneering. Want nu gaat men God voor de vierschaar dagen. Men gaat meten met menschelijk verstand. En met menschelijke wijsheid wordt vastgesteld: in het Genootschap geen Geref. Kerk meer, want 100 jaar laat God Zijn werk niet mishandelen! Zóo slecht verzorgt de Heere Zijn huis niet!
Wat is de mensch toch dwaas, als hij zóo knap wordt, dat hij precies kan zeggen hoe lang of God wel straffen mag en hoe lang het niet mag duren.
Van 1816—1834 wel? Van 1816-1886 wel? Van 1816—1916 niet?
Een zeventigjarige ballingschap in Babel wél? Een honderdjarige ballingschap in het synodaal gevangenhuis niet?
Asaf maakte ook wel eens zulke redeneeringen. En wat moest Asaf toen later van zichzelf getuigen ?
Hij moest, terugziende op die wijze periode, toen hij precies wist te zeggen, dat de Heere zóo niet goed had gedaan — hij moest uitroepen: 'k was een onvernuftig en groot beest bij U, o God ! (Ps. 73 : 22).
Laat ons toch niet wijzer willen zijn dan God.
't Is waar, ieder steekt zichzelf gaarne in de hoogte.
Maar om dan gelijk te krijgen, moet men den Heere niet hoonen!
'Zegt héél de historie van Gods Kerk niet, dat de Heere zoo véél, zoo ontzettend veel werk met Zijn zondig en wederstrevend volk heeft? En bewijst elke bladzijde niet, dat er honderd en méér jaren overheen kan gaan, dat de Heere slaat en dat men het nóg niet voelt; nog niet samen, voelt ; nog niet samen in de schuld valt?
Hoe lang moet en mag de Heere Zijn hand op Zijn Kerk leggen, om haar te bezoeken met Zijn oordeelen?
20 jaar? 70 jaar? 100 jaar? "
O, laat ons niet dwaas zijn door te zeggen: Zou God Zijn werk zóo slecht verzorgen?
Dat deed Israël óok, toen het met schande overladen was — zeggende: ons recht gaat voor den Heere voorbij.
Neen — als de Heere Zijn wijngaard door het zwijn uit het woud laat uitwroeten en door het wild gedierte laat af weiden; als de oogappel Gods een twistappel voor de heidenen is geworden, terwijl Filistijnen, Edomieten, Syriërs, Chaldeën, Grieken en Romeinen hun voet zetten op de erve Gods, neen — dan past het niet., dat Juda Efraïm benijdt en Efraïm Juda. Dan past het niet, dat, A. wegloopt en B. zich afscheidt en dan samen smalend roepen: dat is daar een beestenstal.
Want ach, wat wordt er dan nog weinig gevoeld van de Kerkschuld! Wat wordt dan de vrijmaking van de Kerk nog gemakkelijk genomen!
Wat ontaard kind, dat zich onttrekt aan het vaderlijk huis en dan uit de hoogte op vader en moeder neerziet.
De breuke en de ellende wordt zoo hoe langs hóe grooter. Want nergens hoort men nu eens van een opgewekt geestelijk leven. Nergens is er nu eens verkwikking, doordat de hemel scheurt én stroomen des Geestes neerdalen.
't ls overal twist en tweedracht, dood en donkerheid.
In dè Chr. Geref.'Gemeenten, zoo goed als in Kerk A en in Kerk B, ' zoo goed als in de Herv. Kerken.
Ziet men het niet? -Bemerkt men het niet?
„En zal er een kwaad zijn in de stad, dat de HEERE niet doet? " Amos 3:66.
O! dat er eens op de plaatse waar de schuld gemaakt is droefheid werd gevoeld over de zonde. Dat er eens. in het midden van de vervallene hut, gebeden en gestreden werd. Dat er te midden van den verwoesten wijngaard eens een aanloopen op den God des eeds en des Verbonds mocht worden geboren.
De Heere is toch de Getrouwe. En Hij houdt toch' nog bemoeienis met de Herv. (Geref.) Kerk. Hij straft ons wel, maar naar onze zonden niet. Hij ijvert nog over den. twistappel der heidenen.
„Zelfs, als zij zich een gegoten kalf gemaakt hadden, en gezegd: Dit is uw God, die u uit Egypte heeft opgevoerd; en groote lasteren gedaan hadden — hebt Gij hen nochtans door Uwe groote barmhartigheid niet verlaten in de woestijn", Nehemia 9 : 18, 19a.
Neen — de Heere is nog niet van ons geweken. Hij bezoekt ons nog. Er vallen nog druppelen Zijns Geestes. Er is in de Herv. Kerk nog een volkje, dat een welgelukzalig volkje genoemd mag worden.
Broeders en zusters van Kerk A en van Kerk B en van Kerk C wedijveren om de Ned. Herv. Kerk voor te stellen als een beestenstal, als een...
Maar aangenamer zou het zijn, wanneer het volk nog eens vergaderd mocht worden op de erve der vaderen en samen in de schuld mocht vallen, samen de zonden belijden — om samen te bidden: „Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen, o HEERE! doe het om Uws Naams wil: want onze afkeeringen zijn menigvuldig, wij hebben tegen U gezondigd.
O Israels Verwachting, zijn Verlosser in tijd van benauwdheid! waarom zoudt Gij zijn als een vreemdeling in het land, en als een reiziger, die slechts inkeert om te vernachten?
Waarom zoudt gij zijn als een versaagd man, als een held, die niet kan verlossen ? Gij zijt toch in het midden van ons, o HEERE! en wij zijn naar Uwen Naam genoemd, verlaat ons niet." Jeremia 14:7—9.
Dat is de weg.
Neen, de weg is niet om door smalende woorden Gods werk geheel te ontkennen en te verachten in-de Ned. Herv. Kerk.
God is toch in het midden van ons! En Hij verzorgt Zijn werk niet slecht.
Maar wij zijn zoo slecht. En wij gaan maar voort om met A en B en C de breuke op 't lichtst te heelen.
Veel koninkjes en veel koninkrijkjes. Maar geen heerlijkheid en geen eere. En dat, waar uitwendig alles in orde is, of in orde kon zijn.
Terug tot den Koning van Sion.
Samen! — om vergaderd te worden op de erve onzer vaderen, roemend den Heere Zebaoth. Want de Heere is een jaloersch God.
„O HEERE, God der heirscharen! breng ons weder; laat Uw aanschijn lichten, zoo zullen wij verlost worden." Ps. 80 : 20.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 oktober 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 oktober 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's