Voor Jong en Oud.
[Auteursrecht voorbehouden.)
Zonde en genade.
Hijgend hijscht ze zich op, het kleine oudje, in haar bank. Heen en weer schuift ze haar verkromd lijf, tot ze glad en makkelijk op 't kussen zit, voelt even met de handpalm boven haar stoof, zet er langzaam de voeten op en veegt langs been en knie het schootkleed effen.
Dan kijkt ze rond, knik al mummelend van kaakzwakte, tegen de kennissen om haar heen en buigt dan knakkend hoofd en bovenrug tot devoot gebed.
Voor ze zich opheft is 't orgel met zachtmelodisch toongemengel 'n voorspel begonnen op het: Hoe lieflijk, hoe vol-heilgenot.... Zijn mij Uw huis en tempelzangen! Bevend, als wie zich van zwakte stutten moet bij 't loopen, deunt ze mee, maar kijkt toch rond met 'n geluksflikkering in het oog, rustig „thuis" na zesdaagsoh gedool. Vreugde doorvloeit haar, als toen ze voor zestig jaren, meisje nog, tóch reeds onder vreemden, haar Zondag thuiskwam en met vader en moeder en de kleinen zat aan den disch. Maar vreugde, veel heiliger, hóóg, hemelsch.
„Die aan mijn ziel het leven geeft, " fluistert het orgel de gemeente zacht na, als 't gezang is weggestorven.
„Het leven!" beaamt het oudje zichzelf. En zachtkens tracht ze te ontknoopen de banden van het net der aardsche tobberijen en moeiten, om zich 'n ure ongestoord in het „leven" te verlustigen.
Broodzorgen kent ze niet. Ze geniet het goede der aarde en is voor dit leven „geborgen". Lichaamssmart pijnt haar niet; wel wordt ze zwakker, maar 't is meer het verloomen van wie de slaap de spieren ontspant, aangenaam als zachte massage op 't vermoeide vleesch.
Toch heeft ze haar kruis, haar veelgegroefde trekken getuigen ervan.
Kruis, dat ze voortsleepen moet over den heuvel harer ongerechtigheden. Eén dochter heeft ze, maar . . . die haar naam draagt. „Zonden der jonkheid" — ze zijn beleden, beschreid; ook verzoend, maar heur heugenis blijft!
Krachtig heeft genade haar gegrepen. Eenmaal „op den weg" bracht ze ook haar kind in godzaligheid groot, tot deze, lieflijk maagdelijn, zélve zich zette aan den voet van Jezus' kruis, waar zijn verzoenend bloed haar besprenkelde.
't Oudje woont nu bij haar in.
Want haar dochter huwde , 'n lot uil de loterij", zeiden de buurtjes op't hofje . . . . 'n man met 'n flinke zaak, 'n góéie vent, die hart had voor 'n ander — maar in wie de vreeze Gods niet woonde!
En zij heeft haar dochter niet weerhouden. Eer aangespoord. De verlokking kwam zoo wonderlijk snel, in zoo bedwelmenden vorm over die twee werkmenschen op 't hofje.
Was 't niet 'n . . . . „bestiering"? Zóo'n huwelijksaanvraag ? Als vrouw te komen in zoo'n zaak? Nooit geen zorgen meer; weggenomen uit die buurt, waar allerlei zonde welig tiert, die ze zien moeten; weggeblazen 't spook van 'n tobberigen ouderdom.
En daarbij — was Cato die plaats in de maatschappij niet waardig? Met haar schoone, ranke gestalte en fijne lichaamsvormen, 't erfdeel van heur vader; met haar beschaafd optreden; met haar huiselijke deugden? .. ..
Wie, ten slotte, kon zeggen, wat God nog beliefde, aan dien man te doen ? . . . . Was zij zelve niet óok als 'n brandhout uit het vuur gerukt?
Zoo had ze met haar geweten getwist en toen ze 't niet winnen kon, had ze 't het zwijgen opgelegd.
Thans woont ze bij haar dochter in. 's Avonds gaat die naar de kerk; 's morgens zij. Haar schoonzoon laat het haar aan niets ontbreken, maar de atmosfeer der wereld doordringt het gansche gezin, 't Oudste meisje, evenbeeld harer moeder, danste om haar heen, toen ze de deur uitging — ze mocht vanavond met pa mee naar 'n komedie-troep, die gastvoorstellingen gaf. De jongen ging naar den trein; hij moest mee de eer van 't elftal der H. B. S. ophouden.
En haar dochter kropte haar smart op in de keel!
O, die zonden! Die zich hoog om haar heen stapelen, die haar bezetten aan alle zijden, dat ze den hemel zelf verduisteren!
De predikatie, korter dan anders, is gedaan, 't Formulier werd gelezen; reeds kwamen en gingen twee tafels; de predikant roept nu ook de zusters op, om aan den Heiligen Disch te verschijnen.
Anders een der eersten, met blijden zonneglans op 't gelaat, toeft ze nu. En satan schuift op 't kussen naast haar, befluistert haar met tegenwerpingen: „Gij aan Gods Disch? Gij, die voor uzelven, voor üw lusten, voor üw trots geleefd hebt.... Gij? "
En dieper zinkt haar hoofd; tranen rollen op 't kerkboek in haar schoot.
Weer ging en kwam een tafel. ' „Zijn er nog broeders of zusters, die aan hun doemstaat ontdekt, bij Jezus het leven zoeken willen? " vraagt, rondziende de leeraar.
Het oudje staat op. Dieper dan ooit bukt zich haar gestalte, Aan 't uiterste einde van den Disch zoekt ze schuchter een plaats en tot daar achtervolgt haar de Booze, toont haar, 't gezin van haar kind en sist: Uw werk!
Daar ruischen langs de tafel in de eerbiedstilte van het bedehuis, de heilige woor den der zegening: Dat voor u gebroken is .... Dat voor u vergoten is .... tot vergeving der zonden!
En, als ze met sidderende hand den beker aangrijpt, dan recht zich langzaam haar gestalte en met het zwaard des Geestes duwt ze den boozen vijand weg: Daar staat geschreven — „al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol"!
Voorjaarszonnestraal glijdt langs 't witte kleed, omschittert den beker vóór haar, vervloeit in den perelenden wijn.
En langzaam wordt haar geest opgeheven van de aarde. Zonden en zorgen warrelen, maar met goddelijke kracht wordt haar geest eraan onttrokken, 't Liefelijk zonnelicht gaat ze tegemoet. Voller en rijker wordt de overstrooming van glanzend licht om haar heen. Zonnen bij zonnen ziet ze komen en verdwijnen, maar het schijnsel blijft en die golven van zonnelicht stuwen haar hooger steeds.
Zachte muziek met hemelschen zang saamgesmolten tot een klankenweelde, die de aarde niet kent, is de welkomstgroet, waarmee ze ontvangen wordt.
Daar zitten ze aan, al Gods kinderen, de vrijgekochten des Heeren aan de Bruiloft des Lams. En gelijk hier aan de tafel, is ook daar een plaats voor haar open. Haar plaats! Voor haar bestemd van eeuwigheid ....
„Amen", eindigt de leeraar. Het oudje staat op. Met zachten drang moeten de anderen haar voortstuwen. Werktuigelijk zoekt ze haar bank. Maar zalige blijdschap doet haar harte kloppen; uit den nevelen-drom van dit moeilijk leven, mocht ze één oogenblik schouwen in de heerlijkheid van Gods heiligdom!
Zw. P. BR.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's