Stichtelijke overdenking.
"God van den hemel zal het ons doen gelukken en wij zijne knechten zullen ons opmaken en bouwen." Nehemia 2:20.
Opmaken en bouwen
Wanneer het volk van Israel in diep verval gekomen was, kon steeds de oorzaak daarvan wel worden opgespeurd.
Lees de kleine profeten maar eens. Of staat er niet bij Hosea: Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is". Alsook: dewijl gij de wet des Heeren vergeten hebt, zal Ik ook uwe kinderen vergeten." (4 : 6.)
Staat er niet in dezelfde profetie: zij hebben het verbond overtreden als Adam; daar hebben zij trouwelooslijk tegen Mij gehandeld. Ik heb ze gedood door de redenen Mijns monds en uwe oordeelen zullen voortkomen aan het licht." (6 : 7 en 6.)
Of zegt de Heere bij Amos niet: om drie overtredingen van Juda en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de wet des HEEREN verworpen en Zijne inzettingen niet bewaard hebben, en hunne leugenen hen verleid hebben, die hunne vaders hebben nagewandeld. Daarom zal Ik een vuur in Juda zenden, dat zal Jeruzalems paleizen verteren." (2 : 4, 5.)
Wanneer dus de vonken van Gods toorn in 't midden van 't volk, uit Abraham gesproten, neervallen, dan is het vanwege de zonde en om oorzake van de gruwelijke overtreding.
En schrikkelijk wanneer er dan geen ópmerking was bij het volk. Dan klaagde de Heere: „Ik heb u geslagen, maar gij hebt het niet gevoeld."
Dan klaagde de Heere: wee den gerusten in Sion en den zekeren op den berg van Samaria." (Amos 6 : 1.)
En dan wilde de Heere aanhouden in waarschuwen en roepen, vol barmhartigheid betuigende: bekeert u tot Mij met uw gansche hart en scheurt uw hart en niet uwe kleederen en bekeert u tot den HEERE, uwen God: want Hij is genadig en barmhartig, langmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade. Wie weet. Hij mocht Zich wenden en berouw hebben Hij mocht een zegen achterlaten." (Joel 2:12—14.)
Dat is de weg. De Heere zoekt Zijn volk, óok als het afdwaalt. En onder de tuchtiging wacht Hij op verbreking des harten.
En dan van boven een regen van genade! Wanneer het volk mag roepen: Spaar uw volk, o HEERE! en geef uwe erfenis niet over-tot eene smaadheid, dat de Heidenen over hen zouden heerschen" — dan staat er: zoo zal de Heere ijveren over Zijn land en Hij zal Zijn volk verschoonen." (Joel 2:17-18.)
Vonkelende sterren, die blijde schitteren in een donkeren nacht, om Sion te troosten met Gods rijke beloften, die eeuwig waar blijven over een ontrouw volk, al wisselt en verandert ook alles hier beneên.
„Israel hope op den HEERE, van nu aan tot in der eeuwigheid." „'t Is God die groote wonderen doet."
Indien er bij den Heere geen opstaan in genade en geen ijveren in liefde was over Zijn volk en over het heiligdom, dat naar Zijn Naam genoemd is, dan zou er geen heil en zegen, geen oprichting en bevrijding zijn.
Maar gelukkig, dat Hij aan Zijn volk barmhartigheid wil bewijzen, wanneer zij van Hem zijn afgeweken, zeggende: Ik zal hunlieder afkeering genezen. Ik zal hen vrijwiliglijk liefhebben" (Hosea 14:5). „En gij zult overvloediglijk en tot verzadiging eten, en prijzen den naam des HEEREN uws Gods, die wonderlijk bij u gehandeld heeft; en mijn volk zal niet beschaamd worden tot in eeuwigheid" (Joel 2 : 26.)
Vooral in dagen van diep verval — gelijk wij die ook beleven — is het goed deze dingen, aan de hand van de Schrift, te overdenken.
Wat klaagt ons aan? Immers onze zonde. Onze persoonlijke zonden, als ook de zonden der kerk, de zonden van land en volk.
En zoolang we dat niet zien en niet gevoelen hebben we er ook geen zorg over en geen hinder van. Dan bekommeren we er ons niet over. Dan vragen we niet, waar we er mee heen moeten. Dan leven we er mee voort. Maar wanneer daar in enkele harten en in enkele kringen en in enkele gemeenten een beroering des Heeren mag komen, om de zonden te laten zien en de schuld te laten gevoelen, dan komt er een klagen en een vragen — en dan weten we dikwijls niet, wat we denken, wat we doen of laten moeten. Dan kan alles ons gaan benauwen. Dan wordt het donker. Dan vertrouwen wij ons zelf niet en anderen niet. Dan weten we niet wat God de Heere van ons eischt. Dan is verwarring en onwetendheid bij ons. O! die zonde. O! die menigvuldige afdwaling. Die verwoesting en ellende overal. 't Is hopeloos, 't Is verloren.
En we zijn geneigd om in het midden van het land een eenzame plaats te zoeken en daar stille te gaan zitten; we hebben lust om uit het midden van het kerkelijk leven uit te gaan met een boekske in een hoekske.
Want wat is de verwoesting groot en de hope op herstel weg!
Maar als we dan het opstaan des Heeren mogen aanschouwen.
Als we dan Zijn woorden mogen beluisteren. Zijn zegeningen zien. Zijn roepstemmen hooren, Zijn vertroostingen verstaan — dan wordt het anders.
Dan komt de Heere in Zijn wondere almacht voor ons te staan. Dan treedt Zijn eeuwige trouw en waarheid in het licht.
En als de Heere zoo komt, in Zijn volheid van macht en kracht, sterkte en ijver, liefde en barmhartigheid — dan verlevendigt de hoop in het harte.
Dan wordt de mensch niet wat. Neen — de mensch heeft zich dan leeren kennen als niets te zijn, niets te hebben, niets te willen, niets te kunnen.
Dan wordt het land niet wat, of de kerk. Neen — land en volk en kerk hebben het verzondigd en verdorven. De Sodomsbrand is verdiend.
Maar dan wordt de Heere wat. Dan treedt de Heere op als de Herder, die Zijn schapen liefheeft; als de Koning die Zijn volk bemint; als de Verbondsgod, die Zijn Kerk getrouwd heeft voor eeuwig. En dan is het de wondere genade Gods, dat ieder die deze dingen met een geestelijk oog mag leeren zien daardoor bemoedigd mag worden om te zeggen: "God van den hemel zal het ons doen gelukken en wij zijne knechten zullen ons opmaken en bouwen" Neh. 2:20.
Een wederkeeren tot den Heere, een vragen naar Zijn Woord, een opnemen van Zijn geboden volgt dan.
Zooals het staal zich bewéègt naar de magneet, omdat er van de magneet kracht uitgaat — zoo leert het harte van Gods kinderen naar den Heere, den God der trouwe vragen en hunne hand beweegt zich om te doen, wat de Heere, de God des heils op de handen legt.
En dan wordt het werken makkelijk. Want dan legt de Heere, Sions Bondsgod, die Zijn Volk zoo lief heeft, zelf vlak voor de voeten, wat gewerkt moet worden.
Dan is het: begin bij Jeruzalem. Dan is het: begin aan de vervallene muren van den tempel.Dan is het: heb medelijden met het gruis van Sion. Dan voelt men dat.
Evenals Zerubbabel hoorde uit 's Heeren mond: „Wie is onder ulieden overgebleven, die dat Huis in zijn eerste heerlijkheid gezien heeft, en hoedanig ziet gij hetzelve nu?
Is dit niet als niets in uwe oogen?
Doch nu, wees sterk, gij Zerubbabel, spreekt de Heere en wees sterk, gij Jozua, zoon Jozadaks, Hoogepriester en weest sterk al gij volk des lands, spreekt de HEERE en werkt, want ik ben met u; spreekt de HEERE der heirscharen, met het woord, in hetwelk ik met ulieden een verbond gemaakt heb, als gij uit Egypte uittrekt; en mijn Geest staande in het midden van u. Vreest niet."
Maar eer dat dit in de ziele ingedaald is! Eer dat déze woorden gestalte hebben aangenomen in het hart!
„Weest sterk en werkt." Ja - dat is makkelijk gezegd. Maar.... de vervulling er van?
„Wachter, wat is er van den nacht? De morgenstond is gekomen en het is nacht."
Zoo moest Nehemia uitroepen, de schenker van het hof te Susa, toen hij in het Joodsche land kwam.
Hij zag het land in diepe ellende en versmaadheid. Hij zag Jeruzalems muur verscheurd en de poorten met vuur verbrand.
Hij gaat de stad door des nachts en weent. En dan zegt hij tot de Joden, de Priesters en Overheden: „Gijlieden ziet de ellende, waarin wij zijn, dat Jeruzalem woest is en hare poorten door vuur verbrand zijn. Komt laat ons Jeruzalems muur opbouwen, opdat wij niet meer een versmaadheid zijn."
Zoo spreekt de ziel, die de breuke voelen mag en den Heere mag kennen in Zijn bevelen en beloften.
Zoo spreekt degene, die in diepe afhankelijkheid mag leven van Hem, die maar te spreken heeft en het is er, en Die Zijn Woord geopenbaard heeft zoo vol waarheid en ernst. En als dan Sanballat, de Horoniet, en Tobia, de Ammonietische knecht en Gesem, de Arabier dit hoorden, zoo lachten zij en bespotten Nehemia, zeggende : „Wat is dit voor een ding? Wat doen deze amechtige Joden ? Zullen ze de steenen uit de stofhoopen levendig maken, daar ze verbrand zijn? "
Die spot is gemakkelijk en goedkoop. Die spot is ook begrijpelijk van een mensch, die niet anders kent dan eigen .kracht en die niet anders ziet dan wat voor oogen is.
Maar Nehemia dacht er anders over. Die antwoordt: „God van den hemel zal het ons doen gelukken en wij, Zijne knechten zullen ons opmaken en bouwen!"
Hoe diep afhankelijk! Hoe vol ijver tot werken.
En ziet, dat is nu de vrucht van de ontmoeting der ziele, die aan het oordeel niet vreemd is en aan de schuld ontdekt, met den Almachtigen God, die den hemel heeft tot Zijn troon en de aarde tot een voetbank Zijner voeten, die trouwe houdt tot in eeuwigheid en niet laat varen de werken Zijner handen.
Afhankelijkheid en arbeidslust. Het laatste als eene vrucht van het eerste.
Neen — de stad des grooten Konings mocht niet met vervallene muren en verbrande poorten zijn.
En de steenen van den tempel mochten niet verstrooid blijven liggen.
't Gold de eere Gods.
Terwijl de Heere zei: „al gij volk des lands, werkt, want Ik ben met u. Mijn Geest is staande in het midden van u. Vreest niet!"
Waar voor óns de vervallene muren en de verbrande poorten zijn? Waar voor ons de verstrooide steenen des tempels zijn te vinden?
Vrienden der waarheid, wonend in onze Ned. Herv. (Geref.) Kerk : zie vlak voor uwe oogen — daar daar liggen ze, de steenen in de stofhoopen.
Wie, wie zal ze sierlijk maken, daar ze verbrand zijn? Dat we met Nehemia mogen antwoorden: „God van den hemel zal het ons doen gelukken en wij Zijne knechten zullen ons opmaken en bouwen."
In eenvoudigheid. Maar in gehoorzaamheid. In afhankelijkheid. Maar met lust.
Onder bespotting. Maar met goeden moed. „Weest sterk, spreekt de HEERE, en werkt, want Ik ben met u, spreekt de HEERE der heirscharen.
Ja, Ik zal al de heidenen doen beven en zij zullen komen tot den wensch aller heidenen en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de HEERE der heirscharen!
Mijne is het zilver en Mijne is het goud, spreekt de HEERE der heirscharen.
De heerlijkheid dezes laatsten huizes zal grooter worden, dan des eersten, zegt de HEERE der heirscharen, en in deze plaats zal Ik vrede geven, spreekt de HEERE der heirscharen!"
Zóo spreekt de God des Verbonds, de Herder Israels — die Sion bemint en ijvert over de plantinge Zijner handen.
Weest dan sterk, al gij volk des lands. Werkt dan, alle gij inwoners van Jeruzalem.
Weest sterk — werkt — vreest niet; want Ik ben met u.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's