De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking

9 minuten leestijd

Een nalezing overig.

De mensch staat nergens meer voor. Alles moet voor den mensch buigen. Hij bewerkt de aarde, bereist de wereld, bevaart de zee, vliegt door de lucht. Stoom en electriciteit staan hem ten dienste. En de geheimen, die er nog zijn worden met den dag minder, want wat hij aanraakt met den tooverslag van zijn schier almachtig denken moet uit de nevelen der verborgenheid uittreden, om te komen in het licht.

De wereld moet toch wel vooruit gaan! Als de moeder ziet op haar dochter, die zooveel wijzer is dan zij ooit is geweest. Als de vader op den zoon schouwt, die zooveel meer weet, meer durft, méér vermag dan hij ooit heeft kunnen opdiepen of durven ondernemen.

Ja — dan moet de gedachte wel opkomen: wat gaat de wereld toch vooruit!

En immers — dat staat bij den wijzen mensch toch vast, niet waar? — hoe méér wetenschap en hoe méér beschaving, hoe méér geluk en vrede.

Zou 't waar zijn ? Neen — 't is niet waar. Zekerlijk niet! 't Is de tijd van bleeke gezichten; van zenuwpatienten; van ziekten en kwalen; van krankzinnigengestichten en gevangenissen; van opvoedingsgestichten en verbeterhuizen.

't Is de tijd, dat de kinderen hoe langs hoe meer onder een voogdijraad en de ouders hoe langs hoe meer aan de diaconie komen.

't Is de tijd van genot en vermaak; van speculeeren en bankroet; van dronkenschap en ontucht; vau gruwelbedrijf en zelfmoord — waarbij een dikke nevel van donkerheid ligt over héél de maatschappij.

Zeker we gaan vooruit! Wie zal het ontkennen? Vooruit in wetenschap, vooruit in snelheid van beweging, vooruit in het verbeteren van kunstlicht. Maar de zonde vreet hoe langs hoe meer in in het leven van arm en rijk.

En het kan bij tijden met schrik vervullen. Hoe groot is de bandeloosheid — de brutaalheid — de vermetelheid.

Hoe fijn de spot en de laster. Hoe ruw de najaging van zingenot en de bevrediging des vleésches.

We gaan verloren, allen tezamen en ieder persoonlijk.

Het ontdekt zich in alle naaktheid aan ons oog, dat het portret van den mensch in Rom. 3 door Paulus naar waarheid is geteekend en dat zijn woord geen leugen is: tezamen zijn we afgeweken, tezamen onnut geworden — er is niemand die goed doet, er is ook niet tot éen toe.

O, zal er dan nog éen behouden worden? Zal er nog iets van terecht komen?

„Zoo niet de HEERE der heirscharen ons nog een weinig overblijfsels had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn, wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden." Jes. 1:9.

En zoo gaat het om dat overblijfsel, dat naar de verkiezing is, waarbij de groote menigte zegt: wijk, wijk van ons, want in de kennisse Uwer wegen hebben we geen lust.

Terwijl hoe langs hoe meer alle geheimen worden ontsluierd en de kring onzer kennis zich hoe langs hoe meer uitbreidt, ontbreekt in onze dagen de ontdekking des harten aan kennis van zonde en schuld, en er wordt zoo jammerlijk gemist het ingaan in de diepste roerselen der ziele.

Men wil niet afsteken naar de diepte, terwijl men daar boven in de lucht z'n leven waagt voor een hand vol geld.

Er is geen luisteren naar de behoeften en de nooden der ziele.

De geestelijke dingen, de dingen van Gods Koninkrijk worden vergeten, veracht, bespot en verworpen, door groot en klein, door ryk en arm.

De mensch heeft geen tijd, geen lust om stil te staan bij zich zelf.

Hij wil zich voor God niet leeren onderzoeken, om te peinzen over 't geen noodig is tot zaligheid.

O, de ontdekkingen vermeerderen en de grenzen van het denken breiden zich uit.

Maar de deur des harten wordt niet opengebroken en er is geen kennis aan zonde en schuld.

Geen kennis aan Hem, die de wereld overwonnen heeft en het hemelsch Kanaan heeft ingenomen ; Die de Weg, de Waarheid en het Leven is.

En als er nog over deze dingen gesproken wordt, dan weigert men te luisteren.

En als men nog luistert, dan wil men de waarheid op z'n zachtst hooren.

En als men nog antwoordt, dan is het: gij beweegt mij bijna een christen te worden, maar.... mijn liefde trek ik van de wereld liever niet af!

Zou er nog wel iets van terechtkomen? Brengt de wijnstok geen zure druiven voort? Draagt de boom geen rotte vruchten?

Zal er nog wel één verzameld worden in de hemelsche voorraadschuren?

„Gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben", zegt Jezus (Joh. 5:40.)

O, als de HEERE niet gesproken had: Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden ; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten ; tot het volk, dat naar Mijnen Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik" — (Jes. 65 : 1) — dan zou er niet één behouden worden. Dan zouden we allen vergaan. Dan zouden we allen worden stukgeslagen als pottenbakkersvaten. Dan zouden we allen sterven onder de roede van den Koning der gerechtigheid.

Maar nu is er nog hope op een erfdeel des Heeren, door Hem uitverkoren ; door Hem gered, als een brandhout uit het vuur; een volk, besneden naar het harte door den Geest en nieuw geboren van boven.

En dan heeft dat overblijfsel des Heeren, dat door de sterke hand des Heeren, bij ontdekkend licht des Geestes, - tot de kennis van de schatten Gods in Christus gebracht is, weer dit gebrek, dat het telkens nadert aan de grens van de hel!

Want heeft de mensch van nature lust in de wereld en geen lust in God.

Spreekt de mensch van nature : wij willen niet dat Christus Koning over ons zal zijn.

Wil de natuurlijke mensch van God en Zijn dienst liefst niets hooren dan zachte dingen, waarover Jesaja klaagt, waarover hij in het 30ste hoofdstuk van zijn Godspraken zegt: „die daar zeggen tot de zieners: ziet niet, en tot de schouwers: schouwt niet wat recht is; spreekt tot ons zachte dingen, schouwt ons bedriegerijen".

Wil de natuurlijke mensch niet hooren van Christus, daar Hij niet begeerlijk is voor hem. Immers Jesaja zegt toch; „Hij was veracht en de onwaardigste onder de menschen, een man van, smarten en verzocht in krankheid, en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht. (Jes. 53).

Ach, hoe zéér heeft het volk des Heeren zich in deze ook te beschuldigen. Hoe gansch onwillig worden de besnedenen des Heeren dikwijls bevonden. Hoe weinig geestelijk. Hoe gansch anders dan met de voeten in den hemel en den gang door het heiligdom. Hoe weinig is 't: „ik leef, maar niet meer ik, maar Christus leeft in mij". Hoe weinig wordt het aanschouwd, dat „stroomen des levenden waters uit den buik vloeien". Hoe weinig vindt men: éen kudde onder éen Herder. Hoe weinig als een stad op een berg, als een licht op een. kandelaar. Hoe weinig als leesbare brieven van Christus. Hoe weinig is 't: „gelijk uit vele graankorrels éen meel gemalen en éen brood gebakken wordt en uit vele bezien, saam geperst zijnde, éen wijn en drank vliet en zich onder een vermengt, alzoo zullen wij allen, die door het waarachtig geloof Christus ingelijfd zijn, door broederlijke liefde, om Christus, onzes lieven Zaligmakers wil, die ons te voren zoo uitnemend heeft liefgehad, allen tezamen éen lichaam zijn, en zulks niet alleen met woorden maar ook met de daad jegens elkander bewijzen".

En dan wil men zachte dingen hooren. Dan wil men met bedriegerijen getroost worden. Men is zoo zelfvoldaan.

Terwijl de Heere wil, dat we zullen worden geslagen en gekastijd, zullen worden vermaand en bestraft. Terwijl Hij wil, dat we uit onze gevaarlijke legerplaatsen zullen worden uitgedreven.

Want we gaan verloren, als schapen die op zoovele bergen ronddolen. Als zielen, die niet uit Christus leven. Als kinderen, die geen lust hebben in vaste spijze.

Er is een stilzwijgen bij Sion. Er is een verbijten en vereten van elkander. Er is magerheid der ziele.

De kerke Christi is een bouwvallig hutje in den komkommerhof. Een koninkrijk zonder aanzien en eere.

En zoo gaat de groote wereld verloren. Zoo wandelt Sion aan den rand van het verderf. Zal er nog wat overblijven van de wereld ? Zal Sion behouden worden?

Zal er genezing voor Sion zijn ? Zal er leven, vrede, vreugd en blijdschap gevonden worden?

Zal de kerke Christi worden opgericht? Zullen de steenen sierlijk worden gelegd ? En dan zegt de profeet: "doch een nalezing zal daarin overig blijven"..

Blijven. De Heere heeft het en bewaart het. En daar staat geschreven: „ uw volk zal zéér gewillig zijn op den dag Uwer heirkracht, in heilig sieraad".

O, dat het gebed daartoe eens mocht opklimmen, dat de Heere zich mocht komen ontfermen over Zijn erfdeel. Dat Christus eens mocht komen legeren onder Zijn kudde. Dat Sions Koning eens mocht komen heerschen over Zijn volk.

En dat het Harte van Gods kinderen eens mocht worden ontsloten om den Koning der eere te ontvangen, om Hem plaatse in te ruimen, om Hem te laten spreken.

Want dat alleen geeft vrede, vreugd, barmhartigheid en zaligheid.

Ten ware de Heere geen overblijfsel hadde en geen nalezing overig deed blijven, er ware geen hope.

En alleen wanneer de Heere ruim baan komt maken onder Zijn volk, de steenen komt weg ruimen, en komt inrijden in het harte van Zijn gunstgenooten, zal er vrede en ruste worden gesmaakt.

Dan zal het verbond vernieuwd worden. Dan zal de fonteine des heils ontspringen. Dan zullen de wateren des levens verkwikken. En Sion zal zeggen: „het is goed, dat men den Heere love — want Zijn liefdedienst heeft ons nog nooit verdroten".

O, kom dan, o Heere Jezus en ijver met een ijver der liefde en met een ijver van genade over de schapen Uwer weide, opdat zij als één kudde mogen legeren in de grazige weiden en zeggen :

Zoo zullen wij, de schapen uwer weiden, In eeuwigheid, Uw lof, Uw eer verbreiden, En zingen van geslachten tot geslachten, Uw trouw, Uw roem. Uw onverwrikb're krachten (Ps. 79 : 7).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 november 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 november 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's