Over de Zending.
Geldnood.
„De Zending heeft geld noodig en het is zeer treurig, dat zij steeds met geldgebrek worstelt. Zonder geld kan haar werk niet gedaan worden; elke poging om het voor een koopje te doen, mag voor mislukt worden gehouden. Er is in mijn oogen ook geen grooter misstand dan iemand uit te zenden, die zich daarvoor wil overgeven en hem dan gebrek te laten lijden. Wellicht heeft de jonge man, toen hij heenging, niet eens begrepen welk een offer hij ging brengen, maar de broeders, die hem uitzonden, moeten weten wat ze doen.
Dus er is geld noodig, veel geld, om het werk der Zending uit te voeren en er kon veel meer gedaan worden als er meer geld inkwam. Het geldgebrek is als een looden gewicht aan de vleugels. De zendingsbesturen kunnen hun vleugels niet uitslaan, de zendelingen kunnen zich niet naar wensch bewegen, elke goede maatregel wordt belemmerd door dit vreeselijk kwaad.
Daar staat voor mij allereerst het Ned. Zend. Genootschap. Het heeft een schrijven aan al zijn zendelingen gericht om de uitgaven met 20 % te verminderen; maar van alle zijden ten antwoord gekregen: onmogelijk!
Het raamt de uitgaven over 1910 op 129,000 gulden en het had op 31 Juli nog maar f54, 000 ontvangen. Er ging toen weer een noodkreet door het land, maar 31 Aug. was er nog geen uitkomst. Terwijl er elke maand 5 a 6 duizend moet inkomen, kwam er in de maand Augustus maar f 1, 700 in.
Dan komt Utrecht zich aan mijn oog te vertoonen. De Utrechtsche Zendingsvereeniging legt een geel papiertje in haar laatste „Bericht." De toestand is „bedenkelijk." De begrooting is 102 duizend gulden, de ontvangst tot 31 Aug. 54 duizend. In de 4 maanden, die van dit jaar nog overblijven, moet dus nog f48, 000 inkomen.
De velden zijn wit om te oogsten; God zelf roept ons tot krachtigen arbeid, zegt het Bestuur, en — wij kunnen niet.
De Nederlandsche Zendingsvereeniging te Rotterdam zet ook mee in, in het klaaglijk accoord. De vereeniging heeft f 85000.— per jaar noodig; dat is per maand 6 a 7 duizend en ze heeft nog slechts 36 duizend ontvangen, dat is per maand 2 a 3 duizend gulden te weinig.
De geheele ontvangst van de maand Aug. bedraagt maar even over de tweeduizend gulden.
Het Geïllustreerd Zendingsblad hielp mij aan een beeld, dat zich thans aan mijn geest vertoont. Ik zie een spoortrein, gereed om te vertrekken. Alles is gereed. De rails zijn goed gelegd, het personeel is aanwezig, de locomotief staat er voor, er is water in den ketel, er zijn wagens achter gehaakt, de menschen zijn ingestapt; de chef geeft bevel om te vertrekken. Maar .... de trein gaat niet. En als hij gaat, gaat hij zeer langzaam en dan blijft hij wéér staan.
Én hoe komt dat? Omdat er geen kolen zijn. Of eigenlijk, er zijn wel kolen, maar niet genoeg, hij maakt wel stoom, maar niet voldoende. Dan zie ik weer een man met een emmer vol kolen, die hij komt brengen. De machinist werpt die eens weer op het vuur — en dan gaat het weer een eindje!
Daar hoor ik een gejuich van de reizigers. Iemand brengt een heele kar vol kolen. Nu zal het goed gaan. Metterdaad, er komt gang in. Dat geeft den burger moed. Helaas! Na enkele kilometers begint de gang weer te verminderen; de weg gaat wat omhoog en de locomotief heeft geen stoom genoeg om den trein over dezen heuvel te brengen. Daar staat het weer. De kar vol kolen is weer verbruikt.
Het is een gesukkel! Allertreurigst! Wat het einde moet worden, als dit gesukkel voortduurt, is mij volstrekt niet duidelijk. Ik begrijp nog niet hoe het mogelijk is, dat de machinisten moed houden om voort te gaan.
Maar hoe komt dat toch? Vroeger ging het toch beter? Waarom gaat het nu zoo slecht? Vermorst men de kolen wellicht? Want het is ontegenzeggelijk, dat er veel meer kolen gebruikt worden dan vroeger. De giften voor de zending zijn in. de laatste jaren verdubbeld. Hoe kan dat toch?
Heel eenvoudig. Voor een aantal jaren waren er haast geen passagiers. Men moest ze bedelen om mee te gaan. Men kreeg met moeite eenigen in den wagen. Men kon dus zooveel wagens achter den locomotief hangen als men wilde. Was vier te veel voor den voorraad stoom, dan bepaalde men zich tot drie, of zelfs tot twee. De trein reed en men hoorde niet van ongelukken of ongewenscht oponthoud.
Maar nu is er in eens verandering gekomen. Men heeft God gebeden de harten der menschen te veranderen en God heeft de bede gehoord.
De passagiers stroomen bij honderden toe. Nóg een wagen aanhaken ! nog een ! Heerlijk ! Wat een trein! Kijk nu eens!
Gode zij dank en lof en eere! Wat een zegen! Maar wat zie ik? De trein gaat niet. Brengt meer kolen! Er zijn er niet meer! Dat komt van den rijken zegen, dien God in liefde en op het gebed gegeven heeft.
Nu zit het vast! Brengt, brengt dan meer kolen! Er zijn er niet meer.... Helpt!
(„De Macedoniër" Nov. 1910.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 december 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 december 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's