Staat en Maatschappij.
De eerste stap.
Het toegezegde wetsontwerp tot nadere wijziging der wet van 4 December 1872, houdende voorzieningen tegen besmettelijke ziekten en waarbij wordt voorgesteld de bepalingen omtrent de inenting der koepokken te wijzigen en aan te vullen, is bij de Tweede Kamer ingekomen.
Zooals bekend is, worden volgens artikel 17 der bestaande wet onderwijzers, onderwijzeressen en leerlingen niet tot de scholen toegelaten, tenzij zij blijkens verklaring van een geneeskundige met goed gevolg of meer dan eens de inenting der koepokken hebben ondergaan of aan de natuurlijke kinderpokken hebben geleden.
In tweeërlei opzicht wil nu het ingediende wetsontwerp-Heemskerk dit artikel wijzigen en aanvullen.
1o. Om tegemoot te komen aan het bezwaar dat, wanneer het niet blijkt, dat de inenting met goed gevolg is ondergaan of de in art. 17 genoemde personen aan de natuurlijke kinderpokken hebben geleden, de inenting MEER DAN EENS zal moeten hebben plaats gehad. De regeering meent, dat het kan worden mogelijk gemaakt, dat personen, die zonder goed gevolg éénmaal zijn ingeënt, gedurende één jaar tot de school worden toegelaten. Binnen dien termijn zal echter de inenting herhaald moeten worden. Door dit voorschrift wordt tegemoet gekomen aan het bezwaar, dat de inenting, die zonder goed gevolg bleef, in menig geval dadelijk zou moeten herhaald worden.
En 2o. om onder zekere waarborgen vrijstelling van inenting aan die kinderen toe te staan, die deze kunstbewerking niet zonder schade voor hun gezondheid kunnen ondergaan.
Om dit beginsel in de wet tot uitdrukking te doen komen, is een nieuw, artikel 176 ontworpen, luidende: „Met af- wijking van het bepaalde in artikel 17, wordt een onderwijzer, een onderwijzeres, of een leerling in eene school mede toegelaten, indien wordt overgelegd eene onderteekende, gedagteekende en met redenen omkleede verklaring van twee geneeskundigen, dat van de inenting tegen de pokken voor de gezondheid van den persoon, ten wiens behoeve de verklaring wordt overgelegd, bijzonder gevaar te duchten is. Zoodanige verklaring blijft gedurende drie jaren na de afgifte van kracht."
Voorzeker is deze laatste aanvulling der wet van veel beteekenis, en dat niet alleen om het directe voordeel dat er mee verkregen wordt, maar ook, omdat hier een eerste stap in principieelen zin gedaan wordt, om tot opheffing van den vaccinedwang te geraken. Daarbij moge nog gewezen worden op de belangrijke mededeeling, die minister Heemskerk in de memorie van toelichting op het wetsontwerp doet, waar hij verklaart, dat hij des te meer vrijheid gevonden heeft om zijn voorstel te doen, nu de Centrale Gezondheidsraad in zijn ter zake ingewonnen advies — waarin ook overigens over het algemeen instemming met de thans voorgestelde regeling werd betuigd — erkende, daf sommige ziekelijke aandoeningen en stoornissen het uitstellen der vaccinatie beslist noodzakelijk kunnen maken.
Ziehier de eerste overwinning, welke hier te lande op de officieele medische wetenschap is behaald geworden. De Centrale Gezondheidsraad ziet in, dat er omstandigheden kunnen aanwezig zijn, waarin niet mag gevaccineerd worden. Minister Heemskerk heeft aan den Raad die verklaring ontlokt.
Nog onlangs lazen we ergens hoe de ervaring het leert dat steeds meer of minder zware ziekten ontstaan en hoe zelfs de dood kan intreden tengevolge van de inenting. Op de 1000 inentingen moeten er 10 zware ziektegevallen voorkomen benevens 1 sterfgeval.
In een dezer dagen verschenen geschrift van Dr. Murk Balt, getiteld: „Uw persoonlijk belang", herinnert de schrijver ons aan de woorden van den bekenden Duitschen Sanitatsrat Dr. Bilfinger, luidende: „Op godsdienstig gebied hebben wij ons — tot welke gezindheid en belijdenis wij ook behooren mogen — gewetensvrijheid bevochten. Op geneeskundig terrein echter moet deze bevrijdingskamp nog uitgestreden worden."
Ons dunkt, dat we met het wetsontwerp-Heemskerk den eersten stap op den bevrijdingsweg zetten.
De tweeërlei levensopvatting.
In een magistrale rede heeft Dr. Kuyper bij het begrootingsdebat nog weer eens duidelijk uiteengezet het diepgaand verschil tusschen de beide levensbeschouwingen, die ook ten onzent de scheidingslijn vormen tusschen de twee stroomingen, die de geestesopvatting van ons volk beheerschen.
Als uitgangspunt van zijne beschouwing wees de leider der anti-revolutionaire partij op het niet te loochenen feit, dat de traditioneele geest, die uit. de middeneeuwen en na de reformatie tot op het eind der 18de eeuw hier te lande den toon aangaf, niet meer geheel ons volk bezielt, doch dat er integendeel uit den vreemde een andere geest is binnengedrongen en dat die geest, die van buiten is ingekomen, principieel tegenover den Christelijk-nationalen geest staat.
Blijkt hier nu uit, dat het Nederlandsche volk niet uit eenzelfden geest leeft, het behoort in verband daarmede te worden toegegeven, dat er in den boezem van ons volk metterdaad twee overtuigingen gedurig tegen elkander indruischen, overtuigingen, die veelal met het geloof samenhangen en daarom zoo diep in het huiselijk en familieleven zelf binnendringen.
Die twee overtuigingen vinden hunnen eigenlijken oorsprong in de beantwoording der vraag: Als hoedanig beschouwt men den mensch ? Is de mensch een autonoom wezen of is de mensch een heteronoom wezen? Of met andere woorden: is de mensch iemand, die zich zelf de wet stelt, of wel iemand, die onderworpen is en te gehoorzamen heeft aan een wet, die over hem gesteld is.
Dat wij hier met een zeer belangrijke aangelegenheid, te doen hebben, waarvan het wezen ons niet onverschillig mag laten, blijkt wel uit het reeds diep ingrijpen der eerste levensopvatting: de autonomie, waarin de mensch zich zelf de wet stelt — in het sociaal en maatschappelijk leven van ons volk. Zoo b.v. ten opzichte van het huwelijk. In zake het strafrecht wordt het vaste beginsel van eertijds losgewrongen. Ja zelfs in de rechtspraak begint de autonomie door te dringen.
Tegenover dien autonomen mensch staat nu de heteronome mensch. De laatste gevoelt, dat er een hoogere orde, een heilige orde boven hem staat en dat hij aan die orde zich heeft te onderwerpen. Het is hier eenerzijds de verzameling van individuen, waartegenover anderzijds staat de organische samenhang van het menschelijk geslacht.
Voor een ieder onzer, die zich de moeite geeft om zich van onzen tijd rekenschap te geven, zal het duidelijk zijn, dat, hoe men die beide stroomingen ook met name moge aanduiden, die twee levensopvattingen het leven van ons volk beheerschen. En naarmate de geest des tijds zich krachtiger in vijandschap tegenover Gods Woord komt te openbaren, vertoont zich ook de grensscheiding tusschen de autonomie en heteronomie steeds scherper.
Het was de verdienste van den leider der anti-revolutiónaire partij, dat hij bij het algemeen politiek debat, dit nog eens duidelijk uiteenzette en de tegenstelling of anti-these daarbij op het terrein der practijk toepaste.
Winste.
Bij gelegenheid van het eeuwfeest der bevrijding in het jaar 1913 zal o. m. in de residentie een nationale landbouwtentoonstelling worden gehouden. Een bedrag van f 20000 wordt daarvoor als eerste termijn van een crediet groot 3 ton op de begrooting van Landbouw aangevraagd.
Evenals bij het toestaan der gelden voor de Nederlandsche afdeeling op de Brusselsche tentoonstelling, kwam ook dit keer. de vraag ter sprake, of de regeering niet aan het crediet de voorwaarde zou .willen verbinden, dat de Landbouwtentoonstelling op Zondag gesloten zal zijn. Door de afgevaardigden van Gorkum en Steenwijk, de heeren Pollema en Duymaer van Twist, werd met groote klem op het stellen van die voorwaarden aangedrongen. Minister Talma kon echter die toezegging niet doen, omdat hij het niet mogelijk achtte, verder te gaan dan de Zondagswet hem dit ten dezen opzichte veroorloofde. Intusschen kwam de post in stemming en werd met 7 stemmen tegen, die van antirevolutionairen, aangenomen.
Toch bleef de discussie, ook al werden de gelden aan den Minister toegestaan, niet zonder winste. Het was de Minister van Binnenlandsche zaken, die bij het algemeen politiek debat verklaarde, dat de beraadslagingen over het sluiten der Landbouwtentoonstelling op Zondag hem van de meerdere urgentie (noodzakelijke totstandkoming) eener nieuwe Zondagswet hadden overtuigd.
Moge deze verkregen winste mede een spoorslag zijn, om ook in 's Lands Raadzaal de beginselen meer op den voorgrond te stellen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's